Kromstraat 33

Voormalig pakhuis van de firma Schilte

 
   

Het pakhuis Kromstraat 33 is in 1876 gebouwd in opdracht van Cornelis Schilte (1820-1899), koopman in koffie, thee en tabak. Hij bezat sinds 1852 een winkel aan de Brabantse Turfmarkt, huisnummer 95-97, een pand met een fraaie voorgevel en een winkelpui uit 1832. Deze winkel heette destijds Het Scheepje. Nog steeds prijkt er een in houtsnijwerk uitgevoerd schip boven de winkelingang.  
De door Schilte opgerichte firma Schilte en Co voerde als merknaam Het Scheepje. Op de etiketten van de verpakkingen stond dat allemaal vermeld: de naam, de afbeelding en C. Schilte en Co. En verder dat hij in tabak, snuif, koffie en thee deed. De firma verkocht nog tot in de jaren ’60 en ‘70 van de vorige eeuw koffie en thee onder de eigen merknaam Clipper.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het pakhuis hoorde bij een winkel op
de Brabantse Turfmarkt

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Hier heet hij nog Kromstraatsteeg, met
dichte bebouwing aan weerskanten

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het pakhuis heeft een fraai gesneden huis
voor de hijsbalk

 

 

Het achtererf van het winkelpand aan de Brabantse Turfmarkt 95/97 grensde aan een perceel in de Kromstraat dat in 1864 eigendom werd van C. Schilte .Hij liet het huis dat daar stond afbreken en er het pakhuis Kromstraat 33 bouwen. Rechts van de ingang, boven de plint is een steentje ingemetseld dat herinnert aan het leggen van de eerste steen op 15 april 1876 door zijn dochter Adriana J.M. Schilte, die toen tien jaar was.
Na de opheffing van de firma Schilte werden beide panden weer gescheiden. Het pakhuis kreeg beneden een horecafunctie, terwijl boven woningen werden gemaakt.

 
Kromstraat 33 is specifiek als pakhuis gebouwd. Het heeft vijf bouwlagen en een plat dak en is daarmee een bijzonder pand in de Delftse binnenstad. Er zijn weliswaar meer pakhuizen en meer panden met een plat dak, maar een pand met vijf bouwlagen is zeldzaam in de oude binnenstad. De begane grond en de verdiepingen zijn echter vrij laag: van vloer naar vloer circa 2.70 m. Daarvan moet de dikte van de vloeren en het dak nog worden afgetrokken om de werkelijke inwendige hoogte te berekenen. Het pand is al met al 13.5 m hoog. Het valt overigens niet erg op in het stadsbeeld doordat het in een smalle zijstraat is gelegen, op ruime afstand van de Koornmarkt en de Jacob Gerritstraat.
 

Voor pakhuizen zijn geringe verdiepinghoogten kenmerkend. De traditionele constructie met bakstenen muren, en houten balken en vloeren, beperken de maximaal toelaatbare vloerbelasting en daarmee de hoogte tot waar de goederen zoals balen tabak, koffie en thee opgestapeld konden worden. Met menskracht kan men die toch al niet zo hoog opstapelen.

 

De voorgevel is ingedeeld op een manier die kenmerkend is voor veel pakhuizen, met op elke verdieping een brede dubbele “hijsdeur” in het midden, geflankeerd door ramen. De hijsdeuren werden met opzet in het midden geplaatst, opdat degenen die de goederen moesten aanpakken niet gehinderd werden door een muur vlak naast de deur. Zij konden zich vasthouden aan ijzeren handgrepen. Die zijn nog steeds opzij van de kozijnen aanwezig.

Eigenlijk vormen de vijf kozijnen boven elkaar samen een zeer hoog kozijn over vrijwel de hele gevelhoogte. Daarboven bevindt zich de hijsbalk of beter gezegd de hijskast. Een hijsbalk is letterlijk een balk waaraan een haak of oog is bevestigd om een katrol vast te maken. In dit geval is er een soort langwerpig huisje met een windas waaromheen het hijstouw werd opgewonden. De as werd bediend via een hijswiel op het achterste uiteinde, binnen op de bovenste verdieping.
 

In dit pakhuis werden niet alleen goederen opgeslagen maar er werd ook gewerkt. Bestellingen moesten worden uitgezocht en verpakt, waarbij daglicht gewenst was. In de zijgevels konden of mochten vanwege belending (de buren) geen ramen worden gemaakt. Daarom zijn de ramen in de voorgevel, aan weerszijden van de hijsdeuren, voor een pakhuis redelijk groot. De achtergevel heeft een vergelijkbare gevelindeling.
De voorgevel is voor en pakhuis vrij luxueus uitgevoerd. Hij is opgetrokken in keurig verzorgd schoon metselwerk met functionele strekken boven de vensters. De onderdorpels bij de hijsdeuren worden ondersteund door kleine houten consoles. De gevel wordt aan de bovenzijde beëindigd met een vrij rijk gedetailleerde kroonlijst met versierde consoles.
Ook de hijskast is versierd. Die wordt ondersteund door forse schoren die zodanig in houtsnijwerk zijn uitgevoerd, als het ware gefiguurzaagd, dat ze de vorm van een halve maan met een gezicht in profiel tonen De hijskast is daarom een zeer opvallend onderdeel van de voorgevel. Je moet wel goed omhoog kijken om hem te zien.

 
Deze tekst is, iets gewijzigd,  ontleend aan documentatie die ter beschikking was tijdens Open Monumentendag.