Hippolytusbuurt 19
www.achterdegevelsvandelft.nl

Vanouds De Handschoen

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Voor argeloze voorbijgangers ogen de bovenpuien van Hippolytusbuurt 17 en 19 als een groot geheel met twee afzonderlijke vrijwel identieke winkelpuien uit het begin van de vorige eeuw. Achter die dubbele gevel met gezamenlijke daklijst en zolderkap evenwijdig aan de straat van kort na 1800 gaan echter twee veel oudere huizen schuil. Aan de achterzijde is dat nog altijd goed te zien. Over de scheiding van die twee panden is meer dan 400 jaar geleden zelfs meer dan zestig jaar strijd geleverd.
In dit verhaal beperken wij ons tot het noordelijkste deel, nummer 19, ooit bekend onder de huisnaam De Handschoen. Rond 1800 verenigde een notaris dit pand met dat ernaast onder een dak aan de voorzijde maar na zijn overlijden in 1818 is het wisselend zowel gesplitst als gezamenlijk eigendom geweest.

Conflicten bij de wederopbouw na de brand
Bij de wederopbouw na de grote stadsbrand van 3 mei 1536 krijgt de eigenaar van de Handschoen, Jas-par Balthasars, een conflict met zijn buurman Thielman Gerritszn van het huis de (Witte) Kameel, ten zuiden daarvan, het huidige nr 17. Balthasars was namelijk op eigen houtje bij de herbouw begonnen zijn dakspanten en balken in de muur van de Kameel te verankeren, die kennelijk nog overeind stond. Daarbij had hij de ‘osendrop’ van minimaal twee voet (60 cm), die in de middeleeuwen tussen de huizen verplicht was met oog op de afwatering van de daken, bij zijn huis getrokken. De buren die sinds de brand tijdelijk buiten de stad vertoefden, kwamen ijlings ter plekke om een en ander te verhinderen. De dienstdoende schepenen worden erbij gehaald om de situatie ter plekke te beoordelen en stellen Thielman in het gelijk. De muur is zijn eigendom. Maar uiteindelijk laat Thielman zich toch overreden door de aanwezige werklieden om een akkoord te sluiten. Het werk mag worden afgemaakt als Bal-thasars Thielman Gerritszn tien Vlaamse ponden betaalt en op zijn kosten een loden goot aanlegt voor de waterafvoer. Ook wil hij dat een watersteen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater in de muur van de Kameel behouden blijft. Daarvoor moet Balthasars een omleiding om zijn hele huis aanleggen naar de tussenruimte met het andere buurhuis, die op dat moment kennelijk nog aanwezig is.

Nieuw meningsverschil
In 1591 breekt er opnieuw een gerechtelijk conflict uit. In dit geval wil Jannetje Jansdr, de eigenaresse van het zuidelijke pand, de Kameel alias ‘s Heeren Herberg, verbouwen en zij breekt daarbij de schei-dingsmuur gedeeltelijk af. Die is immers volgens het vonnis van 1536 haar eigendom. Haar buurman, ‘kramer’ (een handelaar die aan particulieren verkoopt, in dit geval vanuit huis) Pieter Janszoon Boo-gert, sinds 1578 eigenaar van De Handschoen, daagt haar daarop voor het gerecht en laat de werk-zaamheden stilleggen. Opnieuw komen de schepenen ter plekke om zich een oordeel te vormen en besluiten nu dat Boogert gelijk heeft en dat de muur op grond van de verbouwing van 1536 gemeen-schappelijk is geworden, zoals bij veel huizen in de stad na de brand.

Naar het Hof van Holland
In 1595 begint Boogert zelf zijn huis in de hoogte uit te bouwen en de gemeenschappelijke muur is daar onderdeel van. Willem Adriaensz, sinds enkele jaren de nieuwe eigenaar van het buurhuis de Kameel, gaat nu dwarsliggen en gaat direct met passeren van de plaatselijke schepenen bij het Hof van Holland in hoger beroep omdat hij het niet eens is met hun eerdere conclusie dat de muur gemeenschappelijk is. Daarbij komt hij onder andere met een getuigenverklaring van de zusters Duist van Voorhout, de dochters van vroegere buren, die het bovenstaande verhaal over de wederopbouw wisten op te dissen. Ook komt hij met een ‘extract’ van het eerdere vonnis van de schepenen dat het zijn muur is. Die kopie van dat vonnis heeft echter wel een heel onwaarschijnlijke datum, namelijk 14 maart 1536, zes weken vóór de brand. Aangezien alle overheidsstukken in Delft bij de brand verloren zijn gegaan, kan daar moeilijk later een waarheidsgetrouwe kopie van worden verstrekt. Maar kennelijk is de eigenaar van de Kameel toch in het gelijk gesteld, want in 1626 komt het heikele punt van de erfscheiding nog een keer terug in het koopcontract van Henrica van Drimmelen (nr. 19): op last van haar buurvrouw moet zij een bouwwerkje tegen de muur afbreken.

Jonkvrouwe Van Drimmelen
Pieter Janszn Boogert koopt het huis in 1578 van Adriaen Jansz van der Meer, die het vermoedelijk sinds 1570 in eigendom had. Wat de negotie van Boogert precies inhoudt, is niet duidelijk. Wel dat hij daarvoor poorter van de stad is geworden en dus van elders kwam. Zijn zoon Danckert Pieterszn zet zijn vaders handel in De Handschoen voort. Zoals op deze locatie wel te verwachten is, blijkt Danckerts welstand uit zijn testament.
In 1626, een jaar na Danckerts dood, koopt voor het eerst een vrouw het huis. Jonkvrouwe Henrica van Drimmelen, weduwe van de hoge bestuurder Mathijs van Clootwijck uit Geertruidenberg koopt het van Danckerts weduwe, Margaretha Lodensteijns. Om half elf ’s avonds 15 mei 1628 laat de kordate Henrica een testament opstellen over haar kleding, sieraden en de inrichting van haar huis. Daarbij sluit zij de kinderen van haar overleden oudste zoon uit. Die zijn in deze kwestie goed schadeloos gesteld. Op dat moment is zij lichamelijk ziek maar geestelijk niet: zij is ‘machtich hair vijf sinne’ (zij heeft ze alle vijf op een rijtje), zoals de klerk een aantal malen in dit belangrijke document noteert.
De welstand van de familie Van Clootwijck is groot. Dat blijkt ook uit de portretten die Van Mierevelt van Henrica’s schoonzoon en dochter maakte en een portret van Rembrandt met daarop waarschijnlijk van dochter Johanna en haar man. De familie verkeert sinds lang in de omgeving van de Prins van Oranje. Dat is een nauw contact, zoals blijkt uit een brief van diezelfde dochter Johanna aan Frederik Hendrik. Zij tikt hem op de vingers omdat hij doorslaggevende stukken niet geraadpleegd heeft bij de toezegging van een ambt. [Lees hier meer over deze freule en haar familie in hofkringen.]

Tekst en afbeelding van de grafsteen van Henrica van Drimmelen in de Oude Kerk uit het Register van grafstenen in de Delftse kerken uit 1768 van notaris/genealoog mr. Willem van der Lely, toen de wapens nog niet waren weggehakt door de Bataafse revolutionairen.

Lakenhandel van vader op zoon
Vanaf 1641 drijven Rombout de Vries van Bolgersteijn en vervolgens zijn zoon Doede hier meer dan zestig jaar een lakenhandel. Vermoedelijk kopen zij bij wevers ruwe geweven wollen stoffen in en bewerken die tot duurdere stoffen door ze te scheren, te strijken, te persen en te glanzen, de nabewerking van wollen weefsels, destijds samengevat met de term ‘apprêttage’. De scharen, tafels, persen en kaarten die Rombout en zijn vrouw in 1654 in zijn testament aan hun zoon toedenken, wijzen daarop. Ook maakt Rombout Doede erfgenaam van een lakenraam buiten de Waterslootse poort en schenkt hem een extra bedrag van 500 gulden voor het bedrijf.
Doede blijft zijn hele leven ongehuwd. De dienstmaagd van zijn ouders, Erckje van der Wal, is ook bij hem in dienst. Als zij in 1700 sterft, blijkt zij een aardig kapitaaltje gespaard te hebben. Buiten kost en inwoning verdiende zij 48 gulden per jaar. Doedes ouders hadden ieder aan haar 100 gulden nagelaten. Zij erfde dus ruim vier jaarsalarissen. Naast geld bezat zij diverse gouden sieraden en een paar schilderijtjes, waaronder twee met geschilderde abrikozen.
Na haar overlijden bleek dat zij voor Doede voor 377 gulden en 12 penningen jarenlang allerhande belastingen op etenswaren voorgeschoten had, die hij halsstarrig weigerde te betalen.
Kort na haar overlijden leggen de kunstschilder Christiaan de Man en juwelier Willem de Man namens Doe’s bezorgde vrienden een verklaring af met het verzoek hem onder toezicht te plaatsen. Tijdens een bezoek van een uur had hij er blijk van gegeven de greep op de werkelijkheid te zijn verloren. Zij verwijzen daarbij ook naar zijn conflicten met de belastingpachter.
In 1705 sterft Doede uiteindelijk als ‘bejaerd vrijer’ in zijn eigen huis. Zijn enige nog levende zuster, Beatrix, weduwe van apotheker Cornelis de Man, verkoopt vervolgens het pand aan Van Kroonevelt.

Moordaanslag in belastingkantoor
Van Kroonevelt is verschillende keren ‘collecteur’ van verscheidene belastingen zoals de impost op zeep en zout , tabak en het koffie- en theegeld. Eerder is hij een gerenommeerd drukker en boekhandelaar. Sinds 1688 is zijn zaak gevestigd op de hoek van de Nieuwstraat. Daar geeft hij onder meer brieven uit van zijn buurman Anthonie van Leeuwenhoek en werken van de Waalse predikant. In de jaren 1702 - 1704 is hij stadsdrukker. In de boekdrukkunst levert hij een primeur: als allereerste drukt hij een boek met prenten in kleurendiepdruk: Cornelis de Bruyns ‘Voyage au Levant’ Bruyn (1700). Het enig bewaard gebleven exemplaar bevindt zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam (zie hier).
In 1705 verhuist hij naar het huidige Hippolytusbuurt 19, waar hij al drie jaar later overlijdt.
Als belastingpachter werkt hij geregeld samen met Jacob van der Kemp de Jonge, die na Hendricks betrekkelijk vroege dood trouwt met diens dochter Judith. Dat het pachterschap geen rustig kantoorbaantje is, blijkt uit diverse processen-verbaal. Mogelijke fraudeurs werden thuis opgespoord of ’s avonds laat in de stadsgrachten. [Lees hier hoe de Fiod avant la lettre werkte.]
In 1724 wordt Van der Kemp weduwnaar. Twee jaar later hertrouwt hij met de weduwe Johanna Trimmel en koopt het huis van Judiths moeder. In 1730 verwerft hij ook het buurpand, Hippolytusbuurt 17, dat hij ook zelf in gebruik neemt. Datzelfde jaar wordt hij thuis in zijn zijkamer overvallen door een verontwaardigde wijnkoper die hem aanvalt met een mes. Van der Kemp weet de belager te overmeesteren, die daarop door de schepenbank voor eeuwig uit de stad verbannen wordt. Als impostmeester geniet hij een behoorlijke welstand. In 1748 wordt hij aangeslagen voor drie man/vrouw personeel, twee paarden en een eigen koets, waarvoor hij een koetshuis heeft aan het Heilig Geest Kerkhof. Na zijn overlijden in 1752 wordt hij met 18 dragers en een koets naar de Oude Kerk gebracht om te worden bijgezet in het familiegraf in de Joriskapel onder een nog altijd aanwezige grafsteen met zijn initialen “I.V.K.” (Jacob van Kemp).
De enige nog levende dochter van Jacob en Judith, Hendrina, en haar echtgenoot, Willem Box, verkopen in 1759 de beide panden, elk aan een andere eigenaar.


Inschrijving van Jacob van der Kemp op 11 februari 1752 in het begraafboek van de Oude Kerk.

Handelaar in sterke drank
De volgende koper van het huis is de buurman Hendrik Verlouw, die eerder in het huidige nr 21 een bakkerij had, maar inmiddels zaken is gaan doen in Schiedam, waar hij de handel in sterke drank is beland. Als hij in 1784 sterft, blijkt ook hij een gefortuneerd man te zijn, die in Delft diverse huizen in eigendom heeft. Naast zijn eigen huis verhuurt hij een deel van het huidige nr 17 en bezit hij twee huizen in de Molenstraat. Verder heeft hij enkele ‘companieschappen van affaires en negotie’ (handelsmaatschappij), waaronder een voor ‘branderijen en mouten’, sterke drank en bier, aan de Noordmolen te Schiedam met Jacobus Froon. Ook blijkt hij veel geld in Frankrijk te hebben belegd onder meer in leningen in Frans Canada. Voor de afwikkeling daarvan moet de notaris allerhande akten in het Frans opstellen.

Notaris in de schulden
In 1785 koopt notaris Gijsbert van Hasselt De Handschoen. Voor een kleine meerprijs neemt hij daarbij van zijn voorganger ook twee goudleren behangsels over in het salet en de eetzaal en twee geschilderde behangsels in de midden- en de achterste kamer net als een beschot van hout en glas om ’s winters de binnenplaats af te scheiden. Het pand is dus chique gestoffeerd. In 1790 koopt hij het huidige nr 17 en later het pand daarnaast. Van Hasselt voegt de eerste twee panden samen achter een nieuwe gevel met een moderne daklijst onder een gezamenlijke zolderkap aan de voorzijde van het huis. Daarbij krijgt het huis in grote lijnen het uiterlijk dat wij nu nog zien. Verder is Van Hasselt eigenaar van diverse landerijen buiten de stad.
Als hij in 1818 overlijdt blijkt zijn financiële positie echter wanhopig, hoewel hij sinds 1815 beschikt over een aanzienlijk legitiem erfdeel van zijn dan nog levende moeder. Zijn weduwe Theodora Wolters laat hij achter met veel schulden. Noodgedwongen verkoopt zij alles en trekt zij in bij familie in de Haagse Wagenstraat. De schuldeisers houden in 1819 onder leiding van de curatoren gezamenlijk beraad in het Logement De Gouden Molen aan het Noordeinde over de verdeling van de schade. In zijn faillissement sleepte Van Hasselt diverse anderen mee, onder wie de notaris die zijn zaak overneemt.


Boven een aankondiging in de Opregte Haarlemsche Courant van 11 november 1819 en daaronder een oproep in de Rotterdamsche Courant van 11 maart 1820.

Dubbelwoonhuis voor groot gezin
Opnieuw wordt een weduwe van een hoge ambtenaar eigenaar van De Handschoen. Susanna van Gasten, getrouwd geweest met vrederechter Herman Cazaux te Naaldwijk, een van de schuldeisers, koopt het ‘dubbelwoonhuis op een van de beste standen der stad Delft’ voor haar zes kinderen jonge en zichzelf voor een bedrag dat ongeveer de helft was van de hypotheek die Van Hasselt daarop had.
Lieten de dochters van Henrica Van Drimmelen zich portretteren door gerenommeerde schilders, schoondochter Catharina Annette Fraser (1815-1892), echtgenote van Maximiliaan Cazaux van Staphorst, doet dat in 1834 door Jan Adam Kruseman. Of zij het echt is, is maar de vraag. (Zie het onderschrift bij het portret hieronder.)



Kruseman schilderde in 1827 ‘Rustend meisje’, in 1833 het portret van Alida Christina Assink, in 1834 dat van Catharina Annette Fraser (de schoondochter van Susanna van Gasten) en in 1861 Salomé met het hoofd van Johannes de Doper.
Alle dames op deze schilderijen lijken erg veel op elkaar. Catharina Annette zou dan ook model gestaan hebben voor het portret uit 1827. Maar omdat zij toen 12 jaar moest zijn, lijkt zij daarvoor wat jong.

Verkoopadvertentie. Delftsche Courant, 11 december 1863.

Boekhandel
Na het overlijden van de weduwe Van Gasten koopt in 1863 boekhandelaar Willem Beets het pand. Hij is de broer van predikant Nicolaas Beets, onder het pseudoniem ‘Hildebrand’ de auteur van de 19e-eeuwse bestseller Camera Obscura, die - inmiddels hoogleraar in Utrecht - in 1880 bij Willems graf op Jaffa het woord voert. Eerder had Willem Beets een boekhandel op de Wijnhaven (nr 15). Het assortiment bestaat vooral uit Nederlandse literatuur, maar hij doet ook in schoolboeken, kookboeken en schrijfbehoeften, blijkt uit de inventarisatie van de winkelvoorraad na zijn overlijden. Daarnaast is hij onder andere als bestuurslid actief in de Maatschappij tot Nut van’t Algemeen en het Leesgezelschap “Ontwikkeling zij ons Doel”.
Beets brengt diverse veranderingen aan in het grote huis, blijkt uit de verschillende indeling bij aankoop en de beschrijving na zijn overlijden. Beneden blijven een voor- en een tuinkamer, maar twee kamers worden respectievelijk kantoor en winkel. In het kantoor staat een lessenaar, schuiftafel, loketkastje en drie boekenkasten en de winkel krijgt twee toonbanken, twee raamkasten en een laddertje. Waarschijnlijk voegt hij boven enkele kamers samen.
Volgens de verkoopadvertentie uit 1863 heeft het dubbele huis behalve de tuin twee binnenplaatsjes en - in de tijd voor de waterleiding- een grote regenbak. Ook zijn er een heel grote en een kleinere kelder, die laatste doet dienst als wijnkelder. Boven is een grote mangel- en een grote strijkkamer, een provisiekamer en kamer voor de dienstbode. Voor de knecht is er een kamertje op de ruime en luchtige zolder. Verder is er een ruime vliering en boven de keuken nog een aparte turfzolder met vliering. (Zie ook de advertentie hierboven.)
Na het betrekkelijk vroege overlijden van haar man, zet zijn weduwe, Philippina Jacoba Maria van Heijningen, de winkel op nummer 19 aanvankelijk voort. Zeven jaar later verkoopt zij die uiteindelijk toch. In het andere deel, nummer 17, blijft zij wonen.

Splitsing van panden
Bij de verkoop in 1887 worden de deuren in de scheidingsmuur tussen nr 17 en nr 19 op kosten van de verkoopster dichtgemetseld. Op zolder komt een nieuwe halfsteensmuur tussen de bestaande gebinten. De koper moet zelf zorgen voor een opgang naar de zolder, maar krijgt daarvoor wel een trap uit het andere deel van het huis. In het pand mag niet opnieuw een boekhandel worden gevestigd. Opmerkelijk is dat de verkoopster na de veiling het pand niet aan de hoogste bieder verkoopt maar aan C.J. van Doorne die tot dan toe een boek- en steendrukkerij heeft in Choorstraat 27. Hij verplaatst zijn bedrijf nu naar de Hippolytusbuurt. Zijn zoon en schoonzoon zullen het daar later voortzetten.

Drukkerij
Hoewel Van Doorne later ook enige tijd eigenaar is van Hippolytusbuurt 17 blijft de drukkerij alleen gevestigd op nummer 19. In 1899 krijgt zowel nr 17 als nr 19 een moderne, identieke winkelpui met grote etalageruiten en gietijzeren zuiltjes. Ze zitten er nog steeds maar door de huidige kleuren komen ze nu helaas minder tot hun recht. In de winkel op nummer 19 moet het druk geweest zijn, want naast drukwerk, kon je er lootjes kopen en kaarten voor Kunst aan het Volk en sollicitatiebrieven inleveren voor personeelsadvertenties onder nummer.


Links het ontwerp voor de winkelpui uit 1899, rechts de pui in 2020.

In 1908 koopt zijn zoon Van Doorne jr samen met schoonzoon Willem Lieffert Panman twee stukjes tuin van in totaal 3,5 ca tussen het pand van achterbuurvrouw Maessen aan het Oude Delft (Zie Oude Delft 128) om de drukkerij aan de achterzijde uit te breiden. Daarbij worden afspraken gemaakt dat de ramen van de drukkerij van ondoorzichtig glas moeten zijn en niet open mogen kunnen. Bij de bouwwerkzaamheden moet in de tuin van de achterbuurvrouw een schutting worden gebouwd om de steigers aan het oog te onttrekken en na de bouw moet de tuin weer in de oude staat teruggebracht. De rest van de drukkerij is dan nog eigendom van Van Doorne sr.
Sinds de dood van Van Doorne sr in 1931 is Van Doorne jr, die eerder zijn zwager al heeft uitgekocht, de enige eigenaar van de drukkerij op nummer 19. Het buurpand, nummer 17, is dan in 1920 al door Van Doorne sr verkocht.

Nationaal-Socialistische episode
In 1937 probeert Van Doorne, die al sinds 1934 in Soest woont, het pand te verkopen. In de crisistijd wil dat niet lukken. De winkel is dan al failliet verklaard. Uiteindelijk komt er op 2 oktober 1940 een einde aan de zaak. Kort daarop neemt de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij NSNAP zijn intrek in het pand, die hier op 22 februari 1941 zijn kringhuis (inclusief drankvergunning) opent in aanwezigheid van leider Van Rappard en SA-leden uit Rotterdam. De NSNAP is een splinterbeweging die zich fel afzet tegen de NSB. De laatste heeft volgens kringleider Van Heerde het nationaal-socialisme voor Nederland te veel ‘afgezwakt’. Om de opening van het kringhuis luister bij te zetten, wordt voor op straat het Horst Wessellied gezongen en de (nazi)vlag gehesen. De dag wordt afgesloten met een kameraadschapsavond.
Inwoners van Delft lopen te hoop tegen dit vertoon. Hoewel er veel politie op de been is, gaan volgelingen van Van Rappard met gummistokken de demonstranten te lijf. Later worden ruiten ingegooid en andere vernielingen aangebracht zodat bijna voortdurend Delftse gemeentepolitie op last van de Duitsers het pand bewaakt. Een jaar later worden bij het 10-jarig bestaan van de NSB alle splintergroepen door de Duitsers verboden. De NSB is vanaf dat moment de enig toegestane politieke organisatie. 


Bericht. Delftsche Courant, 16 september 1941.

Als eind oktober ’41 de NSNAP wordt opgeheven, is de nazi-propaganda in het pand nog niet voorbij. Per 4 oktober van dat jaar schrijft J.P. Schalker zich hier in als bewoner met het beroep: propagandist. Ook hij is een ‘hardliner’ die al in 1934 lid was van een andere fascistische splinterclub Verdinaso. Deze Schalker moet niet verward worden met zijn familieleden met dezelfde naam, die de actief waren in het communistisch verzet in Delft. Zijn oom is daarbij vermoord in kamp Buchenwald. Als in 1942, na de dood van Van Doorne, het pand uiteindelijk verkocht wordt, keert de rust weer.


Plan voor indeling van de drukkerij Cafari in 1975. Bouwarchief Delft.

Meubelzaak en opnieuw drukkerij
Na verscheidene kortstondige eigenaren komt het in 1950 in handen van Kooreneef, die het tot meubelwinkel verbouwt en in 1976 verkoopt aan Haakman. Hij verandert het opnieuw in een drukkerij: Cafori.



Hippolytusbuurt 19 is de rechterhelft van het grote dubbele pand 17/19. Opmerkelijk zijn de grote zolderramen in de zijgevel, die uitkijken op de Oude Kerk. Foto Achterdegevels, 2019.


Zicht van boven op het dubbele pand 17/19 en het aanverwante nr 15. De gemeenschappelijke voorgevel en zolderkap evenwijdig aan de straat is een ingreep uit de jaren 1790 om de beide panden tot een statig notariskantoor te verenigen. Aan de achterzijde zijn het zichtbaar twee af-zonderlijke huizen gebleven, waarvan 19 met nog een achterhuis achter een binnenplaats. In 1908 is daarchter nog een grote aanbouw met een plat dak gemaakt ten behoeve van de toenma-lige drukkerij aldaar. (Oorspronkelijk waren in de 16e eeuw nr 15 en 17 samen een groot pand, dat later is opgesplitst. De curieuze asymetrische zolderkap van nr is daarvan nog een gevolg.)


De plattegrond van het pand 17 & 19 (C 159) op de oudste kadasterkaart uit circa 1825.


Matthijs van der Merwede, heer van Clootwijk sr. (Ca 1555-1611) Collectie Openbaar Kunstbezit.


Familiewapens van Van Clootwijk (links) en Van Drimmelen (rechts).


17e eeuwse tekening van een werkplaats van een lakenbereider waar geweven lakens worden geprepa-reerd voor de verkoop, onder andere door een droogscheerder die de stof glad scheert, nadat het laken eerst door iemand met speciale borstels is opgeruwd, zoals op de achtergrond is te zien.












Het kantoor van een belastingpachter. (Gravure, Rijksmuseum)














































 


Overlijdensadvertentie van Gijsbert van Hasselt in de Rotterdamsche Courant van 3 februari 1819.

































 

















































Delftsche Courant, 10 mei 1864.


Boekhandelaar. Prent naar een tekening van Anton Müller, gedrukt door H. van Munster & Zn, Amster-dam. Eind 19e eeuw. Collectie Rijksmuseum.


Advertentie. Delftsche Courant, 4 november 1887.


Advertentie. Delftsche Courant, 14 november 1933.


Gedwongen inboedelverkoop. Delftsche Courant, 13 november 1937.


Verslag in Delftsche Courant van 24 februari 1941.


Hippolytusbuurt 17 & 19 in 1964. Foto G. Dukker, Rijksdienst Cultureel Erfgoed.
Elly Peeters
 
Nadere informatie over Hippolytusbuurt 19
Geplaatst: 2 december 2021
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft