Koornmarkt 32 www.achterdegevelsvandelft.nl
Oud koopmanshuis Het Vergulde Lam met krijgshaftige stoeppaal NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.
Het forse pand Koornmarkt 32, met grote kelder, is ongetwijfeld van hoge ouderdom. De oude gevelankers, het oude metselwerk van de zijgevel en de eiken kapconstructie wijzen op een oorsprong in de zestiende eeuw. Sommige muurresten met kloostermoppen en de hooggelegen kelder met tongewelven dateren vermoedelijk van ruim voor de stadsbrand van 1536. Ooit, ten tijde van de stadsuitleg in 1355, stonden hier op de hoek twee middeleeuwse huizen van Jan Mol, een groot huis en een kleiner pand. Naar deze Jan Mol zijn de naastliggende steeg en de Molslaan daarachter genoemd, zo blijkt uit een belastingregister van 1363. Het is mogelijk dat de kelder een deel was van deze twee oudste huizen. Omstreeks 1600 werd het pand bewoond door een lakenkoopman die het de naam 'Het Vergulde Lam' gaf. Deze aanduiding was echter een kort leven beschoren.

Weggepleisterd
Een vernieuwing van het pleisterwerk van de voorgevel in 2009 bracht zestiende-eeuws metselwerk aan het licht, compleet met natuurstenen hoekblokjes, waterlijsten en geblokte ontlastingsbogen boven de vensters.


De gevel op de Kaart Figuratief van circa 1675


De gevel volgens Wim Weve na verbouwing eind 17e eeuw


Bij Koornmarkt 32 doet een oud kanon dienst als stoeppaal

De afbeelding van het huis op de Kaart Figuratief van circa 1675 geeft daarvan nog een goed beeld. Bij een ingrijpende verbouwing van het pand en vooral van de gevel kreeg het een lijstgevel en werden de oorspronkelijke kruiskozijnen vervangen door grotere schuiframen. Daardoor zijn de sporen van het oorspronkelijke gevelbeeld nu achter een kosmetische pleisterlaag verborgen. Niet meer te zien is dat de huidige schuiframen deels door de (afgehakte) natuurstenen lijsten en ontlastingsbogen van de onderliggende vensters heen staken.

Voordeur naar zijkant
Volgens bouwhistoricus Wim Weve is aan het einde van de zeventiende eeuw ook de oude houten onderpui gewijzigd. Daarbij verhuisde de voordeur uit het midden naar de zijkant. Vroeger stapte je door de deur het centrale voorhuis binnen. Maar volgens de toenmalige mode kwam er een nieuwe voorkamer en ontstond er achter de deur een entreehal naast die kamer. Op de Kaart Figuratief is de oude indeling nog te zien.

Kort vóór 1900 is het pand gesplitst in een apart boven- en benedenhuis met de huisnummers 32 en 32a. Op de plaats van de vroegere voordeur ontstond een wat gedrongen ingangspartij met twee smalle deuren naast elkaar. Dat gebeurde in een periode dat het ooit illustere koopmanshuis was gedevalueerd tot een huisjesmelkers-project van een plaatselijke onroerend goed-magnaat. Het pand werd toen ook een stuk ingekort en op het achtererf kwamen twee nieuwe huisjes in de Molsteeg.

Het ingegraven kanon in de stoep verwijst niet naar de diverse hoge militairen die in dit pand hebben gewoond, maar is een vinding van de huidige eigenaar. Hij wist het antieke kanon bij de sloop van de voormalige militaire werkplaatsen op de kop te tikken. Ook daar was het destijds ingegraven, en deed dienst als schamppaal.

Graankoopman
Eerder is wel beweerd dat het huis mogelijk de stadsbrand van 1536 zou hebben overleefd. Dat is echter, afgezien van de kelder, zeer de vraag. In de kap is op één van de balken de datering 1537 aangetroffen. Dat duidt er op dat de brandschade snel hersteld werd. In 1543 stonden er naast het hoekhuis van Machtelt, de weduwe van Dirck Aertsz, ook nog twee kleinere huisjes. Pakweg twintig jaar later is de situatie weer anders. In 1561 betaalde de graanhandelaar Gerrit Fransz hier tevens belasting voor het voormalige buurhuis van Maritgen Heyndrix dat hij aan het zijne had ‘verheeld’ (d.w.z.: samengevoegd). Mogelijk was hij dus de bouwer van het huis in zijn huidige gedaante. Het hout uit 1537 zal daarbij zeker hergebruikt zijn.
Toen Gerrit het in 1582 verkocht, rustten er op het perceel nog twee oude middeleeuwse erfpachten of 'huisrenten'. Eén daarvan was een rente die ene Roede Coppijn ooit in 1344 was aangegaan met het Gasthuis om zijn toenmalige huis te financieren. De andere rente was ten behoeve van de Memorie in de Oude Kerk en was waarschijnlijk geschonken door de huiseigenaar in ruil voor de toezegging van een eeuwig jaarlijks gebed voor het zieleheil van de schenker of één van diens verwanten. Daarnaast moest er jaarlijks een stuiver Gravenhuur voor het pand worden betaald, een verplichting die in 1604 werd afgekocht. Al die oude verplichtingen kwamen voort uit de panden die ooit eerder op dit perceel hebben gestaan.

Vlaamse textielhandelaar
Vanaf 1590 woonde Niclaas Tristram (1538-1609) er, een koopman in ‘greijnen’, een ruwe wollen stof, destijds waarschijnlijk gemaakt van schapenwol en geitenhaar. Het was één van de nieuwe goedkope Vlaamse weefsels die in die tijd grote furore maakten. Tristram was dan ook een immigrant uit het huidige Frans Vlaanderen. Hij was geboren in Bourbourg (Broekburg) in de buurt van Duinkerken. Blijkens notariële akten had hij vanuit Delft geregeld handelscontacten met die streek en de omgeving van Calais. Zijn huis telde in 1600 vijf haardsteden. In 1590 betaalde hij er ƒ 3.000 voor. Tristram zal de man zijn geweest die het huis de naam 'Het Vergulde Lam' gaf.

Uitstekend toilet
Na Tristrams overlijden in 1609 hertrouwde zijn (tweede) vrouw met een bakker uit Leiden. Zijn zoon Joris en schoondochter Maritgen Coenen (van Ophoven) namen toen het huis over. Daarbij stonden in de voorkamer van het huis een tafel met vier 'open' banken en in de bezijden neerkamer (lager gelegen kamer) twee eikenhouten kisten en een slaapbank, en in de achterkamer een lange eikenhouten kist.
In 1609 kreeg Joris toestemming om in de zijmuur van het huis in de steeg een uitstekende zitting van een privaat te maken, mits hij daarbij binnen de maat van de goot bleef. Voor dat uitsteeksel moest hij jaarlijks vijf stuivers recognitiegeld betalen.


Oude zijgevel in de Molsteeg van dit hoekpand


Kaart van Blaeu, 1649. Bij de blauwe pijl
het huis op de hoek met de Molsteeg

 

VOC-bewindhebber
Vanaf 1625 had hier Engelbregt (ook wel Egbert of Engelbert) Pauw (1585-1648) zijn hoofdkwartier. Hij betaalde er ƒ 4600 voor. Voor banken in het huis betaalde hij aan de vorige eigenaar, koopman Simon Heul, ƒ 80. Hij lostte ook de oude huisrenten aan het Gasthuis en de Oude Kerk af. Pauw was koopman, lid van het stadsbestuur (Veertigraad) en bewindhebber voor de Kamer Delft bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Verder was hij havenmeester van Delfshaven en regent bij het Gasthuis. Kort voor zijn dood liet hij zich door de schilder Jacob Willemsz Delff II vereeuwigen, al is niet bekend waar dit schilderij nu verblijft. Engelbregt was geparenteerd, zoals dat deftig heette, aan de invloedrijke Amsterdamse burgemeestersfamilie Pauw. Zijn echtgenote was Maria van Hoogenhouck. In 1629 mocht hij boven de Molsteeg ook een schoorsteen of snuivertje metselen ter grootte van het eerder genoemde uitstekend secreet. Zijn opvolger mocht die uitsteek van twaalf duim in 1657 vergroten tot zestien duim (42 centimeter). De uitsteeksels zijn bij de verbouwing in de negentiende eeuw verdwenen.
Eigenaar Engelbert Pauw in 1647, 62 jaar oud, een jaar voor zijn dood. ( Particuliere collectie. Foto RKD) Echtgenote Maria van Hoogenhouck, ook in 1647. Zij was hier 58 jaar oud en overleed een jaar na haar man. (Foto RKD) Machteld Pauw, hier 31 jaar, in 1644 geschilderd door Jacob Wilemsz Delff. (Particuliere collectie)

Een koopman en zijn vrouw, getekend door
Adriaen van der Venne circa 1630
Ook Pauw was een koopman
Handel in suiker, tabak en slaven
Na de Oost-Indië koopman kwam zijn schoonzoon in het pand, Arent van der Graeff (overleden 1676), getrouwd met Machteld Pauw (1613-1673). Hij handelde niet in de Oost, maar was bewindhebber van de West-Indische Compagnie en lid van de Admiraliteit van de Maze. In de jaren 1643-1646 rustte hij diverse schepen uit om via Angola naar Brazilië te zeilen, waar hij handelde in suiker, tabak en verfhout, en ook in slaven, naar men mag aannemen. In 1656 en 1659 zijn twee contracten bekend over het organiseren (samen met anderen) van scheepsreizen met de Gouden Hengst (ter waarde van f 50.000, dus zeker tien grachtenpanden) en De Eendracht via Elmina (nu Ghana) naar Curaçao. Ook nam hij voor een klein bedrag deel aan de walvisvaart van een Noordse Compagnie, die in 1662 bij gebrek aan succes werd opgeheven, zo blijkt uit zijn boekhouding. Behalve het Vergulde Lam bezat hij ook het huis ‘Noorwegen’ ernaast aan de Koornmarkt en het huis waar ‘de Truweel’ uitsteekt in de Molsteeg erachter. Van der Graeff was net als zijn schoonvader tevens stadsbestuurder.
Aan het einde van de 17e of het begin van de 18e eeuw is de ingang van het huis van het midden naar links opgeschoven, om een grotere woonruimte aan de straatzijde mogelijk te maken.
Het slavenfort Elmina aan de Goudkust (Ghana) op een afbeelding in de 17e eeuwse Atlas van Blaeu. Van der Graeff stuurde er schepen naar toe.


Arent van der Graeff trouwde met Machteld, de dochter van Engelbert en Maria

Heer van Alblasserdam met huizenhandel in Batavia
Tussen 1731 en 1750 woonde hier Andries Boogert (1700-1746) en zijn vrouw, later weduwe Jacoba Wevering. Beiden ook waren van zeer gegoede regentenkringen. Andries studeerde in Leiden en was lid, zoals vele notabelen, van de ridderlijke broederschap “De Confrérie van de Handbussche binnen Delft”, een schuttersvereniging. Zijn ouders kochten in 1717 van ene Susanna Abbema voor hun toen 17-jarige zoon de heerlijkheid Alblasserdam, zodat hij en zijn nageslacht zich in het vervolg Boogert van Alblasserdam mochten noemen. Voor de kost handelde hij onder andere in huizen in Batavia. Verder was hij weesmeester en lid van de Veertigraad. Zijn weduwe had in 1750 drie dienstboden in huis.

Generaal-majoor van de Infanterie
Na 1750 ging de weduwe elders wonen. Zij verhuurde het huis aan Robbert van der Mast (1689-1771), die aanvankelijk kolonel was bij de Infanterie van het Staatse Leger, maar in 1766 bevorderd werd tot generaal-majoor. Volgens het boekje van de dominee hadden hij en zijn vrouw Maria Roch een dienstknecht (Johannes van Lochum) en twee dienstmeiden. Hun dochters Sara en Sophia trouwden in 1772 en 1773 van uit dit huis. Mogelijk was een deel van het huis (de kelders?) verhuurd aan schipper Jan Carel Gaal. Voor het huis aan de gracht ligt nog steeds een steen van de aanlegplaats van een andere schipper: C.J. Doodenraad.


Voor de deur van dit pand had ooit schipper C.J. Doodenraad zijn ligplaats.


Familiewapen van Boogert van Alblasserdam, bewoners in de jaren 1730-1750
(Delftse Bibliografieën)

Rustend plateelbakker
Aan het einde van de achttiende eeuw viel het huis bij erfenis toe aan Maria Cloppenburg, die in 1783 trouwde met Lambertus Sanderus, plateelbakker in de Klauw op de hoek van de Gasthuissteeg (zie Koornmarkt 8). Het echtpaar woonde daar natuurlijk in de zaak. Dat was destijds de gewoonte. Het huis werd nog jaren aan wisselende huurders verhuurd.


De Opregte Haerlemse Courant van 21 februari 1791. Het huis is te huur of te koop

In 1797 adverteerde Sanderus wekenlang in de Rotterdamse Courant dat hij in Delft een zeer logeable en commoditieus huis in Delft te huur of te koop had, met een extra grote kelder.
In 1803 woonde hier volgens het kiezersregister van het nieuwe Bataafse bewind Johannes Wilhelmus van Yssum, predikant bij de hervormde kerk. Het predikantenboekje noemt hier ook de weduwe Maria Agatha van Yssum, met haar dochters Elisabeth en Maria Jacoba van der Biet.


Overlijdensbericht van Maria Van IJssum in de Rotterdamse Courant van 1 maart 1811

Toen Sanderus in 1806 zijn plateelbakkerij aan een consortium van aandeelhouders had overgedaan, is hij daar waarschijnlijk vertrokken en heeft hij zijn intrek genomen in het huis van zijn vrouw. In 1810 betaalde hij er wachtgeld aan de schutterij en in 1813 overleed hij er op 64-jarige leeftijd. Zijn vrouw overleed er negen jaar later.
In zijn jongere jaren was Lambertus Sanderus een bekende Delftenaar en zeer toegewijd aan de patriottische zaak. In augustus 1787 was hij kortstondig lid van het zes weken later alweer afgezette revolutionaire stadsbestuur en in 1795 werd hij lid van de nieuwe municipaliteit (de revolutionaire gemeenteraad, die de regenten van hun zetels wipte) en een gekozen ‘provisioneel representant’ van het volk voor het nieuwe landsbestuur.
Het huis bleef na de dood van Maria Cloppenburg in de familie, maar werd opnieuw verhuurd, onder meer aan Ulrich Huguenin, een kapitein bij de Infanterie. Later trok de volgende generatie Lambert Sanderus jr erin, die trouwde met Anna Arentz, de weduwe van een broer van genoemde huurder, ook een militair officier.

Kwartiermeester der veldartillerie
In 1857 kwam het huis in de verkoop. Het werd omschreven als ‘kapitaal, fatsoenlijk en welgelegen’. Als bijzondere pluspunten noemde de beschrijving de ‘ordinair grote gewelfde kelder’ en de ‘buitengewoon groten regenwaterbak’, daarnaast telde het huis diverse ‘kabinetjes en domestiekenkamers’ (dienstbodenkamers). Of de koper, muziekmeester Johan Alexander Klerk, er zelf woonde is onduidelijk. Tien jaar later verhuurde hij het aan Jacob Johannes Verschoor, kapitein-kwartiermeester der vestingartillerie. Vanuit dit hoofdkwartier deed hij geregeld aanbestedingen voor zijn troepen. Zo zocht hij in 1868 leveranciers voor duizend ijzeren bedkribben met touwlijnen, en twee jaar later onder meer 3.000 onderbroeken en 200 sabelkwasten voor de officieren.


Het huis wordt verkocht, met behangen en onbehangen kamers. Dagblad van Zuid-Holland 20 juni 1857

Aanbesteding van militair materieel door kapitein-kwartiermeester Verschoor in de Opregte Haerlemsche Courant van 25 april 1868.

Fourageringslijst van kapitein Verschoor voor de Veldartillerie. Algemeen Dagblad van 24 november 1870.

Projectontwikkelaar
In 1878 werd het pand opnieuw van de hand gedaan, inclusief het marmeren beeldhouwwerk boven de schoorsteenmantel van de voorkamer. Dat beeldhouwwerk was overigens niet van marmer, maar van in marmermotief geverfd hout. Als zodanig is het tegenwoordig als zeldzaam monument aangemerkt. Koper was toen winkelier Gerrit Bruigom, die grossierde in onroerend goed in Delft. Hij kreeg vergunning een achterkamer van het grote diepe pand af te breken en in plaats daarvan een (veel kleinere) nieuwe keuken te bouwen. Op het vrijgekomen achtererf bouwde hij, deels met gebruik van oude muren van het grote huis, twee huisjes in de Molsteeg. Eén daarvan was een winkeltje, met een achterkamer met bedstede. Ook splitste hij het pand in een boven- en benedenwoning. Het ligt voor de hand dat er op dat moment twee voordeuren werden gemaakt, zoals er nu nog steeds zijn.

Van Lummel

Huurder ds. Van Lummel in 1889
Eén van de huurders was de dolerend predikant C.W.J. van Lummel, een begenadigd spreker en erelid van de Anti-Revolutionaire kiesvereniging 'Nederland en Oranje'. Van de twintig jaar dat hij in de gereformeerde kerk op het Achterom op de kansel stond, woonde hij van 1889 tot 1896 zeven jaar in dit huis. Als secretaris van de landelijke Anti-Revolutionaire Partij kreeg Van Lummel regelmatig Abraham Kuyper op de thee. De kinderen Van Lummel wisten nog te vertellen dat dit bezoek steevast een hele gebeurtenis was: 'Dan gingen de schuifdeuren dicht en de bijzondere kachel aan'. Die kachel kon zowel als open haard, als met gesloten deurtjes worden gebruikt. Hij is inmiddels weer bij de huidige eigenaar in het huis teruggekeerd, na restauratie.


Overlijdensannonce van Johanna Sanderus in de Leidsche Courant van 17 mei 1797

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Verkoop van een deftige inboedel. De Oprechte Haerlemsche Courant, 3 augustus 1853


Rond 1900 meerden er schepen af in de Koornmarkt. Tussen de bomen is nr. 32 te zien.

Nog meer verbouwingen
Omstreeks 1913 werd het bezit van de familie Bruigom, op dat moment eigenaar, ingebracht in de NV Onroerendgoedmaatschappij ‘Oude Delft’. In 1922 kwam het in handen van een andere exploitant, die het opnieuw flink verbouwde, onder meer met een nieuw achterhuis met een keukeningang in de steeg. De bewoning wisselde geregeld. De status van duur grachtenpand had het inmiddels achter zich gelaten.
De huurwetgeving zat de exploitanten ook niet echt mee: de opbrengsten viel langzamerhand tegen. Toen het pand in 1958 te koop gezet werd bedroeg de huur voor het bovenhuis ƒ 54 per maand en voor het benedenhuis ƒ 63 per maand. Het werd vervolgens een aantal keren achter elkaar doorverkocht. De laatste decennia lijkt het pand na een flinke opknapbeurt weer in beter vaarwater terecht te zijn gekomen.


In de jaren ’60 was het boven te huur voor ƒ 54 en beneden voor ƒ 63. Foto RCE

Het huis van boven gezien circa 1990. Foto Delft Archief


Optekening van het kadaster in 1832


Geel gekleurd en nog verder ingezoomd


Kadaster na 1925. Andere situatie


Herstel van de kap. Bouwtekening A. Warffemius Bron RCE

Kees van der Wiel  
nadere informatie over Koornmarkt 32  
Geplaatst: 31 januari 2015 / Laatst gewijzigd: 7 oktober 2015  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft