Rietveld 147
Boerderij De Drie Klaveren  
   
In 1800 kocht de uit Wateringen afkomstige Johannes de Kok voor ƒ 1000 huis en bouwerij (boerderij), met tuin erachter, genaamd 'De Drie Klaveren' van Anthony Koppen (alias Koppert) en Geertje Bugten. Op het pand ruste een rente ten behoeve van de kerken. Ook moest er jaarlijks een erfpacht aan de stad betaald worden voor een speciaal aangelegde kade. Hij kocht het bedrijf grotendeels op krediet bij de vorige eigenaar middels een custingbrief (hypotheek) ter waarde van ƒ 750.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Ook in de stad was de koe een gewone verschijning. (Coll. Legermuseum, foto Herman de Ruiter).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het Kalverbos, waar koebeesten graasden. (Coll. Prinsenhof, Hendrick Verschuring 1669)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Jan Heppener schilderde het Rietveld in 1875. Rechts de brug over de Raamgracht, die er toen nog was. (Bron Simonis en Buunk).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De biggenwagen van Martinus Struijk, die de boerderij in 1897 kocht. (Foto particuliere collectie).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zij- en bovenaanzicht van een Deense koelbak.

Een grote boerenschuur, restant van de boerderij, werd in de jaren ’80 gesloopt. (foto Els Kemper)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De grote poort recht van het huis, die toegang geeft tot het erf, is nog aanwezig.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De centsprent, houtsnede, uit 1830, van Willem Bal, laat zien wat er in de stad met vee gebeurde. (Coll. Koninklijke Bibliotheek)

 

 

 
Koeien in Kalverbos
De eerste die op deze plek een boerenbedrijf begon, was Leendert Oosterlee. Hij kocht in 1727 hier een huis met een koetshuis en tuin van de erfgenamen van textielverver Pierre Bobineau. Voor zo ver bekend droeg het toen nog niet de naam Drie Klaveren. In een belastingregister van 1749 staat Oosterlee geregistreerd als ‘melkboer’ met negen koebeesten en twee kalveren. Hij weidde zijn vee bij het bos buiten de Haegpoort (het ‘Kalverbos’). Hij zelf was toen overigens net overleden. Zijn weduwe Apolonia van der Kruyk zette het bedrijf voort. Na haar overlijden in 1768 nam haar haar zoon Leendert het over. Er waren toen nog zes koeien.
Deze Leendert Oosterlee junior trouwde na de dood van zijn moeder met Gerritje Bugten, een boerendochter uit Kethel. Na zes jaar huwelijk was hij overigens al overleden. Gerritje hertrouwde in 1775 met de weduwnaar Antonij Koppert van de Vlamingstraat. Hij ging haar met de koeien bijstaan.
 
Kwakkelende melknegotie
Johannes of Jan de Kok overleed in 1824. Zijn weduwe, Maria van Bergen Henegouwen, hield na zijn dood de zaak nog lang draaiende, maar deed het bedrijf tenslotte over aan melkboer Gerrit Mens. Die zag er echter na de dood van zijn vrouw in 1842 geen gat meer in en moest het te koop zetten. Het werd in de krant aangeboden als De Drie Klaveren aan het Rietveld, ‘waarin de melknegotie met het beste gevolg wordt uitgeoefend’. De veiling had plaats in koffiehuis Van Rijn op de Markt. Jan de Kok bleef berooid achter en moest verder als sjouwer zijn brood verdienen.
Volgens de advertentie had de boerderij een stalling voor twaalf koebeesten, schuren en een tuin. Koper werd een boer uit Akkersdijk, die het verhuurde aan zijn schoonzoon Peter Tetteroo. Hij bleek geen blijvertje. In de magere jaren '40 van de 19e eeuw wisselde het bedrijf om de paar jaar van pachter.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
De door het kadaster opgetekende situaties in 1832, ca. 1880 en rond 1912. Bij de rode pijl (kaartje 1832) is de brede ingang naar het erf.
 
Boerderijengrossier Lugtigheid
Uiteindelijk werd het in 1851 voor duizend gulden verkocht aan Phillipus Lugtigheid, die in de goed lopende Delftse veehandel van de 19e eeuw een grote rol speelde. Hij bezat meerdere boerderijen in de stad. Na de aankoop liet hij de gevel vernieuwen door aannemer Theo Kloeg. Later kocht hij ook een pand ernaast en een stal van bouwman (boer) Van Alphen, die werkte ter hoogte van het huidig Rietveld 111. Ook Lugtigheid ging het bedrijf verpachten. Zelf woonde hij aan het Vrouwenrecht en handelde in grote hoeveelheden vee, die hij in verschillende stallen onderbracht. Toen zijn zoon Cornelis in 1868 ging trouwen, kon hij als pachter van zijn ouders op het Rietveld gaan boeren. Daarbij huurde hij tevens 13 bunder (ha) grasland in Biesland uit het familiebezit voor zijn koeien. Zijn eerste melkmeid werd Jannetje Koreneef uit Pijnacker. Er zouden er nog velen volgen.
 
Verbouwingen
Omstreeks 1875 is de boerderij grondig verbouwd. Daarbij werd het eigendom voor het kadaster gesplitst in een stal en twee woonhuizen. Eerder al had hij in 1871 in de wagenschuur naast het huis een fornuis geplaatst voor het bereiden van veevoer.
Nadat Cornelis in 1883 de boerderij van zijn ouders geërfd had, kocht hij achter zijn bedrijf nog een stuk grond erbij van aannemer G. Bruigom in de Houthaak. Het doel was: uitbreiden. Er kwam een nieuwe stal met ruimte voor maar liefst 44 koeien aan een bestrate binnenplaats. In een poort aan het Rietveld – nr. 145 -- naast de boerderij was in een oude stal bovendien nog ruimte voor zes dieren.
Samen met zijn vader had Cornelis ook een stal in de Broerhuisstraat waar zij vergunning hadden om buiten op straat de koeien te wassen om op de nabij gelegen Beestenmarkt te pronk (en te koop) te kunnen zetten.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
De boerderij werd drie keer te koop aangeboden in de Delftsche Courant. Eerste keer in 1845, tweede keer in 1895 (met Deense kelder) en ten slotte in 1912.
 
Deense kelder
In mei 1895, toen het inmiddels bijzonder slecht ging met de landbouwopbrengsten, bracht Cornelis Lugtigheid zijn boerderij Rietveld 145 t/m 149 in veiling. De omschrijving luidde toen: 'een bouwmanswoning met Deense kelder, melkhuis, karnmolen, paardenstal met ruime inrijpoort'. De 'Deense kelder' wil zeggen dat het bedrijf naar de modernste inzichten was ingericht voor het maken van boter. Er waren grote koelbakken waarin koperen vaten met melk in water koel konden worden neergezet om zo de melk af te romen. Dat koelsysteem was afgekeken van de Deense concurrentie.
 
Varkensboer en steenkolenhandel
De biedingen op de boerderij vielen Lugtigheid kennelijk tegen, want de boerderij werd pas twee jaar later onderhands verkocht. Daarbij werden de boerderij met stal, binnenplaats en poort afgesplitst van het huis Rietveld 149. De boerderij enz. (Rietveld 145 en 147) verkocht hij aan Martinus Struijk, die de stal vol zette met varkens. Op zijn beurt verkocht deze in 1912 het bedrijf aan steenkolenhandelaar Pieter Leendert van Seuren (die er ook ging wonen). Hij verbouwde de stal tot pakhuis. Het huidige huis en pakhuis/garage Rietveld 147 oogt vanaf de straat alsof het rond die tijd geheel nieuw is gebouwd, al kan dat deels gebeurd zijn op oude fundamenten. Het pand bleef tot 1968 in de familie tot zijn erfgename Wilhelmina van Seuren het verkocht.
 
Melkwinkel met opkamer gesloopt
Het pand ernaast verkocht Cornelis Lugtigheid in 1909. Daarin zat tot dan toe, blijkens de verkoopadvertentie in de Delftsche Courant nog steeds een melkwinkel, die de eigenaar verhuurde voor vijf gulden per week. Het moet net als Rietveld 147 een voormalig boerenbedrijf zijn geweest, met een opkamer aan de straat boven een waterdichte melkkelder. Het vroegere melkhuis was inmiddels de werkplaats van een slager. De vroegere (stenen) karnmolen op de plaats was nu als schuur in gebruik. De nieuwe eigenaar P.J. Loomans kreeg 22 juni 1909 vergunning om op die plek de bestaande bebouwing grotendeels af te breken en er - een paar jaar eerder dan op Rietveld 147 - een nieuw huis te bouwen met gebruikmaking van twee oude muren van 16 cm dik'. (Zie hiervoor verder het verhaal van Rietveld 147 A en 149)
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Kaart Figuratief met de tuin van legerkapitein Isaäc de Vigni. De stadsplattegrond van Blaue (1649). En een recente luchtfoto van de situatie. (Gemeente Delft).
 
Restant van chique oord aan Vlamingstraat
Textielverver Bobineau uit het begin van dit verhaal was een gevluchte Hugenoot. Hij was zoals gezegd tot 1727 de eigenaar van de percelen, waar nu Rietveld 147 staat. Hij kocht het terrein met de opstallen ooit in 1692 voor zijn bedrijf. De verkoopster was Susanna Venatti, die getrouwd was met een kapitein uit het leger van de Koning van Groot-Brittannië (onze stadhouder Willem III).
Sinds 1656 was het bezit geweest van haar grootouders, de legerkapitein Isaac De Vigni en Johanna Perponcher. Zij woonden aan de noordzijde van de Vlamingstraat, ter hoogte van de huidige nrs. 64 en 66, bij de (inmiddels verdwenen) Brandpoort. Achter dat huis reikte een grote tuin tot aan het Rietveld, waarin een stal en koetshuis stonden, met ten westen daarvan nog een woning aan het Rietveld. Verder hoorde er nog een huisje in de Brandpoort bij het complex dat de gevluchte Hugenoot Bobineau aankocht.
 
Kees van der Wiel
 
nadere informatie over Rietveld 147
laatste wijziging 28-01-2014