De verdwenen Paradijspoort

Handel in arme mensen-huisjes

 
   
De Paradijspoort is nu een deel van de Delftse koopgoot In de Veste. Het is een nieuwe versie van een oud slopje dat ooit op ongeveer dezelfde plaats tussen de Pieterstraat en de Gasthuislaan heeft gelegen in de dichtbewoonde armenbuurt die veertig jaar geleden is ‘gesaneerd’ (c.q. gesloopt) voor het huidige winkelcentrum. Het steegje is in zijn geschiedenis meerdere malen uit zijn eigen as verrezen. Paradijselijk was het er niet.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Dit is de huidige Paradijspoort

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een buurt vol kleine huisjes
(Foto www.delft-prentbriefkaarten.nl )

 
De Gouden Eeuw zorgde in veel Hollandse steden voor benauwde woningtoestanden. Tal van achtererven werden volgebouwd met huisjes die alleen via nauwe poorten of slopjes toegankelijk waren. Zo verrees in de 17e eeuw ook de Paradijspoort op het achtererf van het huis Het Groene Paradijs aan de Gasthuislaan, waarschijnlijk dankzij de activiteiten van de daar wonende timmerman Jan Gijsbrechtsz van Mishout. Hij verkocht zijn bouwsels aan lakendrapier Dionijs Jacobsz.
 

In de achttiende eeuw liep het inwonertal van veel Hollandse steden fors terug. In deze poort stonden toen nog acht 'cameren' (eenkamerwoningen), die bij gebrek aan bevolking steeds slechter verhuurbaar werden. Vijf van de acht werden nog bewoond, door een schoenlapper, een schoonmaaktser, twee weduwen, die allen mede van de armenzorg afhankelijk waren en Jan Smout, een ‘gegageert zoldaat’. De laatste was, toen het op betalen aan kwam inmiddels nergens meer te vinden.

   
Zoals vele andere vervallen huisjes in deze buurt werden ze omstreeks 1800 afgebroken om aan de drukkende belastingen te ontkomen. Het terrein kwam braak te liggen en werd eigendom van aardappelkoopman Krijn Verheul, die het wellicht gebruikte om er aardappels te poten. Bij de opmeting voor het kadaster omstreeks 1825 werd het perceel D 782 gekwalificeerd als 'tuin', dat wil zeggen moestuin (een bloementuin heette 'erf').

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Verkoopadvertentie Delftsche Courant 23 febr 1890

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Verkoopadvertentie Delftsche Courant juli 1905

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster xKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Paradijspoort ca 1670 - vol Paradijspoort in 1832 - leeg Paradijspoort ca 1920 – weer heel vol
 
In de loop van de negentiende eeuw groeide de bevolking van de stad weer. In 1852 kocht timmerman Willem Verbeek de percelen rond de verdwenen poort op en kreeg een vergunning voor het plaatsen van een steiger en schutting. Hij bouwde er tien huisjes, vijf aan de Pieterstraat en vijf daarachter in de opnieuw in gebruik genomen Paradijspoort. Ze werden door het kadaster nieuw genummerd (D 1337-1346). Na de bouw verkocht hij ze aan zijn vader Cornelis Magrinus Verbeek voor ƒ 1750.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster  
Paradijspoort in 2000 De twee lange grachten in het midden zijn Molslaan en Gasthuislaan. Geel gemarkeerd de kleime armoestraatjes in dit gebied. De Paradijspoort is het kleine steegje links.
 

Aan de overkant van de poort op de hoek van de Pieterstraat kocht Cornelis Magrinus nog een oud huisje op met het lege perceel ernaast (D 722 en 723). Hij brak de bouwval af en zette er drie nieuwe voor in de plaats (nieuw genummerd D 1382-1384).
Tien jaar later, in 1863, kocht de firma Verbeek en zoon aan het einde van de Pieterstraat (bij de Doornikstraat) de afgedankte Stadsarmenschool op. Dat was vermoedelijk een verbouwde refter (eetzaal) van een middeleeuws klooster. Ze sloopten de school en zetten daar aan de straat en in de steeg erachter nog eens dertien woningen neer. Cornelis Magrinus kreeg zo 26 huisjes in de buurt. In 1867 deed hij alles over aan zijn zoon Willem voor ƒ 10.500.

 

 
Tenslotte kwam dit Verbeek-imperium op 12 mei 1890 in openbare verkoop bij notaris W.L. Verschoor. Kopers waren bekende exploitanten van onroerend goed: het voormalig schoolterrein ging naar G. Jansen, het Paradijspoortcomplex naar P.J. Brouwer. De 25 huizen brachten vrijwel hetzelfde bedrag op als 23 jaar eerder bij de onderlinge verkoop (nu ƒ 10.680). De gebreken aan de woningen kwamen inmiddels al aardig aan het licht. Bovendien ondervonden ze gevoelige concurrentie van de nieuwe arbeiderswoningen in de inmiddels nieuwgebouwde buurten buiten de oude stadswallen. Zowel Jansen als Brouwer besloten daarom tot 'sanering/renovatie' van hun nieuwe bezit over te gaan. In beide gevallen werd het aantal huisjes daarbij nog eens vergroot. Van tien huisjes in de Paradijspoort maakte Brouwer er nu dertien (kadastraal genummerd D 2577-2589). Zeven huisjes in de slop die dwars op de Paradijssteeg stond, deed hij snel over aan Pieter Borsboom.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De sloop van de buurt startte eind jaren zestig

 
In 1906 onderzocht de Gezondheidscommissie de woningen. Uit het verslag blijkt dat ze inmiddels alweer van eigenaar waren gewisseld. Het waren tweekamerwoninkjes met huren van ƒ 1,00 tot ƒ 1,50 per week. De duurdere waren van binnen betimmerd en uitgerust met een alkoof of een keukentje. Ze hadden enkele gemeenschappelijke privaten buiten op de plaats. Muren en vloeren bleken vochtig en slecht. In een paar huisjes liep onder de vloer een open riool, dat slechts was afgedekt met een plank. Een aantal huisjes zat vol wandgedierte. In 1919 werd de poort onbewoonbaar verklaard.
   
Kees van der Wiel  
 
nadere informatie over de verdwenen Paradijspoort