Achterom 47
www.achterdegevelsvandelft.nl

En het hofje in de Roskampoort

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Dit was in oktober 2006 het eerste verhaal op deze website.

Achterom 47 is (net als 45) in 1620 gebouwd op de plek van de voormalige brouwerij De Roskam. Het poortje, de 'Roskampoort' gaf toegang tot drie huisjes op het achtererf. Die drie huisjes vormden een hofje dat in 1627 bij testament gesticht werd door Aper van der Houve en zijn vrouw, destijds brouwer en kunstverzamelaar in De Dubbele Hellebaarden aan de Voorstraat (no 64). Aan het legaat voor het hofje was een jaarlijkse rente verbonden van 50 gulden voor onderhoud en, als daarvan nog wat over was, een turfje voor de bewoners. Als nazaten van de brouwer in armlastige omstandigheden zouden komen, zouden zij voorrang krijgen voor een plaats in het hofje.
Mochten er geen nakomelingen van de brouwer meer zijn om het beheer te voeren over het hofje, dan zou het komen te vervallen aan het oude mannen- en vrouwenhuis aan de Papenstraat. Dit is nooit gebeurd. In 1842 zijn ze verkocht aan een particuliere huisbaas. Van de drie huisjes was er inmiddels al een ingestort.


De stichting van het hofje beschreven in de stadsgeschiedenis van Boitet uit 1729, pagina 499/500.

Wandgedierte
De nieuwe huisbaas heeft ze vervolgens alle drie opnieuw opgebouwd. Ze bestonden uit een kamer van 4,30 bij 2,80 meter en een onbeschoten vliering erboven. De enige lichtinval bestond uit een klein raampje naast de deur in de voorgevel.
Bij de invoering van de straatnummering in 1877 kregen ze de huisnummers Achterom 49, 51 en 53. In het huidige tuintje van Achterom 47 was destijds een plaatsje met een waterpomp en een privaat dat het hofje eeuwen lang 'gemeen' had met de panden Achterom 47 en 45. Bij een gemeentelijk woningonderzoek in 1907 bleek er geen riolering te zijn en zat volop wandgedierte in de bedstee. De huisjes  werden in die tijd geregeld door kinderrijke gezinnen bewoond. Niettemin woonden begin twintigste eeuw enkele bewoners er 16 en 21 jaar lang. (Zie meer over de bewoners bij nadere gegevens)


Potloodtekening van Jan Jansen omstreeks 1900 van het zicht op Achterom 45 en 47 en het hofje in de Roskampoort vanaf de toenmalige Asvest. (Collectie Museum Prinsenhof)

Onbewoonbaar verklaard
In 1924 werden ze officieel onbewoonbaar verklaard, maar bleven vervolgens nog jaren bewoond. De laatste tot in 1939.
Toen in de jaren ’60 van de vorige eeuw de achtergelegen Asvest en de Ham werd afgebroken voor de bestaande verkeersdoorbraak heeft de gemeente in 1967 de huisjes opgekocht en afgebroken. In 1986 is die grond als tuin verkocht aan de toenmalige bewoonster van nummer 47.
Een (vervanger) van de oorspronkelijke hofjeswoningen is nu bij Achterom 47 in gebruik als schuurtje. Van een tweede hofjeswoning waren in 2000 nog de fundamenten in de tuin zichtbaar.

Marktschippers op Utrecht
Het huis Achterom 47 is in de loop der eeuwen opvallend vaak bewoond door de eigenaar. Kort na de bouw waren dat waarschijnlijk 40 jaar lang beurtschipper Bartel Cornelisz en zijn vrouw Trijntje Claesdr. Hij voer op de stad Utrecht. Zijn zoon Johannes Bartelsz nam in 1657 de aanstelling als marktschipper over van zijn vader, maar werd in 1668 door financiële problemen gedwongen het huis te verkopen.
Aan het einde van de zeventiende eeuw kwam het huis in handen van smid Jan Mol die zijn bedrijf had op het naast gelegen Achterom (nu 55/57) en later van zijn dochter Catharina, die getrouwd was met brandewijnstoker Abraham vander Spriet. Zij verhuurden het. Wie de huurders waren is vooralsnog onbekend.

Kroegje
In 1713 werd Jan van Ee de nieuwe eigenaar en bewoner. In de voorkamer exploiteerde hij een kroegje. Er stond een “slegte” houten toonbank, een rekje met theeservies van Delfs aardwerk en een verzameling pijpen. Naast thee, bier en brandewijn had hij namelijk ook een forse hoeveelheid tabak in huis, blijkt uit zijn nalatenschap als hij in 1717 sterft.
De woonkamer aan de achterzijde werd daarin de ‘keuken’ genoemd, omdat zich daar het haardvuur bevond. De pottebank met potten en een rek met ‘slegte’ borden stonden echter in een aanbouwtje achter het huis. De meubilering van het woonvertrek bestond uit een geverfde kast met daarop Delfs blauwe vazen, twee tafels en een dozijn stoelen. Verder was er een bedstede achter gordijnen en (waarschijnlijk aan het voeteneind) een klein kinderbedje. Sijtje, de jongste van de vier kinderen was drie jaar, toen Jan overleed. De kamer was versierd met een spiegel, zes Delfse schotels en zeven ‘stukjes schilderij’, die de notaris misprijzend als ‘slegt’ beoordeelde. Het gezin had tinnen borden en lepels om van te eten en bezat drie koperen ketels.
Boven op zolder was ook een hangkast en een bedstede. Ondanks de weinig weelderige inrichting en behoorlijke schulden bij een brouwer, twee branders en een tabakshandelaar in Rotterdam, was het gezin niet armlastig. Het echtpaar had 150 gulden contant geld in huis (bijna een half jaar inkomen) en een kleine hoeveelheid goud- en zilverwerk. Verder bezat het naast het huis op het Achterom (ter waarde van 450 gulden) ook een huisje in de Van der Mastenstraat (375), dat zij verhuurden. Bij elkaar liet Van Ee zijn weduwe en kinderen 1175 gulden na. Dat stelde Anna Bastiaens Denij dan ook in staat de nering voort te zetten, ook al hertrouwde ze snel.

Commensalen
Vanaf 1730 werd het huis bewoond door Dirk van der Kasteele, die stoker was bij plateelbakkerij De Ster aan de Oude Delft, vlakbij de Rotterdamse Poort. Twintig jaar later heeft zijn weduwe, behalve haar zoon, ook twee vrouwen als ‘commensaal’ in huis, waaronder de ‘innocente’ Johanna Lookermans. Vermoedelijk bewoonden zij de zolder.
Na het overlijden van deze weduwe kwam het huis in handen van bakker Jan van Noortwijk die even verder op de gracht zijn bakkerij had en het huis weer ging verhuren.

Kleermakersfamilie
In 1783 kocht kleermaker Pieter Heederik het huis. Zijn familie zou er bijna 50 jaar blijven wonen, deels met meerdere generaties tegelijk. Pieter en zijn vrouw Lena Laurier kregen elf kinderen, maar acht ervan werden volwassen. De oudste zoon Pieter jr (1780-1866) kreeg eveneens elf kinderen, waarvan er maar vier opgroeiden. De dominee vond het overvolle huis in 1823 'zeer ordentelijk'. Pieter was behalve meester kleermaker ook bidder bij begrafenissen.
Na 1830 bewoonde zeilmaker Christiaan Vileers het huis met vrouw en zes kinderen. Later verhuurde hij de woning enige tijd, om er na 1850 op oudere leeftijd zelf weer terug te keren.
Van 1863 tot 1879 woonde hier Johannes Rijnders. Hij was schipper op de trekschuit naar Rotterdam.
In 1879 verkocht hij het huis aan olieslagersknecht Johan van der Kraan. Voor extra inkomsten verhuurde deze de bovenverdieping aan steeds wisselende huurders. Inmiddels was in de 19e eeuw het huis aan de achterzijde uitgebouwd met een keukentje, met daarboven nog een zolderkamertje met een bedstede, blijkt uit de verkoopadvertentie.

Woontoestanden
Via een gedwongen verkoop in 1891 werd het huis eigendom van huisjesmelker A. van Dorp, die vele pandjes in Delft verhuurde. In de 27 jaar dat hij er huurpenningen uit opstreek, trokken er vele huurders kortstondig doorheen.
De bovenverdieping van het huis was in die tijd een aparte woning die via een deur en trap in de zijgevel in het steegje toegankelijk was. Bij het onderzoek naar woonomstandigheden is deze bovenwoning in 1907 door de Gezondheidscommissie uitvoerig gedocumenteerd. Ze werd toen bewoond door de verlaten vrouw Jaantje de Vries. De toestand was daar toen 'vuil en slecht' en er was geen drinkwaterkraan aanwezig. Zie hier het enquêteformulier van het woningonderzoek uit 1907. Het rapport van het Burgerlijke Armbestuur dat haar ondersteunde voor haar 80 cent huishuur in de week schetst een dramatisch levensverhaal. Haar man die veel dronk had haar verlaten nadat hun enige kind, een dochter, op 13 jarige leeftijd was verdronken, hetgeen hij haar aanrekende. De vrouw trachtte door werk en bakeren in haar levensonderhoud te voorzien, maar was daar door haar zwakke gezondheid steeds minder toe in staat. Eind 1907 en begin 1908 werd zij enkele malen opgenomen in het Gasthuis en vervolgens in een logement ondergebracht, waar zij 19 maart 1909 overleed. Zie het rapport van het Burgerlijk Armbestuur.

Kaartlegster
Hoe oud die dubbele bewoning van het huis was, valt niet meer precies te traceren. In elk geval is ze vanaf het begin van het bevolkingsregister in 1846 herkenbaar. In de meeste gevallen ging het om weduwen of alleenstaande vrouwen. Kaartlegster Maria Bodenstaff was de opvolgster van Jaantje op de bovenverdieping. Ook zij was een klant van het Burgerlijk Armbestuur. Ze had twintig jaar ongehuwd samengeleefd met een beeldhouwer die inmiddels was overleden. Uit die relatie had ze een geestelijk gehandicapte zoon die in de Gemeentelijke werkinrichting is opgenomen en in een logement woonde, maar niet in staat was zijn moeder financieel te ondersteunen. Zij werd in april 1910 door haar huisbaas Van Dop uit haar woning gezet, omdat deze wilde verbouwen. Daarop is tijdelijk naar haar broer in Leiden gegaan en zwierf vervolgens na terugkomst in Delft langs verschillende logementen, waarbij de tussendoor ook enige tijd op het politiebureau de nacht doorbracht.


Gerrit Velders (1886-1945), woonde in 1913 en 1914 anderhalf jaar met Christina Elshout en vier kinderen op de zolderverdieping van Achterom 47.

Maria Vreugdenburg (1885-1948). Zij woonde in 1912 korte tijd met mandenmaker Sieger van der Laan en vier kinderen in Achterom 47 om vervolgens naar Haarlem te verhuizen.

Wat Van Dop heeft vertimmerd is onduidelijk, maar vervolgens vestigden zich voor korte tijd enkele kinderrijke gezinnen in de bovenwoning, zoals los werkman Johannes Kolster en Pietje Brouwer met vijf kinderen en glasbazer Gerrit Velders en Christina Elshout met vier kinderen. 
Beneden woonde ondertussen een gezin met zes kinderen van machinebankwerker Pieter de la Mar, dat later werd opgevolgd door een gezin met acht kinderen van Johannes Kerkhoven en Betje Bazuin. Hij werkte bij de gasfabriek achter de Ham.

Vijftig jaar getrouwd
In 1918 verkochten de erfgenamen van Van Dop het huis aan melkhandelaar Cees van Leeuwen (van Achterom 143, zie daar). Sindsdien werd de bewoning iets overzichtelijker. Al moest de gemeente de nieuwe huisbaas wel meerdere malen aanschrijven om noodzakelijke herstellingen aan zijn nieuw verworven huis te verrichten. Toen hij dat bleef weigeren werden door Openbare Werken uitgevoerd, waarna ruzie over de betaling van de rekening ontstond.
Sinds 1923 werd het huis zestien jaar lang in zijn geheel bewoond door opnieuw een kleermaker, Johan von Stein, die tevens fondsbode was. In 1934 vierde hij zijn vijftig-jarig huwelijk met Maria Flink. Zij hadden vijf kinderen.


Pentekening van Paul Menses, 1987.

Geliefd schildersobject
In 1965 is het huisje door een aannemer opgekocht die het vrij grondig heeft opgeknapt en gemoderniseerd. Sindsdien is het steeds eigendom geweest van de elkaar opvolgende bewoners.
Het huisje is ten onrechte wel aangezien voor het 'Straatje van Vermeer’ en in de twintigste eeuw vaak door schilders en fotografen vereeuwigd.


Schilderij van Jan Heesterman, eind jaren 1920. (Collectie Museum Prinsenhof) Hij schilderde dit huis in vele varianten.

Schilderij van Karl Haberl, 1989.

Pentekening van Lex de Vroedt, 1979.


Schilderij van Jan Hendrikse, 1987. (Collectie Museum Prinsenhof)
 

Houtdruk van David, omstreeks 2020. (https://www.houtdrukken.nl)

Kees van der Wiel
(Met dank voor de reacties en foto’s van Michel Velders en Irene Spee)
  


Achterom 47 in 1985. (foto van de auteur)


De Roskampoort in 1913. (foto A.J. Prins) Voor de vrouw met hond in het poortje zijn meerdere personen aangewezen. Destijds hadden vijf woningen een toegang via de poort.


De gevelsteen boven de toegang tot de Roskampoort in 1996. (foto Piet de Ruyter, restaurator van de steen.)


Achterom 47 en de hofjeswoningen op een kadasterkaart uit 1880. De tuin (760) hoorde destijds
tot het hofje. Daar stonden een waterpomp en een toilethuisje. Nr 290 (Achterom 55) naast de poort
was in die tijd een waterstokerij. Daar kon je een
emmer warm water halen voor de was en wat
hete kooltjes voor het koken.


Verkoopadvertentie van hofje.
Delftsche Courant, 24 juli 1892.


De registratie van de bewoners van het huidige Achterom 47 (3347) en de toen vier huisjes van het hofje (3347 t/m 3349-2) voor een belastingheffing op consumptie in 1749, de zogenoemde ‘Impost’.
Vrijwel allen waren ‘onvermogend’ of leefden
‘van de armen(zorg)’.


Hofjebewoners Cornelis Lamnes en Neeltje van der Jagt vierden in 1907 hun 40-jarig huwelijk. Tot 1916 zouden ze ruim dertig jaar op het hofje doorbrengen. Eerst in nr 53 en vervolgens 25 jaar in nr 51.


Linoleumsnede van Jan Heesterman, omstreeks 1930. (Collectie Stadsarchief)
 

Verkoopadvertentie Achterom 47.
Delftsche Courant, 31 aug 1879.



Hofjebewoner Cribbelier doet zijn hondenkar van de hand en gaat vroeg opstaan om te ‘kloppen’.
Delftsche Courant, 13 april 1923 (boven);
Delftsche Courant, 1 mei 1924 (onder).


Pentekening van Piet Kramer van de Roskampoort omstreeks 1920.



Het echtpaar Van Stein-Flink vierde in 1934 hun 50-jarig huwelijk in Achterom 47. Ze kwamen daarmee met foto in de krant.


Bewoonster zingt in 1955 op internationale vrouwendag in zangkoor ‘Morgenrood’. De Waarheid, 5 maart 1955.


Pentekening van Piet Kramer, 1920.
(Collectie Stadsarchief)


Pentekening (met curieus onderschrift) van ene H vdr B uit circa 1750. (Collectie Stadsarchief)
Zie hier voor meer informatie over:
- bronnen, eigenaren en bewoners van Achterom 47
- bronnen, eigenaren en bewoners van Roscampoort


Geplaatst: oktober 2007 / Laatste wijziging: 7 oktober 2025
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft