Voldersgracht 33 (en Vrouwjuttenland 1) www.achterdegevelsvandelft.nl
Vanouds genaamd De Vergulde Bril NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.
Het pand op de hoek Voldersgracht-Vrouwjuttenland, waar nu een makelaardij is gevestigd, dateert van 1899. Het oorspronkelijke huis op deze plaats stond eeuwenlang bekend als De Vergulde Bril, ook wel De Bril of De Bril bij de Schreibrug. Dit laatste om verwarring te voorkomen met brouwerij De Bril aan de Koornmarkt. De Schreibrug tussen Voldersgracht en Vlamingstraat werd ook wel ‘Brilbrug’ genoemd, naar het oorspronkelijke huis. Waarschijnlijk dateerde De Bril van kort na de stadsbrand van 1536. Het moet een groot pand geweest zijn. Volgens het haardstedenregister van 1600 had De Bril vier stookplaatsen en een ‘forneys’ (er woonde toen een goudsmid). Het had ook de hoogste belastingaanslag van de buurt: 128 gulden in 1632, neerkomend op een getaxeerde huurwaarde van 1024 gulden per jaar.


Het oude pand dat hier voor 1899 heeft gestaan. Foto Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

Huisnaam De Bril
De oudst bekende vermelding van de huisnaam is te vinden in een testament van Barbara Bruijnen uit 1582. Zij woonde toen echter al een jaar of veertig in De Bril blijkt uit diverse belastingregisters sinds 1543. Barbara en haar man, Jacob Dircxz Walichsz, zijn dan ook de oudst bekende eigenaren en bewoners van dit huis. Zij waren lid van De Zoete Naam Jezus, een broederschap waarin “die ghesellen van den rethorijcke” een belangrijke plaats innamen.
In 1561 verhuurde Barbara, inmiddels weduwe, een vijftal huizen in de buurt. Waarschijnlijk voor opslag van handelswaar gebruikte Barbara Bruijnen de zolder van de belendende twee huizen op de Voldersgracht. In Leiden bezat zij een huis in de Kercstrate, genaamd ’t Vosken, naar haar mans familienaam Vosch.

Nieuw Pestilencie Gasthuys
In 1557 werd Delft getroffen door de vermoedelijk heftigste pestepidemie uit haar geschiedenis, die zeker vijfduizend van de 15 tot 20.000 inwoners het leven kostte. De weerstand tegen de ziekte was ernstig ondermijnd door een daaraan voorafgaande hongersnood. De epidemie bracht enorme chaos. De armen vochten om een doodskist, zoals ze het jaar ervoor vochten om een brood, schreef stadsarts Pieter van Foreest, die door het stadsbestuur uit Alkmaar naar Delft was gehaald om het drama het hoofd te bieden. Het gasthuis aan de Koornmarkt kon de toeloop aan zieken niet meer aan. Daarom zocht men een plek om een apart pesthuis in te richten. De bisschop van Utrecht bleek bereid het nagenoeg leegstaande Maria Magdalena klooster aan de Verwersdijk over te dragen om er ’t nieuwe pestilencie gasthuys’ (Nieuwe Gasthuis) van te maken. Dat verliep niet zonder problemen. De pastoor van de Oude Kerk weigerde er aanvankelijk stervenden te bedienen en er rezen “groete abusen, ongeregeltheyt ende excessen” onder de daar ondergebrachte zieken en hun familie.
Jacob Dircxz Walichsz werd destijds regent van dit pesthuis en zijn vrouw Barbara Bruijnen in 1560 ‘moeder’ aldaar, en ook hun zoon Bruijn (Bruno) werd in 1583 daar regent.


De restanten van het Magdalenaklooster aan de Verwersdijk dat in 1557 als pesthuis in gebruik werd genomen en in 1957 afgebroken.

Met Pieter van Foreest moet het echtpaar goed contact hebben onderhouden. Toen in 1577 zoon Bruijn en diens echtgenote jonkvrouwe Cornelia van Erp (van Arcroy, eertijds non van het in 1572 verwoeste klooster Koningsveld) hun testament lieten opmaken, trad Van Foreest op als getuige.

Hedendaagse hoekpand op de hoek van de
Voldersgracht en Vrouwjuttenland.


Het pand op een luchtfoto uit 2017.


Het pand op de eerste kadasterkaart van circa 1825.


De opmeting door het kadaster van het nieuwe
dubbel pand op de hoek in mei 1900.


Het pand op een luchtfoto uit 1928.

 

Mouter
De volgende eigenaar was Claes Anthonisz van Hodenpijl. Waarschijnlijk was hij verwant aan de heren van de ambachtsheerlijkheid Hodenpijl tussen Schipluiden en Den Hoorn. Van Hodenpijl was korenkoper en mouter: iemand die tarwe, gerst, spelt of haver laat kiemen en daarna drogen om er bier van te brouwen. Hij had korenzolders in de Cromstraetsteech. Aan de Voldersgracht bezat Van Hodenpijl ook een naburig pand (nu nr 29). Hij was veertigraad en schepen van Delft en later rentmeester van Delfshaven toen de Pilgrim Fathers, Engelse geloofspuriteinen, in Delfshaven verbleven, vanwaar ze in 1620 de oversteek naar Amerika begonnen.

Vettewarier
Van Hodenpijl verkocht De Bril aan Dirck Jansz Rotteveel, die er in 1600 woonde toen de belastinggaarder de stookplaatsen kwam tellen. Zijn eerste vrouw, Judith Dassevijle (d'Assouville), was een dochter van een bakker in ‘In den Gulden Berch’ aan de Hippolytusbuurt. Rotteveel zelf was van vele markten thuis: hij was goudsmid, korenkoper, vettewarier (verkoper van vette waren als boter, olie, smeer en kruideniers- en andere huishoudelijke artikelen) en bovendien kwartiermeester. Een kwartiermeester moest de bewoners van zijn wijk administreren en de blusmiddelen inspecteren die iedereen paraat moest hebben.

Gezicht op Delfshaven vanaf de Maas, Fragment van
een gravure van C. Decker ter illustratie van Van
Bleyswijck’s Beschrijvinge van de stad Delft uit 1667.
Keurmeester van het buskruit
Rotteveel stierf in 1632. Leenertge Lenerts, zijn weduwe uit zijn tweede huwelijk, verkocht in 1637 een achterhuisje achter haar huis genaamd De Vergulde Schrijfpen aan de Voldersgracht (nu nr 30). In 1639 verkocht zij De Bril en het huis daarachter op de Appelmarkt (Vrouwjuttenland) aan haar schoonzoon Cornelis Jansz Boot, die net met haar dochter Lijsbeth was getrouwd. Zij bleef met haar zoon Jan in De Bril wonen. De laatste stierf in 1668 als bejaerd vrijer in’t Oudenmanhuijs, verderop de gracht.
Cornelis Boot was kaarsenmaker en kuiper in de Molenstraat en weduwnaar met vijf kinderen toen hij met Lijsbeth trouwde. Toen haar moeder stierf verhuisden zij naar De Bril, waar Boot in 1664 overleed. In een getuigenverklaring uit 13 april 1654 voor notaris Ranck wordt Boot vermeld als keurmeester over het buskruit. Dat was een half jaar voor de buskruitramp, die plaatshad op 12 oktober.

Priester-koopman
In 1689 kocht meesterbroodbakker Joris van Santen De Bril. Waarschijnlijk huurde hij het toen al enige tijd van de vorige eigenaar, Hendrick van Schagen, want in 1683 woonde hij reeds op de Voldersgracht toen van hem een jong kind werd begraven. Al in 1691 verkocht Van Santen De Bril weer en vertrok naar Leiden.
Hierna bleef De Bril tachtig jaar in de familie, te beginnen met Pietertje Jans Kleineknegt, weduwe van Lucas van Ammel(en), in leven smid. Na haar dood in 1696 erfden haar dochters Maria en Hillegont het huis. Beiden trouwden en Hillegont werd daarna de enige eigenaar met haar man Antonij Nobel, een oud-katholiek gedoopte meestertimmerman. In 1742 werd hij vanuit het huis “(tegen)over de Bloedbrugge” begraven in de Oude Kerk. Zijn derde vrouw, Cornelia Kraan, overleefde hem nog zeven jaar.
Zoon Johannes Willebrordus Nobel had een opmerkelijke carrière. Hij was aanvankelijk als priester verbonden aan de oud-katholieke kerk Het Paradijs in Rotterdam. Nobel vestigde zich vervolgens in Delft, waar hij niet meer als priester actief was maar een “winkel en koopmanschap” dreef, in De Bril. Hij werd wel als priester begraven in de Oude Kerk waar bij die gelegenheid de missa pro sacerdote gelezen werd.

Tekening van de ravage na de buskruitdamp in 1654
door Gerbrand van den Eeckhout.
Opwinder van de stadsuurwerken
In 1769 kocht Gerrit van Helden uit Wijk-bij-Heusden De Bril. Gerrit was amper twintig jaar toen hij in Delft begon als dooddrager. Later werd hij opwinder van de stadsuurwerken, meesterknecht in 's-Gemeene Lands Magazijnen en koopman in hout. Van Helden woonde met zijn vrouw Anna Jongste in de Houttuinen. Zijn vrouw Anna Jongste verdronk op 32-jarige leeftijd in de stadsgracht bij de Houttuinen. Die doodsoorzaak kwam nogal eens voor in die tijd met weinig of geen nachtverlichting.


De Houttuinen langs de stadswal ter hoogte van het huidige station, doplek waar Anna Jongste verdronk. Schilderij uit 1650 van Pieter Jansz. van Asch. (Particulier bezit)


Het uurwerk van de Oude Kerk dat viel onder de zorg van
Gerrit van Helden als opwinder van de stadsuurwerken.
Beroofd door ‘weleerwaarde’ zoon
Van Helden schonk De Bril in april 1773 als bruidsschat aan zijn dochter Maria, toen zij met Jacob de Kuijser trouwde. Jacob was als garbuleur (kruidlezer) in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Kruidlezers sorteerden specerijen, administreerden de voorraden en controleerden de sjouwers op smokkel. De Delftse kamer van de VOC werd in 1803 opgeheven. De Kuijser had meer ijzers in het vuur. In De Bril had hij een winkel waar hij blik, koper en ijzerwerk verkocht, als ook sajetten en katoenen garens.
Hij had veel te stellen met zijn zoon Johannes, die sinds 1803 predikant van Schore en Vlake (in Zeeland) was. Na drie jaar werd Johannes wegens "ergerlijk en onbetamelijk gedrag" afgezet als dominee. Johannes vertrok met de noorderzon. Na een reis naar Amerika keerde hij in armoedige toestand terug en werd als verloren zoon in huize De Bril opgenomen, waar hij vervolgens in een onbewaakt ogenblik zijn ouders beroofde van duizenden guldens aan effecten, contante penningen en ongemunt zilver.

Het Oostindisch Huis van de VOC aan de Oude Delft,
na de verbouwing van het rechterdeel in 1722.
Tabakszaak
In 1810 schonk De Kuijser “uit bijzondere liefde en genegenheid” alle winkelgoederen en koopmanschappen aan een zoon uit zijn derde huwelijk. Deze Jacob jr vertrok in 1819 naar Rotterdam en verkocht De Bril aan likeurstoker Daniël Florijn. Die woonde zelf aan de oostzijde van het Vrouwjuttenland (nr 14), waar hij heel wat panden bezat. De Bril bleef winkel. Florijns stiefzonen Jacobus en Joannes Wijngaert verkochten er tabak, sigaren, snuif, koffie en thee. Na het overlijden van hun moeder, in 1857, deed het consortium Florijn De Bril over aan Joannes Wijngaert. Vijf jaar later zette apothekerszoon François Verboom de tabakszaak voort. Hij ging in 1868 failliet.

Tapperij
In 1868 kreeg De Bril een nieuwe bestemming als slijterij Het Bierhuis. Eigenaar Felix Grenier had er een marqueur (biljartjongen) in dienst. Naast zijn “affaire in sterke dranken, likeuren en bieren” had Grenier sinds 1853 een betrekking als geweermaker aan ‘s Rijks Geweerwinkel aan de Verwersdijk. Al snel verscheen Wijnand Hulsman als tapper. In 1888 vertrok Hulsman naar Hippolytusbuurt 20 om er een viswinkel te runnen.


Openbare verkoping van de inboedel bij het faillissement van Verboom.
Delftsche courant 3 juli 1868.

De Bril gaat nu uit een ander vaatje tappen. Delftsche courant 30 okt 1868.

Het negentiende eeuwse kroegleven, prent uit ‘Nederlanders door Nederlanders geschetst’ uit 1842.

In 1887 werden de winkelpuien vernieuwd. In 1889 kreeg meestermetselaar D.J. Houtzager vergunning voor het afbreken en herstellen van de voorgevel van Vrouwjuttenland 1. Het is de vraag of deze grote ingreep daadwerkelijk heeft plaatsgehad, want tien jaar later werd het pand echt gesloopt en geheel nieuw gebouwd. De nieuwe kastelein, Johannes Boelé, kreeg in september 1889 toestemming om harmonicamuziek te geven en in het weekeinde de tapperij tot 01.00 uur open te houden. Eind 1895 vertrok Boelé naar Den Haag.


Mogelijk ademde de Gouden Bril destijds dezelfde sfeer uit als het inmiddels onsterfelijke dorpscafé in Arles in 1888, waterverf studie van Vincent van Gogh.

Zijn opvolger, Johannes Koster, liet op zondagavond een komiek “voordrachten geven” en er werden pianoconcerten gegeven, waarschijnlijk door de bewoners Lindeloo en Konincks, die pianist waren.
Decennialang stond tijdens de kermis de Haagse vishandelaar Theodorus Dietz voor de deur met een kraam “puik beste” gerookte paling.

Sloop en nieuwbouw
In deze periode werd in Delft de bebouwing soms wel erg rigoureus vernieuwd. De Vergulde Bril werd in 1899 volledig gesloopt. Op de plaats daarvan liet de nieuwe eigenaar, Elias Hartogs, de architect Kersbergen een nieuw gebouw ontwerpen met op de kop een winkelhuis aan de Voldersgracht en een koffiehuis om de hoek aan het Vrouwjuttenland, beide met een bovenwoning. De nieuwe winkel had grote spiegelruiten in beide gevels en een vloeroppervlak van 41 vierkante meter. Op de eerste verdieping was een suite van twee kamers en een keuken. De tweede verdieping telde drie kamers. Het koffiehuis omvatte een gelagkamer van 30 vierkante meter met bierkelder. De eerste verdieping daarvan had een keuken en voorkamer en op de tweede waren nog twee kamers. De bovenwoning werd verhuurd voor f 6,50 per week. Het koffiehuis kreeg vergunning tot verkoop van sterke drank in ’t klein.
Hartogs raakte echter diep in de schulden, kreeg te maken met de deurwaarder en inbeslagneming en vertrok naar Apeldoorn, waarop het pand in juli 1900 geveild werd.


Foto van de kledingzaak van E. de Groot in het nieuwe hoekpand, circa 1905.

De Haagsche Kleederwinkel
De huurder van het koffiehuis, Wouter van der Gaag, kocht het complex voor f 12.100 en verhuurde het winkelwoonhuis aan Emanuel de Groot, die zijn herenconfectiezaak ‘De Haagsche Kleederwinkel’ verhuisde van Vlamingstraat 16 naar de Voldersgracht.
Kort na de verhuizing overleed zijn vrouw, Duifje de Maan. Anderhalf jaar later trouwden hun twee dochters op dezelfde dag in de synagoge aan de Koornmarkt. Saartje trouwde met Jacob Brandon en Kaatje met Hartoch Vlessing. Zij trokken in bij De Groot. Vlessing was bedrijfsleider van het kledingmagazijn De stad Parijs op de Oude Delft tegenover de Pepersteeg. In 1911 overleed De Groot. Vlessing zette de zaak voort, vanaf 1916 onder eigen naam. Hij kocht het pand in 1920, breidde in 1923 de winkel uit met Vrouwjuttenland 1 en liet de zaak verbouwen. Twee jaar later ging Vlessing failliet. Na het faillissement van Vlessing werd de kledingzaak nog enige tijd voortgezet onder de oude naam De stad Parijs.


Het nieuwe pand De Gouden Bril op een ansichtkaart, circa 1910.

Rebbe-rijwielhandelaar
De Groots andere schoonzoon, Jacob Brandon, was Israëlitisch godsdienstleraar (rebbe) en voorzanger (gazan). De kleine joodse gemeente in Delft was niet erg rijk. Bij de aanstelling van Jacob bedong daarom het bestuur dat hij niet zou trouwen. Toen hij dat toch deed moest Brandon beloven geen financiële eisen te stellen bovenop het al naar 500 gulden verlaagde salaris. Hij ging bijverdienen als rijwielhandelaar. Dat hield hij vol tot 1924. Toen verhuisden Sara en Jacob naar Den Haag. Zij werden in februari 1943 omgebracht in Auschwitz, hun zwager Hartoch Vlessing was hen in 1942 al voorgegaan.

Antiek, Witte Boeken en Oldtimers
Van 1926 tot 1928 hield het Delftsch Woningbureau kantoor in het bovenhuis Vrouwjuttenland 1. In het hoekpand beneden opende Petrus Couwenbergh een nieuwe kledingwinkel. In de Tweede Wereldoorlog kon men er oude costuums laten keren. Couwenbergh overleed in 1972.


De kledingzaak van P. Couwenbergh in de stille jaren ’60 van de vorige eeuw.

In 1974 heette de zaak Men Shop. Eind jaren zeventig bood antiekhandel Mercurius op dit adres allerlei spullen te koop aan, van hangoortafels tot glas-in-loodramen. Later werden er oldtimers verkocht. Daarop volgden De Witte Boeken Shop en het Delftsch Veilinghuis Top Galery.
In 2004 vertrok het veilinghuis en kreeg de eigenaar toestemming de bovenwoning te verbouwen tot appartementen. Sinds 2005 is er op de begane grond een makelaardij gevestigd.


De Top-galerij in 1999. Foto Kees Spiero.

Het huidige makelaarskantoor.


Verkoopadvertentie in de Delftsche courant van
9 mei 1862 van de tabakswinkel.


Kastelein Hulsman en zijn voorganger Van Osselen waren
actieve duivenmelkers van de vereniging De Unie.
Delftsche courant, 3 sep 1876.


De zaak was een walhalla voor biljarters.
Delftsche courant, 19 nov 1876.


Een gokje in de loterij kon ook in de Vergulde Bril.
Delftsche courant 17 april 1878.


Duinwater-ijs, een traktatie in tijden van cholera.
Delftsche courant 30 apr 1882.


Nachtelijk rumoer bij De Vergulde Bril.
Delftsche courant 28 okt 1891.


Café De Vergulde Bril stond te koop.
Delftsche courant, 3 nov 1895.


Op zeer korte termijn een komiek gevraagd.
Delftsche courant 23 dec 1896.


Verrassing achter de schutting.
Delftsche courant, 6 nov 1899.


Elias Hartogs ruimt op met oog op de verhuizing.
Delftsche courant 19 febr 1900.


Opening van nieuwe zaak van Emanuel de Groot.
Delftsche courant 16 sept 1900.


Vlessing neemt de kledingzaak van zijn schoonvader
over onder de naam De stad Parijs.
Delftsche courant 7 feb 1916.


Opheffingsuitverkoop wegens faillissement.
Delftsche courant 7 mrt 1925.


Advertentie van Brandons rijwielmagazijn.
Delftsche courant 23 mei 1913.


Paasbrood bij rebbe Brandon.
Delftsche courant 13 feb 1918.


Juni 1926 komt er een soort makelaardij op Vrouwjuttenland 1. Delftsche courant 27 mei 1926.


In de oorlog moest ook het zakenleven creatief zijn.
Delftsche courant 2 april 1944.


Bijzondere occasions te koop.
Telegraaf 13 juni 1986.

Wim van Veen  
>> Kijk hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Voldersgracht 33 (en Vrouwjuttenland 1) (pdf)  
Geplaatst: 11 mei 2018  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft