Oosteinde 149 www.achterdegevelsvandelft.nl
Herberg, commenijwinkel en bakkerij NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Oosteinde 149 bevindt zich tussen de Molslaan en de Yperstraat, een steeg die vroeger de Achterzak werd genoemd. Het huis, herkenbaar aan de 18e eeuwse klokgevel, is tegenwoordig gemeentelijk monument. Op de oudst bekende afbeelding van dit huis -genomen kort na 1900- is op de top nog een houten bekroning te zien, uitgevoerd in Lodewijk XIV of XV-stijl uit de tweede helft van de 18e eeuw. De voor die stijlen typische gevelornamenten ontbreken echter. Op de begane grond toont de foto T-ramen uit het einde van de 19e eeuw en op de verdiepingen zaten nog negenruits schuiframen, zoals die vanaf circa 1780 werden toegepast.
De bekroning en vensters op de oude foto waren waarschijnlijk nog origineel. Monumentale restauratie kende men niet in de 19e eeuw; functionele gebouwdelen - zoals de vensters op de begane grond - werden vervangen door moderne producten, en decoraties - zoals de bekroning - werden gewoon verwijderd. Maar het voordeligst was om oud werk zo lang mogelijk te laten zitten en te onderhouden tot het op was. Zo konden klassieke stijlelementen in gewone huizen nog lang overleven. Op basis van de foto kan het bouwjaar van de gevel tussen op circa 1780 worden geschat. De bekroning is begin 20e eeuw alsnog verdwenen, de schuiframen zijn in de jaren 1970 weer in ere hersteld.


Het pand op de eerste kadastrale kaart van 1825, toen verbonden met royale pakhuizen daarachter.

Bij de opmeting van 1884
bleef er van de achterhuizen slechts een bescheiden tuintje en schuurtje over.
De situatie is sindsdien niet noemenswaardig gewijzigd.

Luchtfoto van de situatie in 2017.

Tussen de brouwerijen
Aan het begin van de 17e eeuw stonden op dit gedeelte van het Oosteinde tussen tussen Molslaan en Yperstraat twee grote brouwerijen: ‘De Dissel’ ter hoogte van het huidige Oosteinde 153-161 en op de plek van Oosteinde 135-139 ‘Het Conduijt’, later de ‘Drie Sonnen’ genoemd. (Zie Oosteinde 137) De bebouwing ziet er inmiddels totaal anders uit, maar de breedten van de huidige percelen komen nog steeds overeen met die uit de Legger van Kadegelden uit 1667. De verkaveling langs de gracht is dus sinds de 17e eeuw nauwelijks gewijzigd.
Daardoor is de eigendomssituatie sinds 1600 nauwkeurig te herleiden.
Op de plek van Oosteinde 149 stond begin 17e eeuw de herberg ‘Pijnacker’. In 1599 verkocht Adam Borgersz een huis met die naam voor 1733 gulden aan oud-burgemeester Robbrecht Ewoutsz van Schilperoort en een niet nader genoemde vennoot. Dat blijkt uit een register van de "Duit op de Gulden”, een belasting op de overdracht van onroerend goed ten behoeve van de Kamer van Charitate, de Delftse armenzorginstelling. De naam van de vennoot vinden we in een ander belastingregister van een jaar later, het ‘haardstedenregister’: Een zekere Daem Isaacsz van der Gracht verhuurde het pand aan ‘tapper’ Willem Heyndricksz.
Het genuanceerde bedrag en het compagnonschap van kopers wekt de indruk dat de koop in 1599 wellicht een schuldsanering betrof.
Over de geschiedenis vóór 1600 is de informatie over dit pand schaars. In de belastingkohieren van de Tiende en Honderdste Penning uit de periode 1543-1578 wordt steeds koopman Cornelis Jan Borgersz genoemd als eigenaar. Verder is er over hem niets bekend. Mogelijk waren hij en de eerder genoemde Adam familie van buurman Borger Jansz van der Block, de brouwer in ‘De Dissel’, wiens vader Jan Borgersz al in 1543 daar bier brouwde.


Het tegenwoordige aangezicht.


Het pand omstreeks 1900: Op de gevel prijkt
een bekroning en boven de voordeur staat
(bij goed kijken): “J.P. Robart

Herberg ‘Pijnacker’
In 1605 verkopen Schilperoort en de erfgenamen van Daem Isaacsz het pand voor 1400 gulden aan Gijsbrecht Pietersz. Hij was de jongste zoon van Pieter Dircxz ‘de Bostelman’, die op de plek van het huidige Oosteinde 171 woonde en daar met zijn vrouw Elsken Pietersen een herberg dreef genaamd "de Aeckerenboom". Bostel is een restproduct van het brouwproces dat als veevoer gebruikt werd; gezien de brouwerijen in de buurt zal hier geen gebrek aan geweest zijn. Gijsbrecht begon zijn carričre als schipper, maar werd later ook bostelverkoper. In 1594 trouwde hij met Maritge Joris uit de Heijtersteeg. Zij kwam echter al na een jaar te overlijden, waarschijnlijk in het kraambed. Na haar dood meldde Gijsbrecht zijn zoon Frans -14 weken oud- aan bij de Weeskamer en in 1597 hertrouwde hij met Annitgen Dircxdr.

Notariskantoor
Gijsbrecht trad in de voetsporen van zijn vader. Naast de handel in bostel werd hij ook herbergier. De herberg ‘Pijnacker’ had waarschijnlijk zijn naam te danken aan de klandizie uit die omgeving na de markt op weg naar huis de dorst kwam lessen en bleef overnachten. Een ander stamgast was echter notaris Adriaen Rijshouck die in de kroeg geregeld kantoor hield - in die tijd niet ongebruikelijk. Tussen 1606 en 1620 heeft hij hier tientallen aktes opgesteld en verleden, over allerhande onderwerpen, telkens voorzien van formele zinsneden als: ”in de herberge waer Pinaker uijthangt binne dese steede Delff int Oostende alwaer mede present was de waert Gijsbregt Pietersz" en het ‘merck’ van de ongeletterde Gijsbrecht als getuige. Ook voor de herbergier en zijn familie verrichtte de notaris geregeld diensten, blijkt uit zijn protocollen.

In 1610 kwam ook Gijsbrecht’s tweede vrouw te overlijden, en trouwde hij voor de derde keer. Bruid was ditmaal Barbara Jacobs, dochter van vooraanstaand burger Jacob Pouwelsz Verspeck/de Loose. Met haar kreeg hij een dochter, Elsken, genoemd naar Gijsbrecht's moeder. Deze verkocht ‘de Aeckerenboom’ in 1611 en trok bij Gijsbrecht in. In 1620 verleed zij in ‘Pijnacker’. Rond dezelfde tijd lieten Gijsbrecht en Barbara hun testament opstellen. Gijsbrecht ondertekende dat met zijn ‘merck’. Barbara zette zelf haar handtekening, een teken dat zij een goede opvoeding had genoten.

Voordochter
Gijsbrecht overleed onverwacht in 1621. De herberg kwam daarmee in handen van Barbara, die op dat moment nog in verwachting was van een zoontje. Kort hierna klopte Gijsbrecht's 17-jarige ‘voordochter’ Maritgen op een koude dag in januari 1622 aan bij Rijshouck's kantoor aan de Markt om ook een testament te laten opstellen. Zij was een kind uit Gijsbrecht’s tweede huwelijk met Annitge. Als minderjarig weeskind viel zij onder het toenmalig systeem van de Weeskamer, die haar geërfde vermogen op 19 maart 1622 registreerde en voogden over haar aanstelde. Uit die erfenis ontving Barbara Jacobs een alimentatie voor de verdere zorg van haar stiefdochter, totdat deze meerderjarig dan wel gehuwd was. Op 27 november 1630 meldt de Weeskamer dat "Maritge Gijsbrechts, dochter van Gijsbrecht Pietersz waert geweest in Pijnaker als nu mondich sijnde" het restant van haar erfenis heeft ontvangen. Daarna verliezen de archieven haar uit het oog.
Weduwe Barbara Jacobs hertrouwde ondertussen in 1626 met haar zwager, de weduwnaar Arien Cornelisz Kunst. Hij was de molenaar van de Oostmolen, de ‘coorewindtmolen’ naast de Oostpoort. Door dit huwelijk kwam het pand op zijn naam, want getrouwde vrouwen waren nu eenmaal voor de Wet destijds ‘handelingsonbekwaam’.

Kindersterfte
Samen kregen ze nog drie dochters. Arien was ook voogd van Elsken Gijsbrechts, en beheerde tevens het erfdeel dat zij in 1639 ontving uit de nalatenschap van Dirckge Pieters, "hare overleden moeije" (tante, Dirckge was een zus van Gijsbrecht Pietersz). Daarvan bevindt zich nog steeds een gedetailleerde beschrijving in de archieven van de Weeskamer. In 1644 trouwde Elsken - ze had intussen de achternaam Van Hoorendijk aangenomen - met scheepmaker Cornelis Jansz van IJck. Er volgden meerdere kinderen, waarvan alleen de dochters ‘tot mondige dage’ zouden opgroeien. De familiebanden waren hecht: bij elk van de dopen was stiefvader Arien Cornelisz aanwezig.
Elsken overleed in 1659 na de bevalling van haar vijfde kind. Kindersterfte en barensnood waren indertijd aan de orde van de dag. Van de vijf kinderen die Barbara Jacobs ter wereld bracht overleefde ze er vier.
Barbara Jacobs overleed uiteindelijk, inmiddels opnieuw weduwe, in 1674 in ‘Pijnacker’, zoals haar boedelscheiding vermeldt. Of het pand sinds haar huwelijk met Kunst nog steeds een herberg was, is echter onduidelijk. Kleindochter Annetge Cornelisdr van IJck erfde het huis, dat getaxeerd werd op 1650 gulden.

Huizenruil
Kort na deze erfenis trouwde Annetge met bakker Cornelis Jansz van Dop. Hij woonde aan de Voldersgracht, maar wist in januari 1681 de bakkerij van de in 1657 overleden Simon Jacobsz Pijnacker te bemachtigen. Deze stond op het huidige Oosteinde 41. Het huis ‘Pijnacker’ verkocht hij diezelfde maand aan Jacobus Pijnacker, de zoon van de overleden bakker, maar Cornelis nam de huisnaam mee naar zijn nieuwe bakkerij. Alle latere referenties naar het huis ‘Pijnacker’ aan het Oosteinde hebben dan ook betrekking op nummer 41.
Wat Oosteinde 149 betreft: Kort na de aankoop droeg Jacobus Pijnacker het pand over aan zijn moeder Dieuwertje Floris van der Laen, weduwe Simon Pijnacker. Zij sleet hier haar laatste jaren. De begraafboeken melden dat ze in juli 1686 ten grave werd gedragen vanuit "'t 2e huijs van de Stampende Leeuw”. Dat betrof een grutterij met die naam twee huizen zuidelijker (nu Oosteinde 139-143).


Registratie uit 1605 voor de ‘Duit op de Gulden’: Robbrecht Euwoutsz van Schilpoort oudt burgermeester cum socijs vercoopt Gijsbrecht Pietersz bostelverkoper een huijs ende erve staende int Oosteijnde genaemt Pinaecker, vrij sonder opstal, voor 1400 gulden gereet gelt, comt voor de duijten


Boerenherberg, gekleurde pentekening van Adriaen van Ostade, tweede helft 17e eeuw, Museum van Schone Kunsten te Brussel.


Ondertekening van het testament van Gijsbrecht Pietersz en Barbara Jacobsdr. Hij tekent met een merkteken, zoals de notaris verklaart. En zij kan zelf duidelijk haar naam schrijven.


Arien Cornelisz Kunst was de molenaar op de Oostmolen, de “coorewindtmolen” naast de Oostpoort, hier afgebeeld op de Kaart Figuratief van circa 1675.

Commenijwinkel
In 1694 kocht kuiper Pieter Gijsbrechtsz Berckelshoek het huis. Hij betaalde er slechts 800 gulden voor. In twintig jaar was de waarde dus gehalveerd. Dat zal aan de staat van het pand gelegen hebben, maar ook aan de stedelijke economie, die aan het einde van de 17e eeuw een flinke val doormaakte. De bevolking van Delft nam in die dagen behoorlijk af. Berckelshoek heeft het grootste deel van zijn leven hier gewoond en gewerkt. Uit de trouwboeken blijkt dat zijn ouderlijk huis in 1688 ook al aan het Oosteinde stond. Met zijn eerste vrouw Catharina (Trijntje) de Hooch kreeg hij zes kinderen. Vier daarvan stierven jong. Trijntje zelf overleed in 1712, twee jaar na het overlijden van hun oudste dochter Jannetje. Van de drie overgebleven kinderen stierf er kort daarna nog één.

Hoewel hij kuiper was, runde Pieter hier volgens het Kohier van het Familiegeld 1716 een “comenijswinckel”, een levensmiddelenwinkeltje voor zuivelproducten en eieren. Berckelshoek hertrouwde nog tweemaal, telkens opnieuw als weduwnaar. In 1717 met Willemijntje Schenk, en in 1728 met Dirckje van Essen. Uit deze huwelijken kwamen geen kinderen meer voort. Beide keren lieten de echtelieden echter huwelijkse voorwaarden opstellen waarin hun wederzijds bezit -inclusief winkeluitzet- werd opgesomd. Zo wordt in 1717 melding gemaakt van “een partije diversche soorten kaas ter waerde van tweehondert drieëntwintich gulden vier stuijvers”. De “verdere winckelwaeren” waren 249 gulden en 19 stuivers waard; blijkbaar was kaas Pieter’s specialiteit.

Ook worden huis, indeling en boedel in detail gespecificeerd. Op de begane grond bevonden zich de winkel met het ‘winckelgereetschap’, de keuken, een ‘camertje’ met bedstee en de doorlopende gang naar ‘de plaets’ achter het huis. Ook was er destijds nog een ‘keldercamertje’ (waaarschijnlijk onder het genoemde op‘camertje’). Op de eerste verdieping was de ‘grote camer’ met schouw en daarboven de ‘bovenzolder’.

Volgens de ‘Personele Quotisatie’ uit 1745 bestierde de 81-jarige Pieter hier nog steeds zijn winkeltje. Twee jaar later overleed hij, waarna het huis overging naar zijn oudste zoon Cornelis. Volgens een ander belastingregister –het Impostregister uit 1749- werd het pand destijds bewoond door plateelschilder Barent Dijkman en zijn gezin. Diens vrouw, Maria Statius, baatte de commenijwinkel uit. Zij stonden te boek als ‘onvermogend’.
Uiteindelijk verkocht Cornelis het pand in 1756 aan een zekere Jan Paulus, opnieuw voor 800 gulden. Van deze nieuwe eigenaar is weinig bekend, behalve dat hij in 1749 elders aan het Oosteinde woonde en meer panden in de buurt bezat.


Doorkijkje door de Oostpoort richting het huis vlak onder de Nieuwe Kerk.
Gouache van Rijk van Lavieren, circa 1930.

Grote verbouwing
Jan Paulus liet het pand in 1773 "opentlijk veilen". Hoogste bieder was meester metselaar Jan van der Aa, die optrad namens de welgestelde Johanna van der Stap. Zij betaalde uiteindelijk 540 gulden voor het huis. Zelf heeft ze hier nooit gewoond. Ten tijde van haar huwelijk in 1778 met Cornelis Bouwmeester woonde ze in de Hoefijzersteeg, en die echtgenoot overleed enkele jaren later in de Dirklangenstraat.
Toen Johanna het pand in 1782 verkocht aan haar neef Jacobus was het opeens een bakkerij met een waarde van 1275 gulden, een waardevermeerdering die gezien de slechte economische periode alleen met een grote verbouwing te verklaren is. Het lijkt er dan ook op dat de kinderloze suikertante haar neefje aardig heeft verwend. De koopovereenkomst meldt dat Jacobus, als broodbakker, het pand al enige tijd huurde en bewoonde, en dat Johanna vóór de verkoop "zekere en bepaalde melioratiën en reparatiën" (verbeter- en herstelwerken) mondeling had uitbesteed aan timmerman Pieter Gerbrandt, ter waarde van nog eens 150 gulden, nog een aanwijzing dat het pand ergens tussen 1773 en 1782 grondig is verbouwd. Dat sluit goed aan op de bouwhistorische datering van de gevel op basis van de eerder genoemde foto. Wellicht dat Jan van der Aa degene is geweest die de nieuwe gevel heeft opgemetseld.

Broodbakkerij
Jacobus van der Stap heeft hier de rest van zijn leven brood gebakken. Hij trouwde twee keer, in 1781 met Johanna Looijaard en in 1793 met Maria van Hulst. Uit beide huwelijken kwamen kinderen voort. In 1797 kocht hij een pakhuis aan de zuidzijde van het Achterzak, die hij bij zijn huis voegde, zoals de kadasterplattegrond van 1825 laat zien.
Vanuit zijn bakkerij maakte Jacobus roerige tijden mee: De Franse Revolutie van 1795, de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland onder koning Lodewijk Bonaparte, en de inlijving bij Frankrijk, oorlostijden, die brood voor de stadsbevolking schaars maakte. Jacobus overleed in augustus 1813 - vlak voor het uitroepen van het huidige Koninkrijk der Nederlanden- in het winkelhuis dat tijdens de Franse tijd het huisnummer wijk 2 nummer 441 had gekregen. In 1816 deed zijn weduwe de bakkerij met pakhuis voor 1000 gulden van de hand.


Bakkerswinkel, geschilderd door J.A. Langendijk in 1806. Nederlands Bakkerijmuseum, Hattem.
Een oud kruidenierswinkeltje in de beleving
van Anton Pieck

De bakkerij werd gekocht door twee vaders, Georg Carel Nicola en Simon Moulijn, voor hun pas getrouwde kinderen Gerardus Nicola en Wijntje Moulijn. In 1817 nam Gerard het aandeel van zijn vader over, maar lang bleven zij niet. In 1819 werden bakkerij en pakhuis verkocht en vertrok het gezin naar Den Haag, waar Gerard een succesvolle bakkerij opende. Na zijn overlijden in 1865 was het Wijntje die samen met haar aangetrouwde neef Gerrit Lensvelt de legendarische Haagse banketbakkerij Lensvelt Nicola zou oprichten.
De volgende bakker was Anthonie Freeken. Ook hij wist zijn vader, Nicolaas Freeken, voor de koop van het pand te strikken. In 1822 werd zijn omzet door de patentbelasting geschat op 181 zak tarwe en 19 zak rogge. Anthonie zou hier uiteindelijk 35 jaar wonen, werken, tot drie maal toe trouwen en in totaal drie kinderen krijgen.
Anthonie en zijn gezin waren niet de enige bewoners. Hij bewoonde het huis met diverse andere mensen, waaronder een drietal bakkersleerlingen die bij hem in de kost waren. In februari 1854 zette hij het pand met advertenties in de Opregte Haarlemsche Courant en het NRC in de verkoop.

Diverse huurders
De bakkerszaak werd gekocht door Petrus Engelbregt, een grutter die ook de panden aan weerszijden in bezit had. Hij ging er geen brood meer bakken, maar niet verhuurde het huis aan diverse personen en gezinnen. Zo woonde hier huidenbloter Johannes Klinkhamer met vrouw en kind, gevolgd door Geertruid Lammertse met haar broer. Zij trouwde op 39-jarige leeftijd met de acht jaar jongere weduwnaar Johannes Schaarman, een mandenmaker. Ook vermelden de bevolkingsregisters tal van alleenstaande personen die hier tijdelijk woonruimte huurden.
In 1874 kwam schilder Johannes Robart het pand met zijn gezin bewonen.

Het Oosteinde is in het verleden de voornaamste verkeersader geweest waarlangs de boeren, handelslieden en bewoners van de dorpen ten zuiden van Delft de markten in de stad bezochten. Het was dan ook een komen en gaan van paarden, vee en rijtuigen. Dat dit wel eens mis ging blijkt uit de krantenartikelen uit deze periode.

Schildersbedrijf
In 1876 werd de huisnummering aangepast: wijk 2 nummer 441 werd nu Oosteinde 95. Na het overlijden van Petrus Engelbrecht vererfde het huis aan zijn zoon Hendrik, die de panden bleef verhuren tot hij in 1883 het hele rijtje Oosteinde 89, 93 en 95 verkocht.
Huurder Johannes Robart nam nummer 95 van hem over. Hij was huisschilder en glaszetter, dus hij zal de gevel zorgvuldig onderhouden hebben als blijk van zijn vakmanschap. Op de eerdergenoemde foto van het pand staat nog boven de voordeur in sierlijke letters "J.P. Robart" geschilderd. Robart woonde hier met zijn tweede echtgenote Maria Rombout en diverse familieleden. In 1895 overleed hij, maar zijn derde vrouw Johanna van Hamerden bleef hier nog tot 1916 wonen.


Blik over het Oosteinde met in de verte nog net zichtbaar, vlak voor de bomen,
het huis met de oude kroon boven de klokgevel, onder het koor van de Nieuwe Kerk.
Foto van een onbekende fotograaf omstreeks 1900 (vóór 1902).

Borstelwinkel Pirovano
In de twintigste eeuw verwisselde het pand herhaaldelijk van eigenaar en heeft het meerdere functies gehad. In 1916 vestigde Johannes Pirovano hier zijn borstel- en klompenwinkel. In 1922 gaf hij het pand een nieuwe elegante winkeletalage.
Omstreeks 1924 was er opnieuw een vernummering van de gracht waarbij het pand z'n huidige adres Oosteinde 149 kreeg. Pirovano had inmiddels ook het naburige pand 151/153 bij zijn zaak getrokken en zou vervolgens dit pand afstoten.

Slagerij
Tussen 1928 en 1936 was hier een slagerij gevestigd. Aanvankelijk beval Cor Ruygrok zich hier beleefd aan, maar al snel nam zijn broer Adriaan het roer over en profileerde zich met zijn ‘Delftsche Volksslagerij’ als kiloknaller met luidruchtige reclamecampagnes in de plaatselijke pers. De heren uit een bekende Delftse slagersfamilie hadden echter eerder al een zaak verkocht en daarbij een beding ondertekend dat zij tien jaar lang in Delft geen slagerij meer zouden openen. De benadeelde opvolger spande een rechtszaak aan en werd in het gelijkgesteld. In 1931 moest de ‘Volksslagerij’ sluiten. De Ruygroks deden het pand over aan collega paardenslager Karel Vrijenhoek uit de Choorstraat, die hier een filiaal opende. Maar ook dat was in de crisistijd geen lang leven beschoren.


Cor Ruygrok opent slagerij. Delftsche Courant, 23 febr 1928.

Slagerij Ruygrok moet weer sluiten van de Rechtbank. Delftsche Courant, 8 dec 1930.

“Im Westen nicht Neues". Ruygrok adverteert rustig verder. Delftsche Courant, 20 maart 1931.

Collega paardenslager Vrijenhoek neemt de zaak over. Delftsche Courant, 14 oktober 1931.


Verkoopadvertentie in de NRC van 22 febr 1854, waarin Anthonij Freeken zijn bakkerij
te koop zette.


Een ongeval voor de deur; bericht in de Delftsche Courant van 10 februari 1881. Negen jaar eerder gebeurde op dezelfde plek een soortgelijk
ongeval met een boerenwagen.


Deel van de advertentie waarbij Hendrik Engelbregt het pand te koop zet, samen met de buurpanden. Delftsche Courant, 21 nov 1883.


Johannes Robart zoekt vaklieden.
Delftsche Courant, 25 maart 1885.


Bouwtekening van de gevel met nieuwe winkelpui uit 1916. De bekroning op de hals was toen nog aanwezig.


Borstelverkoper Pirovano verhuist naar dit adres. Delftsche Courant, 24 febr 1916.

 

 

 

 

IJs, patat en oliebollen
In 1937 begon Sjef Balk hier de snackbar ‘Sjeba’ met ijsjes voor drie cent en een stuiver en in het winterseizoen patat en oliebollen. Daarnaast had hij een oliebollenkraam op de Brabantse Turfmarkt. Een groot succes werd zijn zaak niet. Al snel schakelde hij over op de handel in tweedehands spullen en in 1942 bood hij - waarschijnlijk noodgedwongen - zijn winkelmeubilair te koop aan.

Na de oorlog
In augustus 1945 vestigde kruidenier Jan van Houten hier een groentezaak die hier tot 1968 zou blijven. Begin jaren 1970 werd het pand van binnen en buiten grondig verbouwd, waarna A.M. van Gog hier gedurende 35 jaar een loodgieterszaak dreef. Van 2005 tot en met 2013 was in de oude winkel een kunstatelier gevestigd. Tegenwoordig is het een privéwoning.


Het pand met opgeknapte gevel na restauratie in 1977. Foto Rijksdienst Cutureel Erfgoed.

In het midden de klokgevel, zomer 2017.
Foto Kees van der Wiel.

IJsjes voor 3 cent bij Sjef Balk.
Delftsche Courant, 10 juni 1937.


Ook uw adres voor oliebollen en patat.
Delftsche Courant, dec 1937.


De winkelinventaris te koop.
Delftsche Courant, 21 jan 1942.


Jan van Houten begint groentezaak.
Veritas, 16 aug 1945.

K. Lagendijk  
nadere informatie over Oosteinde 149  
Geplaatst: 5 augustus 2017  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft