Koornmarkt 25, De Roode Lelye www.achterdegevelsvandelft.nl


Mout met wormen, geblakerde spanten en cholera

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.
Op deze plaats stond in 1600 een huis met drie stookplaatsen waar een bord met ‘De Roode Lelye’ uithing. De bewoner was Cornelis Evertsz van der Pol en later zijn broer Dirck van der Pol. Het huidige huis is daar nog steeds voor een groot deel van afkomstig, ook al staat er inmiddels een 19e-eeuwse gevel voor. Op de begane grond zijn de moer- en kinderbinten onder het stucplafond nog goed herkenbaar. Tot 1963 was hier aan de voorzijde een opkamer boven de kelder. Achter het huis staat een achterhuis dat in 1997 is verbouwd, waarbij ook daar een eikenhouten balklaag van moer- en kinderbinten tevoorschijn kwam die rustte op zandstenen consoles met ingehakte leeuwenmaskers.Vanaf halverwege de 19e eeuw is het pand lange tijd een Siamese tweeling geweest met Koornmarkt 23 ernaast, waardoor het ruim een eeuwlang alleen via een voordeur door dat pand te betreden was. Beide panden lagen in vroeger tijden recht tegenover het Oude Gasthuis en de Gasthuiskerk aan overkant op de Koornmarkt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Met de naam op de lijst.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
In de jaren ’60 was er nog een kelder onder de
voorkamer en zat de voordeur bij de buren op 23.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
In het achterhuis kwam een console met een
leeuwenkopje te voorschijn.

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Een portret van prins Maurits was populair. Dit is
een schilderij door Van Mierevelt (collectie Prinsenhof)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster  
In 1832 had de eigenaar ook Koornmarkt 23 in bezit. De huidige omvang van het perceel is veel kleiner.  
Van Rode Lelie tot Kersseboom
Het oorspronkelijke huis heeft ooit wellicht een erf gehad dat tot aan de Oude Delft doorliep, zoals de meeste huizen op deze kant van de gracht. Ene Pieter Bertelmeesz betaalde daarvoor in 1465 7½ penning tijns (erfpacht) aan de graaf van Holland. De achter het huis liggende grond en schuren waren echter al in de 16e eeuw in handen gekomen van de grote brouwerij De Pauw ernaast, die toen nog de naam Roester droeg (op de plek van huidig Koornmarkt 21). Toen deze brouwerij zijn einde naderde kocht Cornelis Kersseboom daar omstreeks 1640 een van de achterpakhuizen, nu Oude Delft 14, recht achter dit huis. Kort daarna verwierf hij het huidige Koornmarkt 25, dat hij omdoopte in ‘De Kersseboom’. Lang heeft die vereniging van voor en achter niet geduurd, want in 1648 verkocht hij het huis met zijn naam reeds aan de koopman Elias Fangeart, maar zijn naam bleef aan het huis plakken.

Mout met wormen
Over Fangearts wijze van zaken doen hebben wij helaas weinig gunstige berichten gevonden. In 1647 kreeg hij een klacht van een Rotterdamse zakenrelatie Jan Vergoes. Hij had Vergoes een schip geleverd met 50 last mout, waar de wormen aan alle kanten uitkropen. Maar Fangaert vond dat Vergoes niet moest zeuren. Hij had het te nemen, ‘al was het stront’.
Fangaert overleed in 1673. Bij de beschrijving van zijn nalatenschap telde het huis vijf vertrekken. Het bevatte geen koopmansgoederen meer, maar wel een flink aantal schilderijen, zij het niet van grote meesters. In het voorhuis hing een groot doek ‘Geloof , hoop en liefde’, verder een ‘Vlucht naar Egypte’, een ‘watertje met schepen’ en twee kleine schilderijtjes van Lot en Sussanna en enkele ‘gelijmde’ porseleinen schotels. In de kamer daarnaast hing een schilderij van de Delftse fantasie-landschapsschilder Pieter Groenewegen en verder ‘conterfeitsels’ (portretten) van de overledene en zijn vrouw, en van een overleden kind, naast een scheepje en een schilderij met hoenderen en een portret van Prins Maurits.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voorbeelden van de Vlucht uit Egypte en Geloof hoop en liefde (beiden collectie Rijksmuseum) en een Boerenkermis (schilder Pieter Balten).

Ook schilderijen in de keuken
Misschien dat de conterfeitsels geschilderd waren door zijn neef Simon Fangaert, want die was in Delft werkzaam als portretschilder. In de keuken hing het ook vol met schilderijen. Uiteraard hing daar naast een ‘bloempotje’ en een ‘watertje’ ook een ‘banquetje’ (keukentafereel). Maar verder ook een boerenkermis, een boerengelach en een drietal Bijbelse voorstellingen, van Johannes de Doper, Lazarus en de martelaar Sebastiaan. Dat laatste doek was geschilderd door de (onbekende) schilder Schooten. Bovendien lag hier ook de Bijbel.  
De keuken was in die tijd dan ook niet alleen een vertrek om te koken, maar ook de plek waar een groot deel van het familieleven zich afspeelde rond de warme haard. Boven voor hingen alleen drie ‘slegte’ schilderijtjes, naast een spiegel met vergulde lijst en een ‘kastje van St Jan’ en een tafel van Braziliaans hout.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Een ‘bloempot’ van de Delftse schilder Jacob Vosmaer hierEen banquetje of keukentafereel door Gillis de Bergh (collectie museum Prinsenhof) Een fantasielandschap van de Delftse schilder Pieter Groenewegen
Dakreparatie
De afwikkeling van Fangaerts nalatenschap duurde acht jaar en in de tussentijd moesten enkele noodzakelijke reparaties aan het huis worden verricht, onder meer aan het dak en de pomp. De rekeningen daarvan zijn zorgvuldig bewaard door de Weeskamer, die de boedel beheerde. In 1681 werd het huis voor de achtergebleven wezen in veiling gebracht. Er werd een bod op uitgebracht van 1300 gulden, maar de bieder bleek niet bereid de koop te aanvaarden. Hij verklaarde slechts geboden te hebben om de prijs op te drijven, en kwam er met het betalen van een boete nog onderuit. Het huis ging toen voor het geboden bedrag naar de (wees-)kinderen van Fangaerts eerder overleden vrouw Grietje van der Brouck, die het aan Fangaerts weduwe verhuurden.
Na haar dood in 1697 kwam het huis ‘van outs genaemt De Kersenboom’ opnieuw in veiling en vond weer geen kopers. Het strekte toen vanaf de straat ‘tot achter aan de gevel van de Camer van de huisinge van de Pauw’ en niet meer tot het pakhuis aan de Oude Delft. Een deel van het tussenliggende erf was dus kennelijk voor bebouwing aan de buurman verkocht. Kort na de mislukte veiling werd het pand ondershands voor 850 gulden verkocht aan een stel opkopers. Gezien de lage prijs, zal het onderhoud van het huis wel te wensen hebben overgelaten. Uiteindelijk kwam het in begin 18e eeuw in handen van de eigenaar van de belendende Pauw, die inmiddels van brouwerij tot plateelbakkerij was omgebouwd.

Schippersgeluk
Het huis zelf werd echter niet bij de plateelbakkerij getrokken, maar werd voor bewoning verhuurd. Het zal in die tijd misschien wel zijn opgeknapt, want in 1725 werd het voor 1500 gulden verkocht aan marktschipper Barend Slegge. De schipper kocht het huis mede met een schuldbrief van duizend gulden. Tegenwoordig kijken wij van zulke schuldbrieven niet op, maar in de 17e eeuw was dat nog vrij ongebruikelijk bij de koop van een huis.
In de 18e eeuw werd de woningmarkt in Delft moeilijker en kwamen dergelijke regelingen meer en meer in zwang om kopers te verlokken tot de aankoop. Slegge heeft er kennelijk geen spijt van gehad, want hij en zijn familie heeft er de hele verdere eeuw gewoond. In 1737 kocht hij er van zijn buurman in De Pauw nog het achterhuisje bij voor 500 gulden. [ Dat wil zeggen niet het oude achterhuis Oude Delft 14, maar het huidige achterhuis met de leeuwenkopjes aan het plafond.]

‘Kooreschipper’
Slegge die als marktschipper beurtdiensten voer op Rotterdam, Schiedam en Den Haag werd in 1750 ‘kooreschipper’ genoemd. Hij had toen zes kinderen te voeden. Zijn zoon Pieter heeft later het huis en waarschijnlijk ook het schippersvak overgenomen. Bij hen in huis woonde toen ook nog zijn zuster Catharina, die een ‘neringh sleet’, ofwel drank verkocht.
In 1805 verkocht de weduwe van Pieter Slegge de ‘Karsseboom’ voor het magere bedrag van  305 gulden aan de pandjesbaas George Sommier, die het in de verhuur deed. Huizen waren toen, zelfs aan de Koornmarkt, nauwelijks verkoopbaar.
Sommier verkocht het huis later aan Gijsbert Kardol, die ook eigenaar was van de restanten van de grotendeels afgebroken plateelbakkerij De Pauw. Het huis werd toen jarenlang bewoond door de oude dame Christina Knop die er 92 zou worden. Zij overleed in 1853.

Cholera
Leendert Heederik was op dat moment al de eigenaar van het pand. Hij was de schoonzoon van Kardol en had het huis geërfd. Hij kreeg in 1853 vergunning om er een nieuwe gevel voor te zetten. Tezelfdertijd verbouwde Heederik ook Koornmarkt 19 t/m 23, waar in de hardstenen pui boven het poortje nog steeds het toenmalige wijknummer ‘W 1 –96’ te lezen is. De voordeur van Koornmarkt 25 kwam bij die facelift in de gevel van Koornmarkt 23 te zitten.
Leendert Heederik, van beroep employee bij de Registratie, ging na de verbouwing vervolgens dit huis zelf bewonen, samen met zijn zwager de koopman Gerrit Kardol en zijn vrouw Hendrina Kardol. Nadat Gerrit al eerder was overleden, werden Heederik en zijn vrouw in juni 1866 binnen enkele dagen slachtoffer van de cholera. Die ziekte woedde toen hevig in Delft, maar maakte vooral slachtoffers in de armere buurten van de stad. Aan de Koornmarkt waren zij de enige doden. Het huis viel toe aan hun dochter Elisabeth die getrouwd was met koopman Adriaan de Lint. Het ging weer in de verhuur.In 1872 werd het huis, samen met Koornmarkt 23, gekocht door de toen nog minderjarige steenhouwer Cornelis Ypelaar, die er met zijn jonge vrouw ging wonen en diverse studenten in huis nam. Ypelaar kwam echter in 1877 al te overlijden. Zijn weduwe verhuurde het huis opnieuw, onder meer aan George Karel Nieman, hoogleraar aan de Indische Instelling. Het achterhuis, dat voornamelijk dienst deed als pakhuis, werd verhuurd aan de steenhouwer Herman Brons.

Pensionhoudsters
Tussen 1891 en 1906 kwam het huis viermaal publiek in de verkoop, compleet met advertentie in de krant. Het werd toen steeds voor 400 gulden verhuurd en bracht de eerste keer in 1891 6050 gulden op. Volgens de advertenties had het een gang met marmeren tegels, voorkamer en een tuinkamer en suite, privaat, grote voorkamer (opkamer), waaronder kelder, keuken met pomp (voor wel- en regenwater) en uitzicht op de binnenplaats, huiskamer en daarnaast gelegen slaapkamer, tuintje waarin een deur toegang gevende tot een vertrek, waarboven grote zolder, benevens bergplaats voor kolen. De meeste kamers waren voorzien van marmeren schoorsteenmantels. Boven was er een grote voorkamer met ruime alkoof, slaapkamertje en verder een zolder met een dienstbodekamertje.
Het huis bleef overigens steeds via de verkopen in de familie Ypelaar. De nieuwe eigenaar woonde in 1906 niet meer in Delft, maar bezat ook twee huizen bezat aan de Oostsingel en een paar pandjes in de Anna Boogaard. Koornmarkt 25 is vanaf het einde van de 19e eeuw tot in de jaren ’50 van de vorige eeuw steeds verhuurd geweest aan pensionhoudsters, te weten de dames Besanger, Veldhuis, weduwe Heesterman-Kikkert en Heesterman.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Rekeningen voor de reparaties aan het dak in 1676
en 1678 in het dossier van de Weeskamer.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Betalingsbewijs van de verponding voor het huis
over het jaar 1678.

Drukkerij
De StadIn 1957 werd het pand door de toenmalige eigenaresse Ariena Ypelaar verhuurd aan Matt P. Mostert, die er ging wonen en er een drukkerij ‘De Stad’ begon. Vijf jaar later kon hij het pand kopen en besloot tot een grondige verbouwing, waarbij onder andere de vervlechting met Koornmarkt 23 ongedaan werd gemaakt. Het pand kreeg weer een eigen voordeur.. Ook de vloer van de opkamer aan de voorzijde werd verlaagd ten behoeve van de drukkerij. Bij die renovatie kwam ook de ouderdom van het pand aan het licht. ‘Deskundigen van Monumentenzorg waren toen verrukt over brandsporen aan de zolderkap, die geheel vernieuwd moest worden. Ze vermoedden dat het sporen waren van de stadsbrand van 1536 en vroegen een stuk van de geblakerde eiken spanten te mogen meenemen’, herinnert zich de toenmalige eigenaar.
Tussen 1968 en 1995 was het volledig als bedrijfspand van de drukkerij in gebruik, waarna het eind jaren ’90 opnieuw is gerestaureerd en verbouwd. Daarbij kwamen in het oude pakhuis achter het huis verrassende ontdekkingen naar boven.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Koornmarkt 25 lag recht tegenover het Oude
Gasthuis. Dit is een litho uit 1863 door
Christiaan Bos. (Collectie Gemeentearchief)

Kees van der Wiel

Met dank voor de informatie van Matt P. Mostert, P.C. Visser en Wim Weve
 
nadere informatie over Koornmarkt 25