Café De Oude Jan aan het pleintje van het Heilige
Geestkerkhof was vroeger het café van mijn grootvader Anton
Konincks. Het staat op een plek die al eeuwen verbonden is met bier.
Het oudste huis van Delft dat in 1983 op dit plein door archeologen
werd opgegraven, was al een brouwerij van 8 bij 8 meter blijkt uit
de onderzochte graanmonsters. Op grond van de jaarringen van de
paalresten is het bouwwerk gedateerd op circa 1210. En in het begin
van de 17e eeuw werd er ter plekke van café De Oude Jan ook al bier
getapt in een kroeg met de naam De Helm of het Helmpge.
Het huidige huis op deze plek dateert waarschijnlijk grotendeels uit
1882, toen meubelmaker Adriaan Ouwerling het pand grondig
vernieuwde.
Als de weergave van het huis op de Kaart Figuratief van circa 1675
klopt, had het huis in die tijd een dwarskap met een punt- of
trapgevel aan de kant van het Heilige Geestplein. Wat aannemelijk
maakt dat de ingang toen in die gevel aan het plein heeft gezeten.

Een reconstructie van de 13e eeuwse bierbrouwerij op het
Heilige Geestkerkhof in het park Archeon in Alphen aan de
Rijn, die in 1983 op het plein werd opgegraven. |
Kerkhof
De straatnaam Heilige Geestkerkhof lijkt te verwijzen naar een
armenkerkhof dat hier in de loop van de middeleeuwen is aangelegd.
De rijken werden in die tijd binnen in de kerk begraven, de armen
die afhankelijk waren van armenzorg van de Heilige Geest werden na
hun dood buiten onder de grond gestopt. Met de grote
pestepidemieën in die tijd, waren dat er heel veel. Ruim voor de
grote stadsbrand van 1536 zijn huizen in de toenmalige Smeestraat
afgebroken om daarvoor plek te maken. Sindsdien heette de straat
vervolgens het ‘Nieuwe Kerkhoff’. Sinds de wederopbouw na de brand
werd de naam van de straat het Heilige Geestkerkhof.
Een regulier kerkhof is het vermoedelijk echter nooit geweest,
blijkt uit de opgravingen uit 1983. Er werden toen alleen kuilen
aangetroffen met herbegraven skeletresten, vermoedelijk afkomstig
van ruimingen in het eigenlijke kerkhof rond de kerk.
Wapensmidse
Eind 16e eeuw was er overigens in het hoekpand nog steeds een
smidse gevestigd. Er werden daar wapens gesmeed voor de oorlog met
de Spanjaarden. Omstreeks 1585 was hier ‘zwaardveger’ (wapensmid)
Pieter Hubrechts actief. Bij de inventarisatie van vuurplaatsen in
de stad in 1600 opgetekend in het zogenoemde
‘haardstedenregister’, woonde en werkte op dat moment in de smidse
Reijnier Pacgie (ook wel ‘Pasquie’ of ‘Pasgier’). Zijn beroep was
‘buschmacker’ (geweermaker). Hij was getrouwd met de weduwe van
zwaardveger Jacques Dabbleyn, die hier eerder woonde. Een deel van
hun huis verhuurden zij aan weer een andere zwaardveger: Antonii
Levermans.
De zaken van Passchier liepen goed. Hij kocht in de omgeving een
aantal loodsen, schuren en stukjes erf die hij bij het huis
voegde. Uiteindelijk vertrok hij echter met zijn handel naar Den
Haag.
Herberg de Helm
In 1611 vinden we in het pand een herberg, genaamd De Helm. Een
dronken Rotterdammer schopt daar ’s nachts luidruchtig tegen de
deur als hem na een wilde kroegentocht de toegang wordt geweigerd.
De volgende dag wordt hij opgepakt omdat hij nergens zijn
verteringen heeft betaald en en passant op straat ook een
burgemeester heeft beledigd. Hij wordt daarvoor op het schavot
gegeseld, gebrandmerkt en uit de stad verbannen.
Hoewel de kroegbaas deze amokmaker de deur heeft gewezen, moet
zijn kroeg ook geen beste reputatie hebben gehad. Drie jaar later
worden namelijk waard Pieter Putse en zijn vrouw eveneens voor
goed de stad uit gezet. Al is niet geheel duidelijk voor welk
vergrijp precies.
Kort daarop wordt het pand verkocht aan de meesters van het Werck-
en Tuchthuis te Dordrecht, die het willen inbrengen in een loterij
voor een startkapitaal voor de instelling bij elkaar te krijgen
met de verkoop van loten door heel Holland. Maar dat tuchthuis is
er nooit gekomen. De loterij wordt een debacle en eindigt in een
faillissement.
In 1631 komt het huis eindelijk in wat rustiger vaarwater als
pompmaker/loodgieter Claes Meesz Vierpijl er zijn intrek in neemt.
Knopenwinkel
In de eerste helft van de 18e eeuw is het huis de woon- en
werkplaats van knopenmaker Huybrecht Sas. Het huis heet dan nog
steeds De Helm. Na veertig jaar bewoning wordt hij in 1743 in de
Oude Kerk aan de overkant begraven en komt een notaris zijn
bezittingen optekenen ten behoeve van de erfgenamen, onder wie een
minderjarig kleinkind.
Sas mocht niet klagen over het succes van zijn nering. Behalve
zijn huis op het Heilige Geestkerkhof bezat hij ook nog een huis
in de Choorstraat dat hij verhuurde. Verder had hij buiten de
Schoolpoort een tuin om zich zomers te vermaken.
In het huis trof de notaris onder meer een gouden pennenkoker, een
bierkan met een zilveren lid, een testament met zilveren sloten en
nog zo wat sieraden en een goed gevulde porseleinkast.
De winkel en werkplaats was in het voorhuis. Hier stond een
toonbank, een werkbank met gereedschappen en een kast met knopen.
Ook lag hier een grote hoeveelheid kamelenhaar en 200 klossen met
zijde. In de winkelruimte stond verder een kooi met een kanarie en
en rek met een geweer. Kennelijk was Sas lid van de schutterij.
Behalve de winkelruimte telde het huis beneden een “groote
voorkamer”, een achterkamer en een “bottelarij” (voorraadkamer.
Achter het voorhuis lag een keukentje (dagelijks woonvertrek) met
zes niet nader benoemde schilderijen aan de muur. Daaronder (of
misschien onder de trap) was een klein keldertje. Boven waren drie
kamers en kleerzolder.
Schippersknechts en
muziekmeester
Na de knopenmaker treffen we in de 18e eeuw in dit huis bijna
veertig jaar lang schippersknecht Jan Mackor van het Haagse Veer
met zijn gezin van vrouw en vier kinderen aan. Hij verdient wat
bij als bidder bij begrafenissen in de kerk aan de overkant en
verhuurde halverwege de eeuw een kamer aan naaister Catrina Sluis.
Begin 19e eeuw woont hier opnieuw een schippersknecht bij
hetzelfde veer. Die heeft nog meer bijbaantjes om rond te kunnen
komen: doodgraver, kruier, turfdrager en lantaarnopsteker.
In 1825 woont hier muziekmeester Dirk de Raad, die in 1828 als
43-jarige trouwt met de 19-jarige Jacoba de Waal. Twee jaar na dat
huwelijk is hij echter al overleden.
Omstreeks 1832 komt het huis wellicht door schulden van de vorige
eigenaar korte tijd in handen van de Saaiwerkersbus. Dat is een
fonds waarvan veel Delvenaren lid zijn om zich te verzekeren tegen
ziekte en begrafenisuitkering. De bus maakt de aanwinst vrijwel
direct te gelde door verkoop aan ene Dirk van Hengel (zie Oude
Delft 140), die het twintig jaar lang verhuurt.
Cholera-drama
Eind jaren 1840 wordt er opnieuw getapt. Het is dan goed vol in
huis. Beneden wonen op dat moment tapster Alida Weltenaar, een
weduwe met vier kinderen en het gezin van brievenbesteller Dirk
Wout , van wie vader en moeder in juli 1849 kort na elkaar
overlijden, waarschijnlijk aan de cholera. Hun twee kinderen van
10 en 8 jaar oud moeten dan naar het Weeshuis.
Boven woont het gezin van Christiaan Bertram, die ook weer een
beroep heeft dat we hier eerder gezien hebben: geweermaker. Ook
hij overlijdt in de zomer van 1849 tijdens de cholera. De weduwe
vertrekt kort daarop met haar vier kinderen. Bij hen in woonde
korte tijd kanonnier Joannes Grehling met zijn vrouw.
Vervolgens wordt het huis enige tijd verhuurd aan een
strohoedenmaker en een warmoezier (groentehandelaar).
Porseleinwinkel
Na driekwart eeuw een huurhuis geweest te zijn wordt het pand in
1859 eindelijk weer gekocht door iemand die er weer zelf gaat
wonen: schoenmaker Gerrit Sprenger. Als hij hier zeven jaar later
overlijdt, begint zijn gelijknamige zoon een stukadoorsbedrijf.
Zijn moeder drijft ondertussen als weduwe een winkel in glas- en
aardewerk, samen met haar zuster. Vermoedelijk heeft haar dochter
Adriana daarin ook een grote rol. Als zij in 1881 haar einde voelt
naderen laat zij bij een notaris haar uitdrukkelijke wens
vastleggen dat Adriana het huis van de andere erfgenamen mag kopen
tegen taxatiewaarde vanwege “de belangrijke en liefdevolle
diensten die zij in haren hulpbehoevenden toestand gedurende zoo
vele jaren aan haar heeft bewezen”. En zo geschiedt een jaar
later.
Herbouw
Inmiddels is Adriana getrouwd met meubelmaker Adriaan Ouwerling,
die al langer bij zijn aanstaande schoonfamilie inwoonde. Na de
koop laat het paar er geen gras over groeien. Ze besluiten het
pand gelijk grondig te verbouwen “onder toezicht van den
gemeente-architect”. Vrijwel alles wat er heden ten dage zichtbaar
is aan het pand, dateert van die tijd, zoals de zogenoemde
‘mansarde’ zolderkap met knik in de dakhelling. Ook de deur in de
afgesneden hoek naar het pleintje is nieuw. Verder lijkt er
volgens het kadaster ook een klein keldertje te zijn gemaakt onder
het plein.
In 1887 sluit Adriana haar winkel in glas en porselein en dankt
haar stadgenoten voor de jarenlange klandizie. Drie jaar later
wordt het paar gedwongen het huis “met afzonderlijke bovenwoning”
(nr 4 en 5) te verkopen. Als huurders kunnen ze echter een
doorstart maken met de meubelmakerij. Maar ook dat loopt
uiteindelijk niet goed af. In 1895 gaat de zaak definitief
failliet en moeten ze het Heilige Geestkerkhof verlaten.

Werkplaats van een meubelmaker. Prent van Francois Stroobant
uit 1848. |
Café Konincks
Inmiddels is slager/veehouder Hendrik Lindeman sinds 1892 eigenaar
van het pand. Na de sluiting van de meubelmakerij verhuurt hij
vanaf 1896 de begane grond nr 4 als café aan Antonius Konincks.
Deze is sinds 1894 getrouwd met Maria van Zweth. Zij vraagt in
1896 (voor 45 gulden) een drankvergunning aan om in het weekend
sterke drank te mogen schenken. Het paar woont ondertussen sinds
1896 in het naastgelegen nr 3, waar Konincks 25 jaar lang tevens
een winkel drijft in boter, kaas en eieren.
In 1906 kan Konincks met een hypotheek van de Oranjeboom-brouwerij
in Rotterdam en van de vorige eigenaar het pand nr 4 & 5 kopen
voor 5.500 gulden. Hij blijft echter wonen op nr 3, waar zijn
vrouw ondanks het drukke leven in het koffiehuis/café tussen 1895
en 1918 maar liefst 19 kinderen ter wereld brengt. Het bovenhuis
nr 5 boven het café verhuren ze aanvankelijk aan onderwijzer
Leendert Ritter, later aan diens zuster Petronella Ritter, die
kostuumnaaister is.

Café Konincks met voor de deur ‘oom Stanis’ en ‘tante Anna’
en Chris (van oom Aad) en Ton Mater. In de zijdeur ‘oom
Jan’. Boven uit het raam de gezusters Van Zweth (‘tante Cor’
en ‘tante Grada). |
In 1911 wordt de ruimte van het café beneden met een verbouwing
vergroot. Naast het café heeft Konincks een stalruimte aan het
Heilige Geestkerkhof, die hij verhuurt aan zijn vroegere huisbaas
Lindeman.
Als hun zoon A.G.A. Konincks (mijn “oom Aad”) in 1921 op nr 3 de
winkel overneemt, gaat Antonius met zijn vrouw en nog thuiswonend
kroost uiteindelijk boven het café op nr 5 wonen.
Heldendaad
In de Delftsche Courant van 9 september 1938 lezen we over een
dramatisch ongeluk op de hoek van het Heilige Geestkerkhof en de
Oude Delft. Een bus vol genodigden schampt daar een paal, waarbij
de benzinetank wordt lek gestoten en vlam vat. De chauffeur heeft
aanvankelijk niets in de gaten. Konincks ziet het gebeuren en
snelt eropaf. Hij probeert de dertig passagiers uit de bus te
praten. De laatste acht moet hij echter met geweld uit de
brandende bus sleuren, die inmiddels brandt als een fakkel.
Daarbij rukt hij ze de kleren van het lijf. Het vuur was zo hevig
dat de verf bij de omliggende huizen van de kozijnen bladderde.
Van de bus bleef slechts een zwart geblakerd geraamte over, maar
alle passagiers bleven ongedeerd (afgezien van hun kleding).

Jan van Veen (links) met zijn stamgasten in 1943. Oorlog of
niet, een borrel ging er altijd wel in. |
Café “De Oude Jan”
Kort daarna verkoopt Konincks het café aan de familie Post. Deze
verhuurt het vanaf 1938 aan Jan van Veen, een voormalig
fabrieksarbeider bij Calvé en de Kabelfabriek. Hij geeft het café
de naam café “De Oude Jan“.
In 1943 ruilt Jan van Veen met de familie Post zijn huis in de C.
Fockstraat met het eigendom van het café aan het Heilige
Geestkerkhof. Jan is een sociaal mens en organiseert veel op
allerlei terrein. Een café runnen in oorlogstijd met bonnen en
avondklok is niet eenvoudig. Mede door zijn connecties bij zijn
oude werkgever Calvé, waar hij af en toe jenever weet te
“versieren”, komt hij goed de oorlog door. Een vaste gast van het
café was de destijds bekende dichter-zanger Koos Speenhoff
(1869-1945), die een liedje schreef over ‘De Oude Jan”.

Foto ter ere van de overdracht van het café aan Jan van Veen
jr en zijn vrouw Bep in 1956. Rechts de jonge Jan en links
de oude, beide met hun echtgenotes. De dame geheel links is
dochter/cq zuster Ramona van Veen, die ook geregeld de
tapkraan bediende. |
In 1956 neemt de zoon van Jan van Veen de zaak over. Hij verkoopt
het café tenslotte in 1978 aan Jan Bouwmeester. Deze verpacht het
café in 1979. In 1987/88 verkoopt Bouwmeester café en huis aan
Guido Klercks die dan al een paar jaar de uitbater is. Deze brengt
de koperen tap in die nog steeds dienst doet.

Aquarel van Jeremy Barlow uit 1981. |
Rond de eeuwwisseling bedienen nachtburgemeester Leo Quack en
zoon Vincent hier tien jaar de tap.
Sinds 2006 wordt De Oude Jan gedreven door Jon Cornelese en Thijs
van der Donk, die inmiddels ook aan de andere kant van het
pleintje de bierbrouwerij aan de Hippolytusbuurt exploiteren. Het
plein aan het Heilige Geestkerkhof, waar geregeld festivals en
evenementen worden gehouden, is inmiddels informeel omgedoopt tot
Brouwplein.

De tent van het Delftse Jazzfestival op het Heilige
Geestkerkhof in 1993. Foto A. Kerklaan, Stadsarchief. |
|