Oosteinde 137-139

Het Conduyt of De Drie Sonnen, een grote brouwerij met een schilderijencollectie

 
   

Oosteinde 137-139 ligt aan de zuidzijde van de gracht, tussen de Molslaan en de Gasthuislaan, vlakbij het steegje Yperstraat, dat vroeger Achtersack heette. Het pand herbergt tegenwoordig het studentenhuis De Oei, waarin een negental corpsstudenten woont (met een eigen website). Daarmee is het pand opnieuw omgeven met de geur van bier en drank waarin deze plek al eeuwen was gehuld. Ooit stond op deze plaats een brouwerij (een van de vele in Delft), die aanvankelijk Het Conduyt heette (oud Nederlands voor pijp of buis, ook wel overdrachtelijk het stelsel van lichaamssappen) en later De Drie Sonnen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het Oosteinde in 1925. Foto Peter Odijk,
Collectie Gemeentearchief Delft

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De eclectische stijl in de geveltop

Sjouwen met een bierboom.
(Foto collectie Belgian Beerboard)

 
Aannemersarchitectuur
Het dubbele woonhuis met bedrijfspand dat er nu staat is gebouwd in 1902 en inmiddels tot gemeentelijk monument verheven, als goed voorbeeld van de “eclectische aannemersarchitectuur” van rond 1900. Deze stijl probeerde met de blokken, banden en consoles een beetje de bouwstijl uit de renaissance van drie eeuwen eerder na te bootsen. De architect die zich hieraan te buiten ging was C. S. van Doorne. Rechtsonder is de bouwstijl nog eens ruw opzij gezet door een modernistische winkelpui uit 1934 met glas-in-loodraampjes in het bovenlicht. Een klein reclamebordje aan de gevel vermeld “Witte Kruis, tegen alle pijnen”, herinnert vermoedelijk aan een drogisterij. De werkplaats links was oorspronkelijk de smederij van Van Etten, die het pand heeft laten bouwen.
 
Het Conduyt
De oorspronkelijke brouwerij die in de 17e eeuw ook een forse gevelbreedte had van drie roeden en twee voet (circa 12 meter) bestond al in de zestiende eeuw en waarschijnlijk al wel eerder, want dit stadsdeel bleef bij de grote stadsbrand van 1536 gespaard. In 1543 was hier vermoedelijk Cornelis Jansz de brouwer en in 1561 werkten hier diens zoon Pieter Cornelisz en Claes Centen met een rosmolen om het gerst te malen. Omstreeks 1580 was de brouwerij eigendom van Hendrick Dircksz, en later zijn zoon Claes Hendricksz die zich de achternaam Verburch ging aanmeten. Bij hen duikt voor het eerst de naam Het Conduyt op.Toen in 1600 de stookplaatsen werden geïnspecteerd telde de brouwerij naast 7 haardsteden voor de verwarming twee brouwketels en drie eesten om de mout te verwarmen. De brouwer heette toen Willem Otten, die elders de achternaam Van der Brugge voerde. Zijn vrouw was Aeltje Verburch, de dochter van de vorige brouwer. Vier jaar later bleek, wellicht met oog op de belastingen, een van de drie eesten en een van de 7 stookplaatsen buiten werking te zijn. De vorige brouwer, Verburch, was zelf inmiddels actief in de brouwerij De Drie Hamerkens aan de Brabantse Turfmarkt.
 
De nieuwe brouwer overlijdt
In 1643 kocht Cornelis Lourisz van der Houve Het Conduyt voor 10.900 gulden, waarvan hij 3.000 gulden betaalde voor het “groot en cleyn brougetou”. Van der Houve doopte de brouwerij om in De Drie Sonnen. Hij nam deze nieuwe naam mee van de Koornmarkt, hoek Pepersteeg, waar hij eerder een brouwerij had met dezelfde naam.
Aan het Oosteinde kreeg de nieuwe brouwer al snel te maken met de pachter van het bieraccijns Adriaen van Leeuwe die twee brouwersknechts met een bierboom (een houten draagbalk) ziet sjouwen waarin een half vat hangt, gemerkt met drie zonnen. Als hij vraagt naar het belastingbiljet, zeggen zij dat het nog in de brouwerij ligt. De knechts krijgen een bekeuring en het bier wordt in beslag genomen, nadat Van Leeuwe er eerst ruim van geproefd heeft.
Reeds na drie jaar kwam brouwer Van der Houve te overlijden. Nog weer drie jaar later, in 1649, werd er ten behoeve van zijn kinderen een uitvoerige beschrijving opgemaakt van de nalatenschap. Daarin is zijn hele handel en wandel in details terug te vinden.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster  
Op de Kaart Figuratief komt de brouwerij goed in beeld . Rechts het steegje Achtersack. Derde pand links daarvan is de brouwerij, die tot aan de steeg doorloopt. Op Kadasterkaart 1832 is het oude brouwerijcomplex nog steeds groot. Het perceel in huidige omvang.  
   
Huis vol schilderijen en kanaries
Het huis telde in de boedelbeschrijving behalve de werkvertrekken van de brouwerij dertien woonvertrekken. Het had een poort die van het Oosteinde toegang gaf op de plaats achter de brouwerij waar de kolen lagen. Dat blijkt uit het ‘camertge boven de poort’ waar een kantoortje was ingericht en een ‘tabacq bancquetge’ stond. Van de dertien vertrekken werden er maar liefst vier als keuken of keukentje betiteld. Dat hield niet in dat in al die vetrekken ook gekookt werd. Dat gebeurde, gezien de inrichting, alleen in de keuken ‘bij de brouwerij’.De andere vertrekken heetten waarschijnlijk zo, omdat daarin een schouw stond ter verwarming. In de keuken waar wel gekookt werd, stonden overigens ook vijf kanariekooien, met kanaries. Er  hingen in die keuken bovendien twee schilderijen van de Delftse Jacob Vosmaer. Hij is vooral bekend van zijn bloemenschilderijen, maar wellicht waren het hier keukentaferelen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voorbeeld van een schilderij van Jacob Vosmaer:
een bloemstuk

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zeestuk van Heerman Witmont:
actie tussen Engelsen en Hollanders
(Collectie Nationaal Maritiem Museum  Londen)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Cornelis Delff schilderde onder meer keukengerei

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voorbeeld van een landschap
door Van Groenewegen

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De Delftse schilder Leonard Bramer
schilderde deze verloochening van Petrus.
(Collectie Rijksmuseum)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De brouwer van de Gekroonde P (Voorstraat)
kocht ook het bedrijf aan het Oosteinde

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het huidige pand in een bredere
omgeving met de gracht

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Nu wonen er veel studenten, ook liefhebbers van bier

 

 

Blompotge van Vosmaer
In het huis hing nog veel meer kunst, schilderijen van een kwaliteit die we tegenwoordig het liefst in een museum verzameld zien. In de voorkamer aan de straat hing een ‘blompotge’ van Vosmaer en een bord met een stilleven van Van Aelst. In de keuken achter de voorkamer, waar dus niet gekookt werd, hing het ook vol schilderijen, waaronder een waterval van Knipbergen, en een kopie van een landschap van Van Groenewegen, een schilderij in ebbe lijst, met ‘daerin drije naecte beelden’ en een schilderij met twee papegaaien. Ook het nichtje van Van der Houve schijnt met de penseel aardig overweg te hebben gekund, want van haar worden enkele schilderijtjes genoemd, waaronder een oude mans tronie.
Elders in huis hingen nog een achtkantig schilderijtje van de Delftse schilder Leonard Bramer, twee landschappen van Van Groenewegen, een landschap van Bronchorst, drie met de pen getekende zeestukken van Witmont , een ‘freuijtge’ van Cornelis Jacobsz Delff en diverse zeeslagen, waaronder een kopie van de slag bij Duins.

 

Voorraden in de brouwerij
In de brouwerij lag naast het ‘walingadt’ (het rookgat) in een kast nog 14 hoet zomermout en naast de eesten nog 23 hoet soortgelijke zomermout. (De Delftse hoet van ca. 1107 liter, bestaande uit 32 ‘schepels’, was een inhoudsmaat voor graan die door heel Noordwest Europa als rekeneenheid werd gebruikt, en daarmee de belangrijke plaats van Delft in deze handel markeerde.) Achter op de ‘denning’ (moutzolder) lag bij de trap 7 hoet wintermout. Achter, voorbij het bierhuis, lag nog eens 25 hoet wintermout en 33 hoet zomermout.
In de brouwerij lag verder vijf hoet oosterse haver, drie hoet zwarte haver, een hoet boekweit en ‘omtrent’ drie hoet hop. Verder lag er een partij eesthout, voor het moutvuur, en op de plaats een grote partij Schotse kolen en twee partijen kolen uit Luik waarmee kennelijk de brouwketels gestookt werden. Het turf dat daar vroeger voor gebruikt werd, had toen al voor een belangrijk deel afgedaan, al had Van der Houve in Zoetermeer nog een aantal lapjes grond, waar hij zijn eigen turf liet graven. Deels bezat hij die samen met zijn broer Jacob, die brouwer was in Leiden.

 

Bierschulden
Voor de opslag van het graan waarvan de mout gemaakt werd om het bier te brouwen, was in de brouwerij zelf geen plek meer. De 72,5 zak die Van der Houve daarvan nog in voorraad had, lagen bij Sebastiaen van der Cost, elders op het Oosteinde.
De administratie van de dagelijkse bierverkopen van de brouwerij was in handen van Van der Houves dochter Aeffgen (19 jaar), die de bierschulden aan tientallen particulieren en kleine kroeghouders in Delft en omgeving nauwgezet bijhield. Zo kreeg de brouwer nog 8 gulden en 10 stuivers van Huijch Sas die in de Pepersteeg had gewoond, maar nu naar Oostindië was vertrokken.Van notaris Cornelis Bleijswijck op de hoek van de Molsteeg kreeg zij nog 21 gulden en 10 stuivers, en van de commissaris bij de Rotterdamse Poort nog f 52,25. Daniël van der Brugge, waard in het Hemelrijck, stond voor 197 gulden op de lat. Tapper en wolcammer Anthonijs Feijs, ook in de Achtersack pal achter de brouwerij, had een schuld van f 239,50. Met Bob de Waard int Swijnshooff in Rotterdam bestond een meningsverschil over 16 gulden voor bier, waarvan de kroegbaas zei dat hij ze nooit gekregen had. Molijn “in de Schenkkan” te Overschie had nog 6 gulden te betalen. Zo trekken er talloze afnemers in het grootboek aan onze ogen voorbij. Daarbij valt op dat veel van het bier toch zeer dicht om de hoek van de brouwerij werd geconsumeerd.

 

Grote zaken
Dat is opvallend, omdat uit de boekhouding blijkt dat Van der Houve ook de grote zaken niet schuwde. Hij had enkele aandelen in de VOC, maar lijkt zijn grootste geld te hebben verdiend, niet aan het bier, maar zijn deelneming in de West Indische Compagnie en de handel op Brazilië, vooral in suiker en tabak.
Bij zijn overlijden was hij voor 7912 gulden mede deelnemer in het schip De Swaen van Delft dat de Delftse Kamer van de WIC naar Brazilië had uitgezonden. Uiteraard had Van der Houve voor de uitreding van dit schip ook 35 ton bier geleverd en andere fourage, zoals vijf vaten vlees. Verder was hij ook deelnemer in vier andere handelsschepen (fluitschepen), onder bevel van schippers uit Schiedam.

 

Uitkoop van de brouwerij
Na de dood van Van der Houve werd de brouwerij overgenomen door Isaack Elsevier. Dat had hem een paar centen gekost, want de brouwerij was destijds voor 8.000 gulden belast met schulden. Later nam hij nog eens 2.000 gulden hypotheek op. Het ging dan ook niet goed met het bedrijf. Al na een jaar moest de nieuwe eigenaar bij zijn pa in Schiedam aankloppen voor extra krediet. Zij vader nam voor hem een borgtocht over bij Alida van Soelen, de weduwe van een koopman in Amsterdam, en een schuldenportefeuille van bijna ƒ 12.000. In het schuldenboek staan veel namen uit Berkel en Pijnacker, wellicht turfleveranciers van de brouwerij, verder onder meer een koperslager en een schipper op Amsterdam. In ruil voor de overname van de schulden kreeg zijn vader de inboedel van de brouwerij, waaronder  de meeste van bovenstaande schilderijen, die er kennelijk nog steeds hingen.
Halverwege de jaren ’60 van de 17e eeuw ging de weduwe van deze Elsevier failliet en werd de brouwerij ‘bij decreet’ (d.w.z. gedwongen) verkocht voor 14.000 gulden aan notaris Schalkius van der Walle. Die houdt de zaak nog enige tijd gaande, naast zijn notariële besoignes. Wellicht met een brouwer als zetbaas, maar in 1700 werd de brouwerij stilgelegd, door aankoop van de ‘Gezamentlijke Brouwers en Brousters van Delft’. Dat was destijds een gebruikelijke formule om concurrenten uit te kopen. Kort daarop werd het grote pand opgesplitst in meerdere delen. Mr. timmerman Aert Swart bracht een scheidingswand aan in het pand en verkocht het voorste deel door aan ene Dirk van Schie. Het achterste deel wordt als pakhuis in gebruik genomen en bewandelde sindsdien een eeuw lang een eigen weg.

 
Branderij
Het voorste deel komt vanaf 1716 in handen van Bartholomeus van Berkel, de brouwer van de “De Gekroonde P”  aan de Voorstraat, die zich ook met het stoken van jenever ging bezighouden. Hij maakt van het bedrijf aan het Oosteinde een branderij, annex slijterij. Zijn zoon Martinus zette de zaak voort en lijkt in 1750 zelfs enige tijd hier aan het Oosteinde te hebben gewoond, voor hij het ouderlijk huis aan de Voorstraat betrok (zie Voorstraat 38). De katholieke Van Berkels groeiden in de loop van de 18e en begin 19e eeuw uit tot de de rijkste families van Delft, dankzij het bier en het gedistilleerd. De kleinzoon van Martinus zou het in 1840 schoppen tot de eerste katholieke burgemeester van Delft.
 
Slijterij
Bij verkoop van het bedrijf in 1784 aan broer en zus Adrianus en Elisabeth Hoes heette het pand nog steeds De Drie Zonnen, maar diende nu slechts tot het slijten van sterke drank. Ook dat was niet altijd van succes verzekerd, want korte tijd later ging de zaak opnieuw failliet. De slijterij kreeg vervolgens een doorstart onder leiding van Maria Kaas, maar zij besloot opnieuw daarbij delen van het pand en het bijbehorend erf af te splitsen, die de Van Berkels eerder deels weer bij elkaar gevoegd hadden.
In 1832 is de voormalige brouwerij/branderij eigendom van de slijter Theodorus Marquant, en ook het braakliggende terrein daarachter, uitkomende op de Achtersack. Aan het einde van de 18e eeuw en in de Franse tijd werd veel onroerend goed afgebroken waar in het verarmde Delft geen zinnige bestemming meer voor te vinden was. In stand houden was te duur: het kostte anders alleen maar veel onroerend goed belasting. De hele buurt achter het Oosteinde rond de Pieterstraat ging daar in die tijd bijna aan ten gronde. Toen Marquant het pand in 1843 in openbare verkoop bracht, ging het overigens niet alleen om een drankwinkel, maar ook om een “likeurstokerij’.
   
Kees van der Wiel  
   
nadere informatie over Oosteinde 137-139  
laatste wijziging 27-07-2011