Vlamingstraat 51
en Trompetstraat 36B en 38; 40-44
www.achterdegevelsvandelft.nl
Stadsboerderij met een melkwinkel in de Trompetstraat. NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Vlamingstraat 51 en de achterliggende panden Trompetstraat 36-40 maakten vroeger deel uit van een stadsboerderij met woonhuis, stallen en kleine arbeiderswoninkjes. Het terrein was samengesteld uit verschillende percelen, die in de loop van de tijd waren samengevoegd,  weer van elkaar werden gescheiden en vervolgens weer van één eigenaar werden. Het huidige huis Vlamingstraat 51 werd in 1879 nieuw gebouwd. In het pand Trompetstraat 40 bleef nog lang een melkwinkel gevestigd.
De Trompetstraat werd in 1667 nog aangeduid als Sint-Ursulastraat, vernoemd naar de Nieuwe Kerk die Sint-Ursulakerk heette. De straat begint pal achter de kerk. Wiki Delft noemt stadsbeschrijver Van Bleyswyck als de bron voor de naam ’Trompetstraat’.  Op de hoek van de straat zou de stadstrompetter hebben gewoond. Als uithangbord had hij een afbeelding  van een trompet.  Uit onderzoek in het Archief Delft bleek dat er inderdaad zo iemand woonde. Hij heette Cornelis Jacobsz en was ook zeeman (geweest).


Trompetstraat werd vernoemd naar stadstrompetter

Slager die zijn zaak overschatte
In 1601 kocht vleeshouwer Steven Rijckens. zijn eerste huisje in de St.Urselenstraat. Kort daarop kocht hij nog twee huisjes ernaast en in 1603 de helft van een huis aan de Vlamingstraat. Hij was in 1596 getrouwd met Dieuwertgen Claes, die op de Vlamingstraat was opgegroeid.
Steven  was een ondernemende slager, zo blijkt. Hij kreeg op 12 maart 1606 consent om op zijn huis aan de Vlamingstraat een korenwindmolen te stellen, mits er geen klachten over kwamen. Die molen is waarschijnlijk nooit gebouwd, want hij vroeg en kreeg op 9 oktober 1606 toestemming om op de Rietveldse Toren een korenmolen te bouwen. Die molen zal er wel gekomen zijn, want op een kaart uit 1611 is op deze plek een houten standerdmolen te zien. Maar lang duurde de pret niet.


Vleeshouwer Steven Rijckens mocht op de Rietveldse waltoren
een korenmolen bouwen. Het werd geen succes.

Zakelijk ging het de vleeshouwer niet voor ‘de wind’. Op 1 januari 1610 moest zijn boedel door de curator Jan Molijn verkocht worden. Hij stierf in 1625 in De Trapmolen. Dat was de naam van een huis aan de Oude Langendijk, vernoemd naar de eigenaar, die Jacob Jacobsz, Trapmolen heette. Het stond naast het woonhuis, waar later Johannes Vermeer inwoonde bij zijn schoonmoeder en er zijn wereldberoemde schilderijen maakte. Op deze plek staat nu de Maria van Jessekerk. In de 17e eeuw stonden hier woonhuizen, waar op de zolder een katholieke schuilkerk (ook wel Jezuïetenkerk) was ingericht. Katholieken mochten in die tijd hun geloof niet openbaar belijden.


Rijckens. ging failliet en verhuisde naar de Oude Langendijk. Op de zolders van deze huizen was een katholieke schuilkerk. Nu staat hier de Maria van Jessekerk. Prent Abraham Rademaker, 18e eeuw.

Delftse Donderslag in de Vlamingstraat
In 1620 werd Dirck Aelbrechtsz Mol de nieuwe eigenaar van de percelen tussen Vlamingstraat en Trompetstraat. Dirck kwam van het Rietveld en was in 1609 getrouwd met Pietertgen Jansdr. Hij verdiende de kost als spekman/vettewarier; zijn handel bestond uit spek, boter, olie en smeer. Een vettewarier was een winkelier die op kleine schaal levensmiddelen verkocht. Dirck stierf in 1643.  Elf jaar later (1654) kreeg zijn weduwe te maken met de buskruitontploffing op de Paardenmarkt, waarbij meer dan twee honderd huizen werden verwoest en een groot aantal slachtoffers te betreuren viel. Ook op de Vlamingstraat was er flink wat schade. Bij Pietertgen werd die geschat op 200 gulden. Zij ontving echter, net zoals vele anderen, maar 80 gulden om de boel te herstellen.


De weduwe Mol ontving 80 gulden schadevergoeding na de buskruitontploffing.

Een kennis van Johannes Vermeer
Na haar dood werden de percelen ‘als handels-object’ enkele malen doorverkocht. Een van kopers was Beatricx Jans, de weduwe van vleeshouwer Pieter Theuniszn Schilperoort. Deze familie woonde ernaast op nummer 53 en was ook eigenaar van de panden Vlamingstraat 39 en 41. Beatricx wordt genoemd in het boek ‘Het straatje van Vermeeer’ van Frans Grijzenhout (waarin hij verklaart waarom de locatie van Het straatje bij de adressen Vlamingstraat 40/42 moet worden gezocht).
Zij zou mogelijk familie van Vermeers oom Jan Heymens van der Houve zijn geweest.
Volgens Grijzenhout zal Vermeer haar  …..“mogelijk goed genoeg hebben gekend om haar te vragen of hij eventueel vanuit het voorhuis van Vlamingstraat 39, dat door Beatricx Jans werd verhuurd, rustig de huizen aan de overkant mocht bestuderen”. Zo zou Vermeer zijn inspiratie hebben opgedaan voor het schilderen van ‘Het straatje’.

Braun en Hogenberg 1575, detail. Met hooibergen, koeien, de Koepoort en een hoog opgebouwde Rietveldse Toren.

Vogelvlucht van Blaeu, 1649. Ongeveer bij de pijl moet Vlamingstraat 51 zijn.

Kaart Figuratief 1675.
Andere bebouwing dan op de andere kaarten. Vermoedelijk
ter hoogte van de streep de stadsboerderijen.


Vlamingstraat 51, zuidzijde gracht


Trompetstraat 36 was ook deels stadsboerderij


Trompetstraat 38: complete nieuwbouw


Trompetstraat 40: oud huisje opgeknapt


De Trompetstraat rond 1900. (Coll. A Prins)


1961. Ergens rechts de waterstokerij van Van der Lingen. Het karakter van de Trompetstraat verandert weinig. (Coll. Archief Delft)


Trompetstraat in 2014, ‘streetview’. Modern geworden, maar er zijn nog altijd kleine huisjes.

 

Splitsing 
In 1719 werd het oostelijke deel van het huis Vlamingstraat 51 apart verkocht. De twee huizen in de Trompetstraat werden in 1734 door de bewoners (huurders) gekocht. Maria Langepée kocht het ene voor ƒ 115 en boer Pieter van der Bijl het andere voor ƒ 110. En Pieter kocht na het overlijden van Maria Langepée ook haar huis.
Hij was al eigenaar van het ernaast gelegen westelijk deel, met de koeienstal erachter. Hierin had hij in 1749 acht melkkoeien staan, die overigens eigendom waren van textielhandelaar Chrispinus Knol (zie Brabantse Turfmarkt 76).

Veepestslachtoffer
Of Pieter zelf ooit koeien in zijn bezit gehad heeft is niet bekend, wel dat hij al eerder als boer weidegrond pachtte. Mogelijk kreeg hij ook te maken met koeienziektes, die in de 18e eeuw voorkwamen. In de jaren 1745-1749 heerste er een zeer heftige epidemie van rundveepest, waarbij veel boeren soms meerdere malen achter elkaar al hun vee kwijt raakten. Het ging om een virusziekte die vooral de ademhalingswegen en de spijsverteringsorganen van de dieren aantastte, bijna altijd met dodelijke afloop. Werd een boerenbedrijf getroffen door deze epidemie, dan was het bijna onmogelijk voor de boer om nieuwe gezonde koeien te kopen. Kostte een koe doorgaans nog geen ƒ 100, in perioden van de veepest kon de prijs van een ‘gebeterde’ koe wel oplopen tot ƒ 300. Voor zijn huis in de Trompetstraat had Van der Bijl in 1734 ƒ 110 betaald. Het kwam in de tijd van de veepest vaker voor dat landeigenaren de pachters te hulp schoten door de aankoop van nieuwe koeien te financieren.  Ook besloten ze wel het vee met land incluis te verhuren om te voorkomen dat ze helemaal geen gebruikers voor hun weilanden konden vinden.

Lees hier meer over de narigheid, waar boeren mee te maken kregen. Het is een stukje uit het dagboek van boer Paulus van der Spek. Kees van der Wiel nam het op in zijn boek ‘Van oude mensen en de dingen die voorbij gingen’ over Huize Christoffel in de Papenstraat (pagina 49-50).

Boerenfamilie Van der Laan
De volgende boeren, die in Vlamingstraat aan de slag gingen, waren de Van der Laanen. Ze hadden aanvankelijk een baas/knechtrelatie met Pieter van der Bijl. Toen ‘arbeijer’ Nicolaas van der Laan en Maria Tetteroo in 1747 trouwden woonden ze al op de Vlamingstraat. Waarschijnlijk huurden zij een deel van het huidige Vlamingstraat 51 van Van der Bijl en hielp Nicolaas hem bij het verzorgen van de koeien. Nadat Van der Bijl in 1760 overleed, kochten zij hun eigen huurwoning plus 'de beide huijzingen en een koestallinge in de Urselenstraat'  (nu Trompetstraat 40 en 38) van de bewoonster Grietje van der Bijl, een zus van Pieter. Voorwaarde was dat de verkoopster, altans oud 79 jaren, haar leven lang gedurende zal blijven behouden de eijgenen vrije bewooninge en het gebruik  van het keukentje daar in de verkoopster althans is huishoudende mitsgaders van het keukentje waar door men na de kleerzolder gaat, niet de kleerzolder daar boven, alles in het verkogte, zonder daar voor enige  huiz off lasten te betalen. Van deze conditie heeft ze nog een aantal jaren kunnen genieten: Grietje werd op 85-jarige leeftijd begraven in de Oude Kerk!

Met de koop van de 'koestallinge' kon Nicolaas, ondertussen vader van vijf kinderen, zijn eigen boerenbedrijf starten. Pas 25 jaar later kocht hij ook het resterende deel van Vlamingstraat 51, het deel aan de grachtkant. Hij was toen weduwnaar en woonde er samen met zijn dochter Marijtje (geboren 1748) en zoon Jan (geboren 1756). Deze beide ongetrouwde kinderen werkten bij hun vader op de boerderij.


Op het weiland links liepen de koeien van boer Van der Laan. Olieverfschilderij van de Tweemolentjesvaart door Johannes Hoppenbrouwers, 1850. (Coll. Museum Prinsenhof)

Bezit breidde zich uit
In de loop der jaren breidde het bezit van de familie Van der Laan zich uit over meerdere aansluitende percelen. De oudste zoon Arij was achter Vlamingstraat 47 en 49 een eigen boerenbedrijf begonnen, het via de poort bereikbare adres ‘wijk 4 nummer 220’, een negentiende eeuws huisnummer dat niet meer bestaat. Met de koop door zoon Jan van de woningen nummers 47 en 49 (zie Vlamingstraat 47 en 49) was de familie in het bezit van drie naast elkaar liggende panden. 

Na de dood van Nicolaas in 1805 erfden Marijtje en Jan: het huis, erf, karnemolen, stalling – levende harf 15 koeien en een paard – bouwgereedschappen: een wagen, een kan, een melkschuit, een praam, een spoelingbak en kuipen, een karnemolen, een staarn, enige emmers en verder boengoed, kopere ketels: twee kopere melkketels, twee dito kookketels, een theeketel, een koffijketel. Zij kregen ieder ook nog ƒ 500 omdat zij: sedert nu al enige jaren---waarneming van de bouwerij hebben bewezen zonder enige vergelding of loon buiten kost en inwoning te hebben genoten.

Het rechter perceel binnen de rode lijn is Vlamingstraat 51. De andere percelen hoorden er soms wel en dan weer niet bij. Kadaster honderd jaar later. Bij de bebouwing is veel veranderd. Historisch GIS-kaartje 1832, waarop is te zien dat nummer 51 in één lijn ligt met de Raamgracht. De situatie in 2004, met nieuwbouw in de Trompetstraat.

Ook melkverkoper
Maria van der Laan, dochter van Arij, trouwde in 1811 met melkverkoper Pieter van Velzen. Zij gingen op het Vrouwenregt wonen. Hier werd op 5 maart 1813 hun eerste kind, Catharina geboren. De geboorteakte is in het Frans opgesteld, het beroep van Pieter: 'Debitant de lait’, ofwel melkverkoper. Nadat tante Marijtje was overleden, verhuisde de familie waarschijnlijk in 1825, naar Vlamingstraat 51. Het hele bezit van de familie Van der Laan kwam, door overerving, rond 1837 in handen van Pieter en Maria. (Alleen Vlamingstraat 47 was al naar andere eigenaren overgegaan, zie Vlamingstraat 47.)
Bij het gezin hoorden ook twee inwonende 'bouwknechten' die Pieter bij het vele werk op de boerderij hielpen. Een van hen, Johannes Vierdag, trouwde met de oudste dochter Catharina van Velzen. Na het overlijden van Van Velzen bleven deze twee, Johannes en Catharina, op de boerderij wonen en zetten het bedrijf voort.  Het overlijden van Maria van der Laan, 15 jaar later, betekende het einde van het familiebezit.

Veel schulden
De inventaris, die na haar dood in 1864 door Notaris B. van Berckel werd opgemaakt, vermeldde dat de totale waarde van de boedel geschat werd op ƒ 4320 (onder meer negen koeien ƒ 1030; zestien koeien ƒ 1900;  drie varkens ƒ 36; paard ƒ 40;  en een partij hooi ter waarde van ƒ 700)
Het vastgoed werd getaxeerd op ƒ 8000. De totale aanwezige waarde kwam daarmee op een bedrag van  ƒ 12.320. Maar de opgetelde schulden waren nog groter: ƒ 12779.

Er moest van alles en nog wat worden betaald:
Phillippus Lugtigheid moest wegens geleverde koeien nog ƒ 9590 krijgen.
Aan huur voor land moest aan Hoogebrugge te Overschie, ƒ 500 worden betaald.
Weilandeigenaar Beek had nog ƒ 232 aan huur te goed.  
A. van Berkel en Zoon te Delft, had wegens geleverde spoeling nog ƒ 260 in zijn boekje staan.                                         
Andere schuldeisers waren C. van Velzen wegens geleend geld, ƒ 115; ‘den rekwirant’ Vierdag wegens ‘ingebragt geld’ ƒ 1000; A. Abbenhuis voor een hypothecaire schuld van ƒ 1000,  en de knecht Van Noord voor ƒ 82 loon.
Van andere nog te betalen rekeningen kon kennelijk het te betalen bedrag nog niet worden vastgesteld, en die stonden dus pro memorie op de schuldenlijst, zoals voor doctor J.J. van Kranendonk voor gedane geneeskundige visites, voor de chirurgijn A. A. Küller  en voor de apotheker Verboom. Lopende rente à 5 percent  ‘sedert den elfden april dezes jaar’ werd ook pro memorie genoteerd.                   
Deze 'waardering' van alle openstaande rekeningen werd opgesteld door Jacob Groen in 't Woud en Pieter Lugtigheid (een  zoon van Philippus). 


Aan het eind van de Vlamingstraat was de Koepoort, waar elk voorjaar vele koeien ‘stad uit’ gingen, naar hun weilanden.


Dit was een gewoon beeld: een heleboel koeien op de gracht. Tekening Kees van der Wiel.

 

 

Lugtigheid: met gesloten beurs
Phillippus Lugtigheid, 'koopman in koeijen’, woonde om de hoek, op het Vrouwenregt. Hij handelde niet alleen in koeien maar ook in stadsboerderijen.
Hij kon het 'vastgoed' van de erven Van Velzen kopen in ruil voor de niet betaalde maar wel geleverde koeien ter waarde van die ƒ 9590. Het bestond uit een huis met koeienstalling, wagenschuur en erf wijk 4 nummer 218 (nu huisnummer 51); een huis en erf wijk 4 nummer 219 (nu huisnummer 49); een huis met schuur en erve wijk 4 nummer 220 (achter de huisnummers 49 en 47, een nu verdwenen adres).  
De woning en boerderij op nummer 49 verhuurde hij aan zijn dochter Adriaantje en haar man Johannes Reinier van Witteloostuijn, bouwman (een boerenzoon van de Verwersdijk).
Vlamingstraat 51 werd door Johannes Vierdag en Catharina van Velzen gehuurd. Hier zetten zij de boerderij, met het vee uit de erfenis van Maria van der Laan, voort. Maar het zat ze niet mee. Halverwege de 19e eeuw hadden veel boeren te kampen met een longziekte onder het rundvee. Om een epidemie te voorkomen moest het vee jaarlijks gecontroleerd worden. Bij Johannes en Catharina werden vijf van de 24 koeien ziek. De getroffen beesten moesten afgemaakt worden. Vierdag kreeg er overigens wel een vergoeding voor, wat eerder in die tijd nog niet gebeurde.

Stinkende moddergoten in Trompetstraat
Het zal duidelijk zijn dat al die koebeesten, die in de winter in de stad op stal stonden, voor een flinke strontlucht in de omgeving zorgden. Maar in de 19e eeuw brak langzamerhand de nieuwe tijd door, met moderne voorzieningen. In 1864 had Philippus Lugtigheid schoon genoeg van de stank in de Trompetstraat en diende hij samen met Johannes Vierdag en Petrus Bender een verzoek in bij de Burgemeester en Wethouders: 'om het riool ook in de Trompetstraat te leggen'. In het belang van 'hunne lokalen der melk bewaring en zuivel bereiding’ daar zij vaak last hadden van 'de bedorven lucht uit de moddergoten (---) zelfs van onreinheden die op een andere plaats te hooren te worden gebragt'. Dat riool zal er niet zijn gekomen, want zelfs honderd jaar later werden er nog steeds poeptonnen opgehaald in de Trompetstraat. Zelf mochten de boeren hun mestschuit niet in de gracht laten liggen. De koeienmest uit de stallen werd verkocht aan de tuinders. De boeren voeren met hun volle mestschuiten door de grachten en het Rijn- Schiekanaal naar de tuinderijen buiten de stad.

Nieuwbouw in Vlamingstraat
In 1879 werden Vlamingstraat 51 en Trompetstraat 40/42 het eigendom van Elisabeth Lugtigheid (ook een dochter van Philippus) en Hendrik Bukman. Zij kregen toestemming het huis aan de Vlamingstraat af te breken en ‘een nieuwe woning daarvoor in de plaats te stellen’. Zelf boerden ze overigens aan de Noordeindseweg in Klein Delfgauw.


In 1864 verkoop van Vlamingstraat 51, 49 en een boerderij opzij en achter nummer 49.


De handtekeningen van Lugtigheid en Vierdag onder een aanvraag voor riolering in de Trompetstraat.


Poeptonnen ophalen in de Trompetstraat in 1932.
Het stopte pas in 1974. (Foto Archief Delft).

Gefortuneerde boeren zoals Hendrik Bukman gingen aan het einde van de 19e eeuw op de
Vlamingstraat,  ‘Het boerenparadijs’, wonen. Rechts Elisabeth Luchtigheid, zijn vrouw.
Zoon Elias Bukman met zijn vrouw Lydia
en hun kinderen.

Het gezin Vierdag verhuisde in dat jaar naar de andere kant van het erf (Trompetstraat 40/42); het boerenbedrijf bleef in hun bezit tot het overlijden van Johannes in 1887. Een jaar later kreeg Bukman toestemming het huis in de Trompetstraat te verbouwen. Er kwam een woonhuis met een voorhuis als melkhandel aan de straat. Hier verkochten de dochter van Vierdag, Johanna, en haar man Johannes Vink zuivelproducten. In 1894 werd volle zoete melk voor 8 cent per liter verkocht. Afgeroomde en gekarnde melk ook voor 8 cent per liter over de toonbank. Zoete - en zure room koste 70 cent per liter.

In 1926 vroeg melkverkoper F.J. Demmenie toestemming om naast melk ook kruidenierswaren te mogen verkopen. Pas drie jaar later kreeg Demmenie toestemming om ‘vleeschwaren, alsmede eet- en drinkwaren’ te verkopen.

Afsplitsing Trompetstraat 40/42
De winkel is later gekocht door de woningbouwvereniging ‘Centraal woning beheer’ en bij het pand Vlamingstraat 55 gevoegd. De huurder was Evert Berkel en hij verkocht er kaas, boter en eieren. Toen dat niet meer lonend was, is hij er samen met zijn vrouw een 2e hands boekhandel ‘De Boekanier’ begonnen. In 1992 werd de het pand (samen met Vlamingstraat 55)  verkocht aan Monika de Waal en Everard Warffemius. Op de plek waar in de 18e eeuw de huisjes van Pieter van der Bijl en Maria Langepée stonden, is nu, na een grondige renovatie het adviseursbureau van Monika gevestigd.

Zussen Elizabeth en Adriaantje werden buren
Nummer 51 werd na de verbouwing verhuurd aan onder anderen de godsdienstonderwijzer Johannes Sijpesteijn en Kapitein Infanterie Jouke Joha, totdat de familie Bukman (Hendrik, zijn vrouw Elizabeth Lugtigheid en hun dochter Dirkje) er in 1886 zelf ging wonen. Ze woonden dus direct naast de zus van Elizabeth, Adriaantje op nummer 49. Zoon Elias Bukman nam, samen met zijn bruid, de boerderij in Delfgauw over. Na het overlijden van haar ouders erfde Dirkje het huis. Zij overleed in 1910, waarna het pand weer enkele malen van eigenaar wisselde.

Laatste verbouwing
De bewoners van nu, Inge Heederik en Cees de Klerk Wolters, kochten het huis begin tachtiger jaren, en daarbij ook Trompetstraat nummer 36B (de oude stal achter 49).
Er volgde een grote verbouwing van het huis in de Vlamingstraat en huisjes in de Trompetstraat werden samengevoegd. Erboven kwam er een woning en beneden een bedrijfspand voor hun bloemenhandel.


Advertentie Delftsche Courant, 1894,
van de Delftsche Melkinrichting.
‘Prima onvervalschte melk’.


Onderzoek Gezondheidscommissie bij Trompetstraat 40. In 1904 is er nog geen leidingwater en het privaat (met tonnetje) is 2 meter achter het huis te vinden.

 


De Boekanier in de Trompetstraat verkocht in 1988
niet alleen boeken maar ook 2e hands spulletjes.
(Coll. Archief Delft)


Ernst Jan Douma maakte een aquarel van de Trompetstraat. (Coll. Prinsenhof Museum).

 
Corrie den Hengst  
nadere informatie over Vlamingstaat 51 en Trompetstraat 36B en 38; 40-44  
Geplaatst: 30 maart 2016  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft