Trompetstraat 95
Nu één huis, vroeger drie kleine woninkjes  
   
Trompetstraat 95 is een woonhuis aan het eind van de zuidzijde van de straat. Het heeft een vloeroppervlak van 107 vierkante meter en is in 1980 ontstaan uit een samenvoeging van een uit 1935 daterend pakhuis met bovenwoning (nrs 93-95) en de herbouw van het naastgelegen pakhuis/zuivelmagazijn (nr 89) van Adrianus Buitendijk. De pakhuizen verrezen op de plaats van drie huisjes die kort na 1832 waren gebouwd op destijds kale grond, door het Kadaster beschreven als “tuin, eerste klasse”. Dat is “warmoesiersland” waar groenten “met zorgvuldigheid worden geteeld”. Verder terug in de tijd hebben er altijd wel woninkjes gestaan. Voor 1650 twee, later moeten het er weer drie zijn geweest. Die hebben er misschien wel tot rond 1800 gestaan. In de 18e eeuw ging het met de economie niet goed. Door de sterk teruglopende bevolking bleken veel woningen steeds slechter verhuurbaar. Dus stonden ze leeg, maar dat was duur. Om er geen belasting voor te hoeven betalen, werden veel huisjes afgebroken. In de Trompetstraat van die tijd was er veel terrein onbebouwd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Trompetstraat 95

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Uit 1935, ontwerp voor de voorgevel.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Geel ingekleurd en rood omlijnd, de percelen, die bij Trompetstraat 95 horen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Foto uit 1910. Links de oude huisjes, die rond 1832 werden gebouwd. ©Erik Prins, Delft-collectie.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Stadsvest met molen en Koepoort, ter hoogte van de Trompetstraat. Prent Hendrik Thier, 1758. (coll. Archief Delft)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Waterstokerij Van der Lingen was in de Trompetstraat gevestigd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De waterstokerij te koop (R’dams Nieuwsblad 1909-02-04)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De plattegrond van een klein huisje in 1904.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg, 1580 is de Trompetstraat ook al ingetekend. Een oud straatje.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Kaart Figuratief, ca. 1675. Trompetstraat als zijstraat van de Oosterstraat, tussen Koepoort en molen Piccardt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Du Flo, zelf weduwnaar, trouwt in 1651 met Elisabeth Sneet (detail uit Trouwboek, Archief Delft)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De Nieuwe Langendijk met een gracht. Hier woonden Jonker Arent, Emanuel de Witte en Michiel van Mierevelt (Foto uit ‘Delft rond de eeuwwisseling’)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De aan de Vlamingstraat wonende fotograaf Peter Odijk maakte in 1930 een somber plaatje van de Trompetstraat. (Coll. Archief Delft)

1960. Foto gemaakt door Coca Cola, vanwege een vergunningaanvraag voor reclame. Het reclamebordje zit links naast de deur.

 
Straatnamen
De naam ‘Trompetstraat’ zien we voor het eerst vermeld in 1667 in de stadsbeschrijving van Delft door Van Bleyswijck. De naam zou afkomstig zijn van een (leger-)trompetter die op de hoek van de straat achter de kerk woonde. Hij had een uithangbord met dat instrument aan de gevel: een teken waar iemand ‘uithangt’, dat ook voor ongeletterden herkenbaar is. Hij zou Cornelis Jacobsen geweest kunnen zijn, want die was trompetter (en ‘varentgesel’) en woonde in de Ursulenstraat toen hij, op 18 apr 1604 trouwde met ene Lysbeth Hendricx, jongedochter, ook afkomstig uit de Ursulenstraat. ‘De Trompet’ was omstreeks 1600 ook de huisnaam van een kroegje aldaar, waar ene Jan Jansz de waard was. Rond 1800 luidde de spotnaam: Muzieksteeg. Officieel stond het straatje vanaf 1524 tot ver in de negentiende eeuw bekend als Sint Ursulenstraat, naar de patroonheilige van de Nieuwe Kerk. Een andere benaming in de middeleeuwen was Varkensteeg.
In de loop der jaren is de nummering in de straat nogal eens gewijzigd door afbraak en nieuwbouw. Trompetstraat (89 t/m) 95 had in 1904 nog de huisnummers 71, 73 en 75. Aan het begin van de 19e eeuw was het hier wijk 4-333 en tegen het einde werd het wijk 6 nr. 75.
Zo’n vijftig jaar geleden was de straat een echte arbeidersbuurt, met een voorwalser, stoffeerder, een stoker bij de TH, metaaldraaier, lompenkoopman Werderman en fabrieksarbeiders genaamd Zwartjens. Teunis van der Lingen had er een waterstokerij. Daar kon men heet water halen. Hij verkocht ook zeepartikelen en had in 1949 een kuiperij.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Rood omlijnd het onbebouwde perceel 813, waar kleine huisjes werden gebouwd. (Ca. 1832) Perceel 3599 zonder tuin, omstreeks 1884. De tuin hoort bij de Nieuwe Langendijk. De situatie in 1923 is onduidelijk. Het rechter pand (C 3599) is groter geworden.
 
Woningonderzoek
De rond 1832 gebouwde huisjes hadden met de grond erachter meegerekend elk 18 vierkante meter oppervlak. De meeste arbeiderswoningen deden het in de negentiende eeuw met minder dan 20 vierkante meter en hadden gemiddeld drie bewoners.
De drie huisjes werden bij de openbare verkoping in 1883 beschreven als elk bevattende een vertrek met stookplaats en bedstee, alsmede een kelder en zolder, met gemeenschappelijk gebruik van een waterput (50 jaar na de eerste cholera-epidemie). Bij de afslag in het venduhuis werden er bedragen tussen de 420 en 450 gulden voor betaald. In 1904 zijn deze eenkamerwoningen, toen eigendom van bakker Elderhorst jr, in detail geïnspecteerd en beschreven bij een woningonderzoek door de Gezondheidscommissie.
Toen was er al wel aansluiting op de waterleiding, maar ideaal wonen was het niet. Er was in huis geen gelegenheid huishoudwater te lozen. De pannendaken waren niet beschoten. Het privaat (de plee) stond op meters afstand van de woning. Verder was er sprake van wandgedierte en een stinkende goot. Op een plek waar nu een gezin met twee kinderen woont, woonden in 1904 achttien personen. Waarschijnlijk zijn de huizen rond 1930 onbewoonbaar verklaard. Dat gebeurde bij meer huisjes in de straat. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw groeide de bemoeienis van de overheid met de volkshuisvesting. Toen de markt geen oplossing bood nam de druk toe van bijvoorbeeld de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op de overheid om de schrijnende situatie te verbeteren. Dit vond uiteindelijk zijn beslag in de baanbrekende Woningwet van 1901 die ook de aanleiding was voor grootscheeps woningonderzoek in Delft.
 
Afbraak en wederopbouw
De oudste gegevens van het kadaster, verzameld tussen 1820 en 1830, vermelden metselaar Jacobus van der Laan als eigenaar van het toen grotendeels onbebouwde terrein. Het was dus in gebruik als moestuin, en strekte zich uit van de Trompetstraat tot Jacobus’ huis aan de Nieuwe Langendijk. Jacobus’ oudere broer Gerardus, eveneens metselaar, bezat belendende percelen.
Jacobus van der Laan woonde zelf aan de Nieuwe Langendijk en overleed in 1830 op 34-jarige leeftijd. Net als de volgende eigenaar/bewoner, houtdraaier Bartholomeus van Zoen, had hij zijn voordeur aan de Nieuwe Langendijk en niet in de Trompetstraat. Van Zoen begon hier in het straatje achter zijn huis de wederopbouw en liet er vijf huisjes neerzetten. Deze zijn later onder zijn dochters Elisabeth en Helena verdeeld. Drie ervan werden de basis voor Trompetstraat 95.
 
Stadsvernieuwing langs de Oostvest
Ook de omgeving krijgt in de negentiende eeuw een ander aanzien. De Nieuwe Langendijk was begin negentiende eeuw nog niet de verkeersader die het later zou worden door de bouw van de Koepoortbrug en de stadsuitbreiding. Het was een betrekkelijk achterafgrachtje, dat eindigde bij de molen ‘Zeldenrust’ of ‘Piccardt’ op de stadswal. De stadswal was een prima plek om molens op te plaatsen: hoog om goed wind te vangen en op veilige afstand van huizen bij brand door blikseminslag. De molen stond waar nu de Koepoortbrug ligt. De route “stad in” liep in die tijd via de Koepoort en de Vlamingstraat. De Koepoort was de kleinste Delftse stadspoort, de toegang aan de oostzijde van de stad. De Vlamingstraat bleef de route naar de binnenstad, ook toen in 1861 de poort gesloopt werd en de stadswallen afgegraven werden. De volgende grote verandering kwam in 1893: de stadsgracht (die buiten de vest om de stad heen lag) werd verbreed tot het Rijn-Schiekanaal. De oude Koepoortbrug werd gesloopt, en op dezelfde plaats kwam er een nieuwe. Hij verhuisde pas rond 1936 naar het einde van de Nieuwe Langendijk. De gracht van de Nieuwe Langendijk werd gedempt om het verkeer naar de Markt ruim baan te geven.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Du Flo kreeg hulp van de Kamer van Charitate. Hier getekend door Abraham Rademaker, 1730. (Coll. Archief Delft). Emanuel de Witte werd beroemd met kerkinterieurs. Hier een detail van de Oude Kerk Delft , ca. 1650. (Coll. Metropolitan Museum of Art, New York.) Aegje van Zuilen verdiende haar kost met spinnen. Dit is een prent van Geertruydt Roghman, ca. 1650. (Coll. Museum Boijmans)
 
Bewoners
In de negentiende en twintigste eeuw waren de genoemde panden (nu Trompetstraat 95) vaak eigendom van middenstanders: van een broodbakker, een vleeshouwer, timmerman, melkslijter. Adrianus Buitendijk was grondwerker en woonde er vanaf 1929. Zijn zoon Gilles nam in dat jaar de melkzaak van Breedveld over en had op nummer 89 een zuivelmagazijn. De dagwinkel was op nr 95 met direct erachter een kleine keuken en een spoelruimte voor de melkbussen. Op nr 93 was een pakhuis doorlopend naar de stalling voor het paard. In het pakhuis werd de wagen gestald.
De eigenaren van de 17e eeuwse huisjes die er stonden, woonden er over het algemeen niet zelf maar verhuurden ze aan werknemers. Dat leverde een gemêleerde bevolking op. De huurders waren koopmansbediende, pakhuisknecht, naaister, werkman aan ’s Rijks magazijnen, klederbleekersknecht, kuiper, brandersknecht (die met een brandijzer tonnen, vaten e.d. merkt), lakenwerker, kleermaker, bezemmaker.
Voor 1650 waren er kleurrijke types eigenaar, zoals Groene Griet en Anna Papen. Hun huurders zijn bekend uit het Haardstedenregister van 1600 als “cleermaecker Mathijs Romen, huyrt van Groene Gryet”, en “Aeltgen Jacobs huyrt van Anna Papen”. Verder terug in de tijd weten we, van het belastingregister voor de Tiende Penning uit 1543, dat aan de zuidzijde van de St Ursulenstraat ene Stoffel 4 schellingen voor zijn huisje moest betalen. Enkele huizen terug in de straat was: “Een leech huys, ende hoert [behoort aan] Claas Coster”. Van de buren tussen Stoffel en Claas, Heyndrick Heyndricxzn, Ouwe Neel en Liedewij, staat vermeld dat zij “een blanck te weeck” betaalden; dat is zes duiten (er gingen acht duiten in een stuiver). Om de hoek, “an de suytsyde van de Vest” (nu Oosterstraat 15-23) woonden “seer arme luijden”.
 
Groot huis aan de Nieuwe Langendijk
In deze buurt met kleine huisjes, alle met één stookplaats, stond in die tijd op de noordzijde van de Nieuwe Langendijck een groot pand met vijf haardsteden. Hier woonde Joncker Arent van Reijnoij, een rijke man. “An de Vest” (nu Oosterstraat) bezat hij nog “een cleijn huijsge wert bewoont pro deo”. Deze Joncker Arent was amateurschilder en in 1613 lid van het St Lucasgilde. Hij is op 2 juni 1624 in Delft “met zijn huijsvrou” begraven. Mogelijk zijn beiden overleden aan de builenpest die in 1624/1625 woedde. Op 10 juli 1624 meldt David Beck in zijn dagboek dat het in Delft “op dien tijd al vrij begon te sterven an de peste”. Er zouden 4.000 mensen, een vijfde van de Delftse bevolking, aan de pest overlijden, soms 400 in één week.
Aan de Nieuwe Langendijk woonde ook de schilder Emanuel de Witte (1617-1692). In een ander pand, een van de aanzienlijkste huizen in die buurt (met vier haardsteden) begon de portretschilder Michiel Jansz van Mierevelt (1566-1641) zijn carrière. Het Prinsenhof wijdde in 2011 een overzichtstentoonstelling aan hem. Later woonde hij in ‘De Gekroonde Neteldoeck’ (nu Markt 27) en daarna had hij zijn portretfabriek in een groot atelier ‘Het wapen van Spanje’ (nu Oude Delft 71).
 
Kettingpapper
Terug naar de St Ursulenstraat. Rond 1650 had Guiliaem du Flo in een van de vroegere pandjes, voorgangers van Trompetstraat 95, zijn domicilie. Guillaume trouwde in 1651 in de Franse kerk met een Delftse weduwe, Elisabeth Sneet, en overleed in 1658. Veel 'Vlaamse' textielimmigranten kwamen uit het grensgebied van wat nu Noord-Frankrijk is. Velen van hen kerkten bij de Waals-Hervormde gemeente. Hij was niet de eerste Vlaamse immigrant met een Franse naam, die vaak later ‘verhollandst’ is.
Tussen 1576 en 1609 was een derde van de nieuwe poorters van Delft immigrant. Het aandeel van Vlaamse inwijkelingen bedroeg rond 1622 zo’n 4.000 personen. Guillaume was kettingpapper. Kettinggarens op het weefgetouw werden ingesmeerd met een papje van lijm en gom om ze te versterken. Kettinggaren moet grotere weerstand bieden dan inslaggaren. Hij is “in sijn leven van de Camer van Charitate bedijent” blijkens de waarbrief voor de verkoop aan de volgende eigenaar. Wil dat zeggen dat hij op de armenzorg was aangewezen? De Kamer van Charitate was inderdaad een stadsarmenfonds maar zorgde ook voor werkverschaffing. Vanaf 1596 sloot Delft contracten af met Vlaamse saaiwerkers om zich in Delft te komen vestigen, en gebruikte men lokmiddelen (“schoone voordelen ende profyten”), zoals vestigingspremies, gratis woonst en belastingsvermindering.
 
Crebbemeester Taarling
Een latere eigenaar van een van de hier staande huisjes (huisje 3, zie ‘nadere informatie’) was overbuurman Harmannus Taarling (1639-1694). Hij was vermogende vleeshouwer en stichtte in zijn geboortehuis aan de Vlamingstraat 107 en belendende percelen aan de Oosterstraat een verbeterhuis, later geheten De Drie Taarlingen (zie ook Vlamingstraat 107 en Oosterstraat 21-23). Daar moest onder meer een zwager van de schilder Johannes Vermeer zijn leven zien te beteren. Harmannus verkocht vlees in een stal (kraam) in de vleeshal aan de Voldersgracht. Daarnaast was hij crebbemeester van de crebbe (vuilstortplaats) aan de zuidzijde van de Vlamingstraat voor zijn deur, vlakbij de stadswal, en ook nog kwartiermeester van het vijfde stadskwartier. Dat wil zeggen dat hij een belangrijke maatschappelijke taak had bij het administreren van de bevolking van zijn wijk. Hij adviseerde ook de armenzorg en had de inspectie van de blusmiddelen die iedereen in huis moest hebben. En dus ook de zorg had over een ordelijke vuilafvoer in de buurt.
 
Pottenbakkers
Een van de andere huisjes (huisje 1, zie nadere informatie) was eigendom van plateelschilder Elias van der Haeck (geboren 1661). In de marge van het huizenprotocol (een straatsgewijs register van eigendomsrechten en eventuele hypotheeklasten) staat: “is nu een thuijntge en verheelt aan ’t huijsje op folio verso”. Elias groeide op aan het Oosteinde en trouwde in 1683 met Annetge Bonser. Haar vader, Cornelis Jansz Bonser, had een pottenbakkerij genaamd de ‘Drie Tuytpotten’ achter zijn huis aan het einde van de Nieuwe Langendijk. Daar was Annetge geboren. Het huisje waar Elias en Annetge woonden grensde aan het bezit van haar vader.
Cornelis Jansz had de ‘Drie Tuytpotten’ in 1661 gekocht van zijn oom Jacob Pietersz Bonser, die hoofdman was van het pottenbakkersgilde. Toen Cornelis failliet ging kocht zijn neef meester-pottenbakker Barent Bonsert de opstallen van de ‘Drie Tuytpotten’. Barent overleed in 1707 in de leeftijd van dertig jaar en werd begraven in de Nieuwe Kerk, uitgeleide gedaan door twaalf dragers, “uijt de saeijwerckers busse”: een ziekte- en begrafenisverzekering, oorspronkelijk opgezet door wevers van het saaiwerk, maar al snel toegankelijk voor alle beroepen. De boedelinventaris, opgemaakt voor notaris C. van der Sleyden, beschrijft van ‘voorhuijs’ tot ‘agterkeucken’ de nalatenschap, waaronder ongeveer dertig schilderijen. Alles genoteerd op ruim 20 bladzijden. De huisjes in de Trompetstraat worden op ƒ150 geschat.
 
De erven-Coster
In 1707 bezat Anna Emonts Coster alle drie de huisjes aan de Trompetstraat. In de achttiende eeuw blijven ze steeds in een hand. Over het derde huisje vanaf de hoek staat in de transportakte uit 1705: “een huijsge ende erve altans sijnde maer een ope erff alsoo het huijsge is affgebroocken”. Anna sterft jong, in 1710. Haar weduwnaar, Gerrit Harmense Weggelaar, trouwt nog twee keer. Over Gerrits derde weduwe, Cathrina Jans Molet (ook: Bolet), die zelf in een van de huisjes woonde, vermeldt een belastingregister uit 1749: “leeft van haar goed”. Buurvrouw Aegje van Zuilen en haar twee dochters moesten werken voor de kost: “Een spind met de moeder op ’t Kleijn Wiel En de andere gaat uit Naeijen, trekt van ’t Chariteithuis”. Cathrina Jans overleed op 87-jarige leeftijd in het Proveniershuijs.
 
Herberg ‘Het Veldzigt’
Anna Costers zoon, Harmanus Weggelaar, erfde de huisjes en woonde er ook. Hij trouwde met Belia Laveij, maar sterft jong. Een jaar later, in 1737, koopt Belia’s tweede man, Frans Duijst, het huis ernaast op de hoek met de Oosterstraat, eveneens uit de nalatenschap van schoonmoeder Anna Coster. Het wordt omschreven als “huis en erf zijnde een Herberge, wordende in 2 parthijen bewoont”. De herberg, vanouds ‘Het Veldzigt’ genaamd (kennelijk naar het uitzicht op de weilanden achter de vest), blijft nog decennia lang in de familie en is later ‘’s Lands welvaaren’ en daarna ‘De Groene jager’ gaan heten. In 1786 koopt Michiel Knol de herberg. Na diens ondercuratelestelling in 1775 en een insolventverklaring in 1779 verbaast het niet dat al na drie maanden dit café van eigenaar wisselt. De herberg heeft zijn voortbestaan nog gerekt tot in de tijd van de Bataafse Republiek.
 
Wim van Veen
 
nadere informatie over Trompetstraat 95
laatste wijziging 23-11-2013