| Choorstraat 54 | www.achterdegevelsvandelft.nl | |||
![]() |
||||
| De Drie Landsluyden |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
|||
| Choorstraat 54, aan het einde van de
winkelstraat vlakbij de brug over de Verwersdijk, draagt sinds de
17e eeuw de naam “De Drie Landsluyden”. De gevel, rijk aan
beeldhouwwerk en versierde ontlastingsbogen, is een voorbeeld van de
zestiende-eeuwse Dordtse bouwstijl. Achter deze gevel woonden door
de eeuwen heen ambachtslieden, winkeliers en handelaren, wier levens
de geschiedenis van het pand kleur gaven. Het pand is een Rijksmonument. Volgens de officiële beschrijving heeft het een “rijke trapgevel met geprofileerde, geblokte ontlastingsbogen op Jonische kapitelen met gebeeldhouwde koppen”. De sierlijke top en het ovale zolderraam wijzen op een bouwstijl uit de zestiende eeuw, kort na de grote stadsbrand van 1536. Primeur in monumentenzorg Rond 1902 verkeerde de gevel van Choorstraat 54 in slechte staat. De eigenaren overwogen sloop van de bouwvallige bovenbouw. Architect L. Couvée en gemeenteraadslid J.H. Tonnaer kwamen hiertegen in verzet. Zij richtten een comité op dat pleitte voor restauratie in plaats van afbraak. Omdat de eigenaren de kosten daarvoor niet konden dragen, zamelde stadsarchitect M.A.C. Hartman geld in bij Delftse kunstliefhebbers. Ook de Verfraaiings-Vereeniging Delfia en het Tijdschrift Bouwkunde droegen bij. Met aanvullende steun van het Rijk kon de restauratie tenslotte doorgaan. Twee jaar later werden de werkzaamheden uitgevoerd naar ontwerp van Couvée: de bovenverdieping bleef grotendeels behouden, de onderpui uit 1878 werd vernieuwd in de stijl van de bovengevel en de kapconstructie werd hersteld. Wel permitteerde de architect zich een kleine correctie bij de geveltop: in plaats van de in een boog gemetselde muts bekroonde hij de trapgevel met een driehoekig hardstenen fronton, die hij kennelijk meer passend achtte. Na afloop werd bij de gemeente nog een subsidie van 150 gulden gevraagd om het tekort te dekken. Deze oproep werd ondersteund door de Rijkscommissie onder leiding van P.J.H. Cuypers (bekend van onder andere het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam en de huidige torenspits van de Nieuwe Kerk in Delft) die de “Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst” inventariseerde. De indieners hoopten daarmee een bewustzijn te creëren om ook privé-huizen met een historische kunstwaarde te behouden en subsidie daarvoor aan eigenaren te stimuleren. Na Dordrecht was Delft de tweede gemeente in Nederland die een dergelijke bijdrage verstrekte. Choorstraat 54 kreeg zo een voorbeeldrol voor het behoud van particuliere historische panden. Paardenslager tobt met winkelpui In 1920 werd paardenslager Karel Lodewijk Vrijenhoek huurder van het pand. Hij wilde de winkelpui moderniseren. Dat leidde opnieuw tot een golf van verzet van mensen die vreesden dat daarmee het typische karakter van het pand verloren zou gaan. Op verzoek van vele verenigingen en particulieren bleek de toenmalige eigenaar Van Vierssen uiteindelijk bereid zijn verbouwingsplannen op te geven, ondanks de onkosten die hij al had gemaakt. Er zou wel een slagerij in het pand komen, maar de gevel bleef ongeschonden. Ook bij het aanbrengen van uithangborden zou erop gelet worden dat het oud-Hollandse karakter niet verstoord zou worden. In 1922 koopt slager Vrijenhoek zelf het pand en besluit alsnog de pui “op te knappen”. Ook dit roept weerstand op. Vrijenhoek weerlegt de bezwaren. Hij zegt dat de zandstenen details niet zwart geverfd worden, maar slechts gereinigd. Vrijenhoeks zaken lopen goed en in 1931 opent hij een filiaal aan het Oosteinde 149 in de vrijkomende slagerij van A. Ruygrok. Maar dat is in de crisistijd geen lang leven beschoren. In 1935 breidt de eigenaar het pand aan de achterzijde uit door een gedeelte van Dertienhuizen 1 aan het pand toe te voegen. Na de oorlog koopt Vrijenhoek in 1947 het pand Choorstraat 50-52 ernaast, dat hij gaat verhuren. In 1966 komen zijn zonen Karel Lodewijk jr. en Simon als partner in de zaak. Zelf verhuist Karel Lodewijk sr. dan naar de Roëllstraat. In 1974 neemt Simon het bedrijf over en wordt eigenaar van de panden 50/52 en 54. In nr 54 heeft hij tot 1979 zijn slagerswinkel. Wonen doet hij echter op nr 52 boven de bloemenwinkel die hij verhuurt. Als de slagerswinkel in 1979 vrijkomt, huurt Charles Rahardjo hem. In het pand nr 50 ernaast heeft hij inmiddels een Indonesische Toko en batik-modezaak. Van nr 50 maakt Rahardjo nu een Indonesisch restaurant en van 54 een Indonesische Toko. (Lees hier meer over de geschiedenis van het Indonesisch restaurant in de afgelopen 50 jaar.)
In de Galei Het huis is na de stadsbrand in 1536 vermoedelijk gebouwd door Jacob Hendricksz Duijst (van Voorhout). Hij betaalt in 1543 belasting voor het huis. Hij is een telg uit een van de rijkste en meest flamboyante families van Delft in de 16e eeuw, waarvan we eerder spraakmakende leden tegenkwamen op de Hippolytusbuurt (15-17), de Koornmarkt (75) en de Oude Delft (171). De familie leverde diverse burgemeesters, maar Jacob was van een iets minder prominente tak. Hij was koopman en grondbezitter, die vooral kerkelijke goederen onder beheer had. Hij moet al vroeg zijn overleden, want halverwege de eeuw staat zijn weduwe Trijntje te boek als eigenaresse. In 1561 is haar zoon, die ook Jacob Duijst heet, met de bijnaam ‘alias Ri’, de eigenaar. Zijn huis heet dan nog niet ‘De Drie Landslieden’, zoals later, maar ‘In de Galei’. Ook deze Jacob heeft het wat ongrijpbare beroep van ‘koopman’ en handelt onder meer in oliezaden, goud en juwelen. Hij betaalt belasting voor twee huizen (ook voor huidig nr 50) en een pakhuis in de buurt. Hij overlijdt in 1589 en daarmee bloedt deze tak van de familie bij gebrek aan nageslacht dood. Steek in de buik Het huis vererft aan Jacobs zus Trijntje. Zij moet het kort daarop verkocht hebben aan lakenkoper Daniel de Cret. Deze komt in 1600 treurig aan zijn eind. Bij een bezoek aan Den Haag loopt hij ’s avonds in het donker een steekwond op in de buik, die hij niet overleeft. Oude kledinghandel Als de wijkmeesters kort daarna het aantal stookplaatsen komen opnemen voor de belasting, worden zij hier ontvangen door Aeltgen Melisdr, de vrouw van oude klerenverkoper Pieter Pietersz Clement en noteren drie haardsteden. Hij is de nieuwe eigenaar. Twee jaar later staat Pieter Pietersz ‘in de Galei’ ook in het lidmatenboekje van de predikant van de Hervormde kerk, als belijdend lid van het nieuwe geloof. Kleding en textiel was in vergelijking met tegenwoordig erg duur en werd tot op de draad versleten. De handel daarin concentreerde zich rond de brug over de Verwersdijk aan het einde van de Choorstraat. Die omgeving werd ook wel de Luizenmarkt genoemd. Die kringloophandel brengt kennelijk nogal wat op. In de loop der jaren verwerft Pieter meerdere huizen in de omgeving. Waaronder in 1603 het buurhuis (nu nr 56) en in 1610 zijn ouderlijk huis Raven (nu Choorstraat 22), waar hij later blijkt te wonen en zich dan inmiddels meester kleermaker noemt. Stelende dienstmaagd In 1639 verkopen Pieters erfgenamen het huis aan een andere Pieter: Pieter van Houten. Hij is metselaar en lid van de schutterij. Hij heeft in huis een ‘geweerkast’ met onder meer een degen, rode en witte pluimen, bandelieren, maatstokken en twee “loodkolven met een Schotse klik”. In 1648 betrapt Van Houten zijn dienstmaagd Hillegen Pieters op diefstal van veertig gulden. Tijdens haar verhoor door de schout bekent zij na aanvankelijke ontkenning nog veel meer diefstallen. Ze wordt veroordeeld tot geseling op het schavot voor het stadhuis en eeuwige verbanning uit de stad. Rentenieren Op zijn oude dag gaat Van Houten rentenieren. Hij bezit dan 15 huizen in de stad, waarvan veel in de omgeving, waaronder inmiddels ook het buurhuis (nu nr 56) en het hoekhuis Montoe aan de overkant van de straat. In 1678 staat in het voorhuis van zijn sterfhuis een toonbank en een kruiwagen met een puthaak en wat emmers. Er zijn echter ook twee bedden. Achter is een ‘binnenkeuken’, een woonvertrek waar 30 schilderijen of prentjes hangen die de notaris verder geen blik waardig keurt. Boven op zolder staat een lege papegaaaienkooi. Achter het huis op de binnenplaats is een keukentje waar echt gekookt wordt, met een zoldertje erboven. Boven hangen in de achterkamer nog een paar onbenoemde schilderijen en twee vrouwenportretten en een kinderportret (‘conterfeitsels’) waarvan de notaris niet weet te vermelden wie het zijn. Als Van Houten overlijdt, is hij dan ook een weduwnaar zonder kinderen. Zijn bezittingen worden verdeeld onder acht achterneven en nichten, waarvan er één onder weg is met de VOC naar Indië en drie anderen in het weeshuis zitten. Als deze erfgenamen het huis na zijn dood verkopen, blijkt het voor de eerste maal ‘De Drie Landslieden’ te heten. Twee onder een kap? Op de Kaart Figuratief van circa 1675 staat het huis vrij opvallend weergeven als één van twee vrij gelijkvormige huizen onder een dwarskap met het buurhuis (nu nr 56). Of dat naar waarheid is weergegeven en duidt op een gezamenlijke oorsprong is de vraag. Gedurende de 16e eeuw waren het - voorzover bekend - gescheiden eigendommen. In 1603 komen beide huizen in bezit van Pieter Pietersz Clement. Wellicht zou hij kort na 1603 die samenvoeging op zijn geweten kunnen hebben. Na zijn dood verkopen diens erfgenamen het huis (nu nr 54) aan Pieter van Houten en het andere (nu nr 56) aan diens zwager Jasper van Elden. In 1671 koopt Van Houten dat huis er weer bij. Als dit huis (54) daarna in 1678 wordt verkocht, wordt er wel verwezen naar een huis dat daar ooit een geheel mee vormde en sinds 1639 is afgesplitst. Dat blijkt echter niet het buurhuis (56) te zijn, maar een huisje in een poort die dit huis en het buurhuis destijds samen met Dertienhuizen verbond. Kortom een bewijs dat het buurhuis tot een evenbeeld van de Drie Landslieden is verbouwd, lijkt nog niet gevonden. Blauwtje gelopen Eind 17e eeuw komt het huis in handen van mandenmaker Jacob Dircksz van Appeltoorn en zijn vrouw Catharina Poerades. Appeltoorn komt vrij snel daarna te overlijden. Catharina, die opgegroeid is in de kleermakerij van haar ouders op de hoek van de Cellebroedersteeg, hertrouwt in 1692 met kleermaker Emont de Hooch. Bij die gelegenheid laat zij een akte van huwelijkse voorwaarden opstellen, waarbij zij een rijk gesorteerde winkelvoorraad stoffen en kleding in het huwelijk inbrengt, met een waarde van bijna 3.500 gulden. (Neem hier een kijkje in de winkelinventaris) Dat huwelijk had overigens wel wat voeten in aarde, omdat ene Leendert van der Kraaij, mr kleermaker te Den Haag, er protest tegen aantekende. Hij had bij de weduwe namelijk een stevig blauwtje opgelopen. De verklaringen bij de notaris in verband met het onderzoek naar de aangevochten huwelijksaankondiging logen er niet om. Her en der had Van der Kraaij, zogenaamd onder vier of zes ogen, in Delft rondgebazuind dat hij wel acht of tien maal bij de weduwe had geslapen en met haar had geleefd ‘als man en vrouw’. De moeder van Catharina was buiten op straat getuige geweest van een ruzie toen Van der Kraaij bij haar dochter verhaal kwam halen. Catharina weigerde hem te spreken “want gij hebt mij verlaten”, riep ze hoorbaar op straat. Hij verweet haar op zijn beurt dat zij hem “de kroon van het hoofd (heeft) gestoten” en “voor spoth van de wereld” gesteld. Kon zij zich niet meer herinneren dat zij hem zelf had uitgenodigd bij haar in bed te komen, toen hij een matras in de kamer had willen neerleggen, vroeg hij. Zij ontkende dat heftig. Daarop eiste hij kwaad het boekje van Cats terug dat hij haar had gegeven. Ze gaf het en “verzocht hem vervolgens wel 25 keer te vertrekken, omdat zij toch met een ander ging trouwen”. Hetgeen uiteindelijk dus, na onderzoek door de schepenen, gebeurt. Reden voor de breuk met Van der Kraaij lijkt te zijn dat hij niet bereid bleek op huwelijkse voorwaarden te trouwen. Catharina verhuist met haar nieuwe echtgenoot, die zichzelf ‘beddenmaker’ noemt naar het Vrouwjuttenland. Het huis aan de Choorstraat gaat vervolgens weer in de verhuur. Marktschipper Over de meeste bewoners in de 18e eeuw weten we weinig. Van 1708 tot 1710 woont hier korte tijd marktschipper Nicolaas van den Hoeck. Hij heeft een marktschuit samen met een maat. Als hij overlijdt blijkt zijn weduwe elders haar heil te moeten zoeken met een erfenisje van 163 gulden. Hun twee dochters van 17 en 7 jaar worden ondergebracht in het Meisjeshuis. Indiëganger Van 1733 tot 1737 wonen hier Hendrik Breemer(s) en zijn vrouw Cornelia Boejee. Ze zijn lid van het Nicolaasgilde en hebben dus een winkel, al is niet duidelijk waarin. Een vetpot is het waarschijnlijk niet, want Hendrik tekent in 1735 voor de VOC om met het schip Haamstede als derde waak op zoek te gaan naar een gouden toekomst in Indië. Dat lukt zo waar, in 1741 is Hendrik opgeklommen tot schipper en wonen ze aan de Wijnhaven, maar een paar jaar later is Cornelia weduwe. Glazenmaker Halverwege de eeuw huurt glazenmaker Cornelis Bellaard het huis van een huisbaas die aan het Rietveld woont. Bellaard bewoont het huis met zijn tweede vrouw (Adriana Delphos) en vier kinderen, waarvan er twee voor 1755 overlijden. Als ook zijn vrouw overlijdt, begint hij aan een derde echtgenote. Mogelijk heeft hij ene Antonij Wijgels en zijn vrouw Willemijntje van Meurs als onderhuurders in huis. Zij staan op dit adres in het lidmatenboekje van de Hervormde dominee. Verdronken zilversmid In 1778 koopt zilversmid Hermanus Wellenberg De Drie Landslieden. Hij is meester in het Delftse goud- en zilversmedengilde. Zijn werk, herkenbaar aan het meesterteken HW met het Delftse keur, staat nog op een door hem vervaardigde suikerstrooilepel van uniek Delfts design dat in 2025 op internet is geveild en € 152 opbrengt. Hermanus is sinds 1752 getrouwd met Helena Kool, weduwe van Hendrik van Zwaard (alias Sweert). In 1778 verhuizen ze van de Verwersdijk naar de Choorstraat. Kort daarna komt Hermanus buiten de stad door verdrinking om het leven en wordt in Kralingen begraven. Zijn weduwe blijft nog tot haar dood in het huis wonen. Daarna verhuren haar erfgenamen het aan veel wisselende bewoners. In 1809 verkopen zij het pand aan smid Hendrik Verbeek, die zijn smederij heeft in het huis ernaast (zie nr 56). Hij heeft hier onder andere muziekmeester G. Bettenhausen als huurder. En in zijn laatste dagen als huisbaas (1820-1822) Jan Willem Boom, die hier een uitdragerij heeft. Bakkerslucht en buurtroddel In 1832 koopt Johannes Petrus Axmacher, afkomstig uit Pruisen, het huis en begint er samen met zijn vrouw Joanna Fontijn een bakkerswinkel. Na zijn overlijden verdient Joanna de kost als “winkelierster en vuur- en waterverkoopster”. Een water- en vuurwinkel was vroeger in elke buurt een bekend fenomeen. Daar kon je voor het koken of de was een ketel of emmer heet water krijgen (omdat zelf vuur maken duur was) en tevens de laatste buurtroddels doornemen. Joanna bewoont de beneden verdieping achter de winkel en verhuurt de verdiepingen erboven. Een van haar huurders, de slager en muzikant Joannes Bogaarts, wordt later haar tweede echtgenoot. Al met al heeft zij hier wel 35 jaar gewoond. Na haar overlijden in 1867 wordt haar hele hebben en houden openbaar verkocht: een kabinet, de Friese klok, een kachel, tafels, stoelen, het bed, een gouden knopje, een zilveren horloge, een kerkboek met zilveren sloten en “10.000 beste turven”. Ook het huis gaat voor 1.950 gulden in de verkoop. De koper is oliefabrikant Albert Bijl. Hij verhuurt het vervolgens zeven jaar lang aan wisselende huurders. Elk wat wils bij Van Gils In 1875 betrekt Christiaan Leonardus van Gils het pand met zijn tweede vrouw, Catharina van Deurzen. Hij begint hier een winkel met een breed aanbod van artikelen en diensten en prijst zijn zaak in de krant aan met: “Elk wat wils bij C.L. van Gils!” Van Gils verkoopt vooral sigaren. Verder is hij krantenbezorger, bibliotheek-houder, tussenpersoon voor huishoudelijk personeel en bemiddelaar in kamerverhuur. Zelf verhuurt hij ook kamers. Zijn ondernemingen kennen wisselend succes. In 1887 ziet hij zich gedwongen het pand te verkopen en te verhuizen naar een bescheidener behuizing op Dertienhuizen 14 om de hoek. In 1878 liet hij nog de pui van het pand verbouwen om het een moderner aanzien te geven. Bij de restauratie van 1904 maakt architect Couvée daarvan iets zoals hij denkt dat een winkel er in de 16e eeuw moet hebben uitgezien. (Tegenwoordig noemt men dat geen restaureren meer, maar namaken.)
Geloofsstrijd In 1889 neemt Maria van Vuurde er haar intrek met een winkel in garen & band en manufacturen. Een jaar later trouwt ze op 42-jarige leeftijd met de 53-jarige Hendrik Fritze. Fritze is fervent aanhanger van de kerkelijke beweging onder aansporing van Abraham Kuyper die bekend staat als de ‘Doleantie van 1887’. Hij behoort tot de groep gemeenteleden die in Delft de hervormde kerkenraad verzoekt om de “reformatie der kerk” ter hand te nemen omdat zij bezorgd zijn over de leer en de tucht binnen de kerk. De kerkenraad wijst hun verzoek af en legt de kwestie voor aan de landelijke synode van de Hervormde Kerk. Die besluit de Dolerenden verder lidmaatschap te ontzeggen. Uit die scheuring ontstaat de Gereformeerde Kerk. Het echtpaar Fritze blijft het huis ruim dertig jaar bewonen. Ze zijn ook de opdrachtgevers voor de restauratie van de gevel in 1904. Henk van der Stelt en Kees van der Wiel |
|
![]() Choorstraat 54 in 2010. Foto M. Minderhoud. ![]() De geveltop met ronde kruin voor de restauratie in een foto-album ‘Oude gevels’ uitgegeven door boekhandel Waltman in 1904. Fotograaf onbekend. ![]() De actie voor het behoud van de gevel in de Nederlandsche Staatscourant van 1 januari 1905. ![]() Gevelanker en gebeeldhouwde kopje onder de ontlastingsbogen op een foto van voor de restauratie in het fotoalbum van boekhandel Waltman. ![]() Verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van 30 juli1919. ![]() De paardenslagerij van Vrijenhoek in de jaren 1930. Fotograaf onbekend. ![]() Op deze foto van omstreeks 1960 is goed te zien dat de gevel van het huis nog ‘op de vlucht’ (naar voren hellend) gebouwd is. Dat was inde tijd van de glas-in-lood vensters gebruikelijk om inwatering zo veel mogelijk te beperken. ![]() Schetsplan voor de restauratie in 1904. Uiteindelijk kwam aan de onderzijde een winkelpui naar verondersteld zestiende eeuws model. (Beeldbank Rijksdienst Cultureel Erfgoed.) ![]() Een papegaaienkooi uit een poppenhuis in het Rijksmuseum. ![]() Op deze uitsnede van de Kaart Figuratief van omstreeks 1675 is duidelijk te zien dat de vorm van de huidige huizen Choorstraat 54 en 56 opvallend afwijkt van het gangbare patroon, namelijk twee huizen onder een gezamenlijke kap evenwijdig aan de straat. Zoiets was doorgaans geen speelse ingeving van de kaartmakers. ![]() Het huis (gemarkeerd) op de oudste kadasterkaart van circa 1825. Het keukentje achter de binnenplaats liep nogal spits toe. In 1933 is dat recht getrokken, ten koste van Dertienhuizen 1. ![]() De afgewezen minnaar. Prent naar een populaire toneelscène getekend door Cornelis Troost, eerste helft 18e eeuw. ![]() Tekening van Piet Kramer (1879-1940) van de oude top van het huis uit de tijd voor de restauratie. ![]() Tekening van een VOC-schip onder zeil uit een schetsboek van Jan Brandes. (Collectie Rijksmuseum) ![]() De onlangs geveilde zilveren strooilepel van Hermanus Wellenberg uit 1770. ![]() Delftsche Courant, 20 sept.1867. ![]() Advertentie Delftsche Courant 1 sept.1878. ![]() Verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van 18 nov.1894. |
||
| Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Choorstraat 54 | ||||
| Geplaatst: 10 augustus 2026 | ||||
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | ||||