Pieterstraat 1 - 9 (vroeger ook: Brabantse Turfmarkt 38)
Veel geschiedenis onder nieuwe bakstenen  
   
Pieterstraat 1-9 is een nieuw appartementencomplex op de hoek van de Pieterstraat en de Barbantse Turfmarkt. Het is in 2002 gebouwd. Hoe nieuwer de woningen, hoe meer geschiedenis, geldt vaak in de binnenstad. Ook hier werd namelijk flink gewroet door archeologen voor er heipalen de grond ingingen. Het is een interessante plek. Tussen 1246 en 1355 lag dit terrein net aam de buitenzijde van de toenmalige ‘Burchwal’. Men vermoedt dat hier -- waar al lang geleden de Pieterstraat ontstond -- een toegangsweg was naar de stad vanuit het zuidoosten. Er zijn enkele resten van mestkuilen aangetroffen uit die tijd met scherven. Die kuilen werden afgedekt met een loopvlak van kloostermoppen toen de stad in 1355 naar het oosten werd uitgelegd om zijn huidige omvang te krijgen. Op dat moment ontstond hier ook de eerste bebouwing.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het nieuwe appartementencomplex in
de Pieterstraat met de opvallend gekleurde
raamkozijnen en deuren.

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het plaveidsel van kloostermoppen uit de
14e eeuw: de oudste Pieterstraat.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het complex gezien vanaf de Brabantse Turfmarkt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Grietje Pietersdochter
De vroegste bekende vermelding van de naam Pieterstraat dateert van 1346, dus vlak voor de uitleg van de stad. De naam is afgeleid van Grietje Pietersdochter, de dame die in 1334 aan de Koornmarkt op de hoek van de Huyterstraat woonde. Zowel die Huyterstraat als het verlengde daarvan buiten de oude stadswal heette destijds Vergriete Pieterssteghe. Mogelijk was het buiten de stadsgrens een dijkje tussen de sloten die nu Molslaan en Gasthuislaan heten en liep het naar de zogenoemde Kerkweg naar Pijnacker langs het huidige Oosteinde.De Brabantse Turfmarkt ontleende haar naam aan de turfschepen die hier volgens de middeleeuwse keuren hun brandstof voor de winter en de bierindustrie moesten verhandelen. Die turfschepen heetten ‘ponten’, reden waarom de gracht in oude stukken ook vaak met ‘Pontemarkt’ werd aangeduid.
 
Schoenlapper
De Pieterstraat en omgeving behoorde tot een van de weinige delen van de stad die bij de grote stadsbrand van 1536 gespaard bleef. In de dagen na de brand hebben hier vermoedelijk velen tijdelijk onderdak gevonden. De huisjes in de Pieterstraat waren klein en werden vooral bewoond door brouwersknechts, kuipersknechts en andere arbeiders van de toen zeer goed lopende bierindustrie.Op de hoek van de Pieterstraat en de Pontemarkt woonde bij de heffing van de 10e penning in 1543 ‘Claes die (schoen)lapper’. Bij de opgraving in 2001 zijn in een oude middeleeuwse beerput inderdaad enkele afsnijdsels van leer gevonden. Het grootste deel van die put was echter al eerder leeggeroofd door schatgravers.
 
De Drie Varckens
In 1600 heette het hoekhuis dat hier stond ‘De Drie Varckens’, weten we uit het belastingregister op  haardsteden uit dat jaar. Het huis telde vier stookplaatsen en was dus voor de buurt een behoorlijk huis. Het werd bewoond door ene Pieter Janszoon. Daarachter in de Pieterstraat lagen op de plek van het huidige complex een aantal kleinere huisjes met doorgaans één of hooguit twee stookplaatsen. Daar woonden een coorendrager, een schipper en een wever. Verderop aan de zuidzijde van de Pieterstraat lag nog een ander pand met vier haardsteden, genaamd ‘De Vijff Varckens’. Daar woonde de spekman Ghijsbert Jacobsz. Of dat een concurrent was van Pieter Jansz in De Drie Varckens weten we niet, omdat zijn beroep niet vermeld werd. Wel weten we dat Pieter Jansz 20 jaar later nog steeds op deze plek woonde, zo blijkt uit het verpondingsregister.
 
17e eeuwse nieuwbouw
In 1650 liet Cornelis Cornelisz Hambrouck in 1650 op de plaats van de Drie Varckens een geheel nieuw huis bouwen, weten we uit een lijst van ‘nieuw getimmerte huysen’. Dat gebeurde in Delft in die tijd niet heel vaak, omdat de meeste huizen in de stad al een eeuw eerder allemaal nieuw gebouwd waren bij de herbouw na de grote stadsbrand. Dat gold echter niet voor De Drie Varckens. Vermoedelijk was dat middeleeuwse pand ondertussen een aardige bouwval geworden, misschien zelfs nog wel deels van hout. Erg grondig is de afbraak overigens niet geweest, want uit de periode voor 1650 werd bij de recente opgravingen nog een vrij complete beerput met inhoud aangetroffen, waaruit onder meer een aantal pispotten,  kookpotten en wat tegels te voorschijn kwamen.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Het hoekpand omstreeks 1670 De situatie in 1832 De situatie in 2002 De omgeving van de Pieterstraat op
de Kaart Figuratief van circa 1670
   

Het nieuw gebouwde huis bleef een halve eeuw in de familie van de bouwer, tot Hambroucks schoondochter Jannetge van der Elst hier in 1692 overleed. Haar kinderen verkochten het huis een jaar later voor 1300 gulden aan Gerrit Bril. Daarbij kreeg de stadsomroeper 1,50 gulden voor de medewerking. Bril betaalde 500 gulden contant, de rest ging met een schuldbrief.
De man van Jannetge, Bastiaen Hambrouck, was schipper, wellicht turfschipper. De inboedel van de weduwe werd door haar drie kinderen openbaar verkocht voor 759 gulden, nadat haar zoon Louris eerst voor 228 gulden aan spullen had uitgekozen en dochter Lysbeth ter waarde van 390 gulden. Ze hadden ook nog een broer Philip die in Middelburg woonde, maar die had kennelijk geen belangstelling. Uit de boedel kreeg Lysbeth ook nog honderd gulden voor haar uitzet bij haar bruiloft. In totaal bedroeg de gehele erfenis 2733 gulden. Daaruit valt op te maken dat de familie tot de gegoede middenstand behoorde. Ook de kerk en de armenzorg deelden in de nalatenschap, evenals de dokter en de apothekerdie Jannetjes op haar laatste ziekbed hadden begeleid.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De uitgegraven beerput uit het begin van de 17e eeuw.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een vondst uit de beerput uit het begin van de 17e eeuw.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Beeld van de Pieterstraat in 1933 met
dichtgetimmerde woningen. Ze staan aan de
noordzijde, vlakbij de hoek met de Turfmarkt.
(Foto Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Opgegraven stookplaats van de 19e eeuwse smidse.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Foto van de Brabantse Turfmarkt hoek Pieterstraat
omstreeks 1900, met spelende kinderen voor de
deur van de groentenwinkel van Köhler.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Verkoopadvertentie van het hoekpand Brabantse
Turfmarkt 38 (abusievelijk genoemd Pieterstraat
38) in de Delftsche Courant van april 1887.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het orgeldraaiersechtpaar Antonio Fusco en
Giuseppina Capocci dat omstreeks 1906 in
Pietertstraat 5 woonde.

 
De Arent
In 1727 bleek het huis de naam “De Arent” te dragen, toen het inmiddels een aantal keren later weer in de verkoop kwam. De prijs was ondertussen gezakt tot  990 gulden, zoals bij de meeste huizen. De bevolking van Delft nam in die jaren behoorlijk af en daarmee ook de vraag naar woningen.
In 1747 kwam het huis in handen van Jan Verpoorten en zijn vrouw Adriana van der Chijs. Verpoorten was kapitein van de schutterij en woonde op de Koornmarkt, vlakbij de Huiterstraat. Hij deed vaker in huizen. Zij verhuurden het huis aan Barbara van Hoorn, die er in 1749 een ‘zoopje’ (slokje sterke drank) verkocht. Zij had de kuipersknecht Antony van Puffelen als onderhuurder in huis. Het huisje naast het hoekhuis in de Pieterstraat werd bewoond door schoenlapper Jan Swaartintveld met vrouw en twee kleine kinderen. Zij waren afhankelijk van de armenzorg, evenals de schooljuffrouw Jannetje van Egmont die daarnaast woonde.
 
Een volgend leven als groentezaak
Toen Johannes de Bruijn in 1757 het huis overnam voor de bodemprijs van 145 gulden, droeg het geen naam meer, althans niet in de koopakte. Maar de prijs kon nog lager, want in 1799 verkocht Dina Zuiderwijk het pandje voor 70 gulden aan metselaar Arij Smits en timmerman Herman van Leeuwen, nadat een vorige eigenaar er al een keer failliet was gegaan. Het zal wel in een erbarmelijke staat geweest zijn, zoals veel huizen in Delft in deze zeer slechte tijd. Opmerkelijk is echter dat na bemoeienis van beide bouwvakkers het pand in 1801 voor 500 gulden verkocht kon worden. Dat moet een flinke renovatie geweest zijn, en dat in een tijd waarin meer huizen gesloopt dan gebouwd werden, zeker in deze buurt.De nieuwe eigenaar werd tuinder/warmoezenier Reinier Hoogeveen, die er meer dan een halve eeuw zou blijven wonen. Hij verkocht er groenten. Hij overleed er in 1853 op 76-jarige leeftijd, waarna zijn dochter de winkel overnam.
 
Smidse
Het pand ernaast in de Pieterstraat op de plaats van het huidige complex werd in 1831 gekocht door de smid Herman Jutte. In de jaren daarna zou hij nog twee pandjes in de straat bij zijn smidse trekken. Bij de opgraving van 2001 werd de haardplek van de smidse teruggevonden met daarin onder meer een hoefijzer, wat nagels en een gesp. Ook troffen de gravers onder het pand een kelder aan die rond 1800 was gevuld met afval uit de aardewerkindustrie, een geliefde soort puin om onbruikbare kelders mee vol te storten. In de omgeving lagen voldoende aardewerkfabrieken om die rommel te leveren.
 
Splitsing
In 1880 werd het hoekpand gesplitst in twee percelen, waarvan het ene als Brabantse Turfmarkt 38 verder door het leven ging en het ander als Pieterstraat 1. Het deel aan de Brabantse Turfmarkt werd eigendom van de winkelierster Maria van Dijk, weduwe Paap. Het huis met de ingang aan de Pieterstraat werd eigendom van metselaar Jan van Dijk, die het verhuurd en er in 1892 nog iets aan bijbouwde.
De weduwe Paap bracht haar winkel in 1887 in de verkoop. Beneden was een winkelkast (etalage) en een toonbank. Achter de winkel was een plaatsje met een welput. De bovenverdieping had zij verhuurd voor 1,50 gulden en daarnaast ook nog een losse kamer voor 70 cent per week. Delft begon aan het einde van de 19e eeuw weer vol te raken, en iedereen zocht naar woonruimte. (zie advertentie)
De winkel werd gekocht door Abraham Köhler. In 1899 moet hij zijn winkel verkopen aan de koopman Van der Seijp, waarschijnlijk wegens schulden. Hij kon zijn winkel echter als huurder van Van der Seijp voortzetten. Als in 1906 de Gezondheidscommissie het pand komt inspecteren, zoals alle kleine woningen in de stad, betaalt hij vier gulden in de week huur aan Van der Seijp en woont er met vrouw en zeven kinderen. De winkel telt drie vertrekken en een WC met poepdoos zonder ventilatie. Lees meer over het rapport van de Gezondheidscommissie. De bovenwoning Pieterstraat 1 verhuurde Van der Seijp aan scheepsbouwer A. Poot en zijn vrouw. De muren waren er vochtig en de gootsteen stonk.
 
Orgeldraaiers
Om de hoek waren de smidse Pieterstraat 3 en het buurhuis Pieterstraat 5 in 1899 in de verkoop gegaan. De oude smederij was toen voorzien van waterleiding en in 1906 een onbewoond pakhuis geworden. Pieterstraat 5 was een nieuw bouwsel uit de 19e eeuw en had in 1899 nog een pomp met ‘best’ welwater. Het werd boven apart verhuurd voor 1 gulden in de week. In 1906 woonde hier het orgeldraaiersechtpaar Antonio Fusco en Giuseppina Capocci. Aan een binnenplaatsje in een slopje even verderop in de Pieterstraat woonde nog meer leden van deze orgeldraaiersfamilie met zes kinderen en een paard in de woning. De woonomstandigheden daar baarde de gezondheidscommissie grote zorgen.Bij de sanering van de Pieterstraat in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw werden de panden allen aangekocht door de gemeente Delft.
 
Kees van der Wiel
   
nadere informatie over Pieterstraat 1-9