Kolk 9
www.achterdegevelsvandelft.nl

Brouwerij De Kith en Amsterdamsche Grutmolen

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Kolk 9 is een gemeentelijk monument op de zuidelijke kade van de gracht. Van opzet is het zestiende-eeuws en onderdeel van een groter complex dat ooit de brouwerij De Kith vormde. In de zeventiende eeuw is dit complex successievelijk in meerdere percelen opgedeeld, waarbij dit pand aanvankelijk voor de graanhandel wordt bestemd. Vanaf 1700 biedt het bijna tweehonderd jaar onderdak aan een grutterij, die zich uiteindelijk de Amsterdamsche Grutmolen noemt. Tot ook daarvoor de klandizie terugloopt.
Na de Tweede Wereldoorlog zit hier decennialang een garagebedrijf tot het pand in 1984 grondig wordt verbouwd tot woonhuis en de status van monument verwerft.


Sinds 2012 heeft het pand een nieuwe onderpui met bovenin de huisnaam. (foto Zeeuwse Jongens Architecten)

Deel van groot complex
Een foto uit eind 19e eeuw laat zien dat Kolk 9 en het huidige Kolk 3 destijds beide een zelfde hoog, steil zadeldak hadden, dat wijst op hoge ouderdom. Verder duiden een oud spant en ten minste één moerbalk in de linker zijgevel van Kolk 9 erop dat het complex zich nog verder naar links uitstrekte en dat Kolk 3 en 9 met Kolk 11 bouwkundig één geheel vormden. Een oorspronkelijk breed huis lijkt dus te zijn opgedeeld in drie huizen. 
Het huidige bedrijfspand met bovenwoning telt drie bouwlagen en een zolder. Het perceel verbreedt zich achter het rechter buurpand (Kolk 3, zie daar). Er zijn restanten van een spiltrap-toren aanwezig, behorend bij dit belendende pand. Op de begane grond een bedrijfspui met een garagedeur. De voorgevel, in schoon metselwerk van baksteen, stamt uit 1903, zoals in steen staat weergegeven aan weerszijden van het zoldervenster. Boven de vensters zijn korfboogvormige ontlastingsbogen aangebracht. De gevel eindigt boven in een ‘Vlaamse gevel’: dat wil zeggen dat de (trap)gevel van de dakkapel in hetzelfde vlak ligt als de voorgevel van het gebouw. Met zijn pinakels en stenen afdekkingen is de gevel een voorbeeld van late neorenaissance architectuur. Het zadeldak tussen twee puntgevels heeft de nok evenwijdig aan de straat. De oorspronkelijke bouwkundige structuur achter de gevel met eiken moerbalken, kinderbinten en een kapspant is echter bewaard gebleven.

Brouwerij De Kith
Zeker al kort na de grote stadsbrand van 1536 stond op de plek van dit huis en de buren brouwerij De (Vergulde) Kith, ook wel als Kit, Kidt of Kid geschreven. De oudst bekende brouwer, te vinden in het oud rechterlijk archief van Delft, is Jacob Jansz ‘brouwer in de Culck.’ Hij laat 15 januari 1537 met Soetgen Claes huwelijksvoorwaarden opstellen.
Omstreeks 1547 verkochten de voogden van het weeskind van Jacob De Vergulde Kit aan binnenhavenmeester Pieter Jan Apersz, die zich dat jaar bij de stad inschreef als brouwer. Hij pakte de zaken groots aan want behalve de Kit kocht hij ook het huis de Sot op de zuidwesthoek van de Kolk (nu nr 1) en het huis t Land van Belofte om de hoek op de Oude Delft (nu nr 228/230). Tijdens de grote pestepidemie van 1557 overleed zijn vrouw, Lijsbeth Matheusdr, en twee jaar later lag hij zelf in zijn graf, vijf weeskinderen achterlatend. Voogden uit de rijkste families ontfermden zich over de wezen en verkochten alles met oog op hun toekomst.
Van de bezittingen werd een uitgebreide inventaris opgemaakt. Er ging heel wat om in het bedrijf. Op de zolders lagen 330 zakken gerst van elk ruim honderd liter en 95 zakken reeds gemoute gerst, klaar om te brouwen. En verder kleinere hoeveelheden tarwe (50 zakken) en haver (70 zakken). In het turfhok stonden 320 tonnen turf om de brouwketels mee te stoken en een partij kolen. Ook lagen er 2.500 houtjes klaar om de eest te verwarmen, het hete rooster waarop ontkiemde granen tot mout worden gebrand. Verder behoorden tot de inventaris twee jonge paarden en vier schapen.
In huis lag meer dan tweeduizend gulden aan contanten (genoeg om destijds een brouwerij cash mee af te rekenen) en met bierstekers (distributeurs) in Alkmaar en Amsterdam moest nog zo’n slordige 1.500 gulden worden afgerekend. Aan een andere brouwer had hij 140 zakken rogge geleverd die nog niet waren betaald.

Rosmolen
Na de dood van Pieter wordt Claes Willemsz hier brouwer in de Kith. Volgens het belastingregister van de tiende penning heeft zijn bedrijf een rosmolen, waarmee de gerst met paardenkracht in huis wordt gemalen. Wellicht dat de jonge paarden van zijn voorganger daar ook al mee vertrouwd waren.
Samen met ‘sijn wijeff Lijesbet Gherijts’ staat Claes Willemsz vermeld in het ledenregister van het gilde van de Zoete Naam Jezus. Lijsbeth stamt uit de regentenfamilie Meerman. Zelf is zij op latere leeftijd moeder van het Oude Gasthuis. Claes komt uit de brouwersfamilie Van der Heuvel. Ook zijn moeder en later zijn zus Stijntgen zijn als weduwen brouwsters, en wel van brouwerij De Visch in de Voorstraat hoek Visstraat.


Brouwerij De Drie Klaveren aan het Spaarne in Haarlem, getekend door Antonie Beerstraten, 1660. (Collectie Noord-Hollands Archief)

De Opstand
Intussen is de Tachtigjarige Oorlog in volle gang. In 1572 en 1574 draagt Claes Willemsz van der Heuvel telkens honderd ponden bij voor de krijgskas. De Staten van Holland zeggen restitutie toe maar komen nooit over de brug. Claes kan wel wat lijden. Zo is hij eigenaar van de Kitswoning, een boerderij met ruim twintig morgen land (ruim zeventien hectare) even ten noorden van de tuinen van Sion in het ambacht van Rijswijk.
Rijke brouwers zijn meer dan goed vertegenwoordigd in het stadsbestuur. Zelf is Claes Willemsz enkele jaren vóór zijn dood, in 1583, burgemeester. Reijer Lenaertsz is dan opperbrouwer (een soort bedrijfsleider) in De Kith en later in Het Dobbelde Cruijs (nu Voorstraat 18).

Desolate boedel
Vervolgens wordt Jacob Adriaen Bruijnssen van der Dussen brouwer in De Kith, nu tevens mouterij. Hij is in 1581 als poorter ingeschreven en baat de zaak uit met molenaar Pouwels Jansz. Naast zijn bedrijf had Van der Dussen ook functies als veertigraad en later buitenhavenmeester, net als zijn vader, die nog veel meer petten op had. Ook zijn zwagers zijn brouwers, respectievelijk in De  Roscam en in De Drie Bourgonsche Crucen.
Maar De Kith ontkomt niet aan de neergang van de plaatselijke bierindustrie. De zaak gaat op de fles. Eind 1596 moeten curatoren van ‘de verlaten boel’ een geschil beslechten met de aannemers over een uitbreiding van de mouterij en denning (moutzolder) van de brouwerij.

Waar stond de brouwerij?
Uit de desolate (=failliete) boedel koopt Claes Anthonisz van Hodenpijl het gedeelte ter plaatse van Kolk 9. Dat blijft De Kith heten. In 1600 telt het pand wel vijf vuurplaatsen. De juist opgeheven brouwerij had een fiks formaat en kwam uit in de Voorstraat, waarschijnlijk op het huidige huisnummer 103. Dat perceel werd in 1687 van de overige restanten van de brouwerij afgesplitst.
Aan de kant van de Kolk strekte de brouwerij zich rechts uit ter plaatse van het huidige Kolk 3 - waar nog tot ver in de achttiende eeuw De Vergulde Kith als huisnaam werd aangehouden - en naar links ter plekke van nu Kolk 11. Dit linkerdeel werd in 1611 door burgemeester Van Eijk c.s. voor drieduizend gulden verkocht aan Wiggert Gerritsz van Overmeer. Het beleefde korte tijd een doorstart als brouwerij en mouterij onder de naam Het (Gecroonde) Swaentgen of De Witte Gecroonde Swan. 

Strot afgesneden
Genoemde Hodenpijl is een rijke korenkoper met een huis en een mouterij op de Koornmarkt en korenzolders in de Cromstraetsteech (sinds 1964 Kromstraat) en op de Voldersgracht. Ook hij combineert zijn beroep met functies als diaken, veertigraad, kerkmeester, havenmeester, schepen en rentmeester op Delfshaven. Zijn (tweede) echtgenote Dirkie Jacobs is moeder van de Charitaten (armenzorg).
De man moet ook vijanden gehad hebben, want hij komt door geweld aan zijn eind. Lijkschouwers constateren bij obductie dat zijn ‘strot is afgesneden.’ Een half jaar later overlijdt ook zijn weduwe Dirckgen Jacobs.

Doorstart?
Wordt er in de afgeslankte Kith nog bier gebrouwen? Eigenaar Jacob Pietersz Zegers is korenkoper, geen brouwer. Hij verkoopt De Kith na enkele jaren en verhuist naar Brielle, waar hij wel bier gaat brouwen. Zijn opvolger Simon Hendricxz Beurke uit Den Haag, die in 1613 de poorter-eed aflegt, wordt wel vermeld als brouwer in De Kith. Hoe dan ook, dit is van korte duur. Twee jaar later wordt hij brouwer in De Clock met de Croon op het Noordeinde.

Collator
Via Willem Jansz van Santen komt De Kith in handen van zijn zoon IJsbrant. Beiden zijn eveneens korenkoper. IJsbrant is als goed katholiek collator van een vicarie op het altaar van de martelaren Crispijn en Crispinianus in de Oude Kerk met inkomsten uit 22 morgen land in Zouteveen. Er valt ook veel te bidden. Al zal dat niet meer in de Oude Kerk zijn, die inmiddels door de protestanten in bezit is genomen, maar in de katholieke schuilkerk op het Bagijnhof. Het persoonlijk leven van IJsbrants kent genoeg dieptepunten. Zijn eerste twee vrouwen, Sara van der Welle en Cornelia van Bleyswijck overlijden in het kraambed en zijn derde huwelijk, met Judith van Braeckel, wordt ontbonden nadat ‘groote onlusten waren ontstaan.’ Judith van Braeckel ontvangt een alimentatie van vierhonderd carolusgulden en keert terug naar Haarlem, waar zij al eerder had gewoond met haar eerste man Arnout Meijnerts Fabricius, die daar schepen was en raad ter admiraliteit.

Enig erfgenaam
Machtelt van Santen, IJsbrants enig nagelaten kind, erft het huis. Zij is getrouwd met Nicolaes Croeser, doctor in de medicijnen. Croeser is een aanzienlijk man met functies als veertigraad, havenmeester, kapitein van de burgerij en op het laatst schepen. Niettemin wordt Machtelt van Santen al vroeg weduwe. Tot haar dood woont zij aan de Oude Delft in 't derde huijs van ’t Bagijnhof’. De omgeving daar vormde een katholieke enclave. Machtelt laat geen kinderen achter maar wel een zeer aanzienlijke erfenis.

Grutterij
In 1700 koopt Cornelis Jansz Cleij het pand en richt het in als grutterij. Cleij maakt afspraken met zijn achterbuurman Hartevelt over het gebruik van de poort naast diens huis naar de Oude Delft. Tegen een vergoeding van elf zilveren ducatons mag hij de kade voor de poortuitgang gebruiken.
Cleij is de eerste van een ononderbroken reeks grutters die hier bijna twee eeuwen een grutmolen exploiteren. Een grutter of gortmolenaar verwerkte boekweit tot gort en deze boekweitgort vervolgens tot meel. In de grutterij werden ook grutters- en andere kruidenierswaren verkocht.
Na twintig jaar draagt Cleij de zaak over aan Pieter Jansz Tetterode uit Wateringen en diens vrouw Cornelia Westermeer. Tetterode houdt het al na drie jaar voor gezien. Op de pof koopt hij in Poeldijk een huis genaamd De Herbergh van den Hollantsen Thuijn met een schuitenhuis, een schuit en een paard voor ruim vierduizend gulden.  We zien hem terug als marktschipper op Delft, ’s-Gravenhage, Leiden en Rotterdam.

Pijnlijke affaire
François Leckerkerk koopt De Vergulde Kith met grutterij en toebehoren en trouwt met Cornelia Hemeltekam. Enkele jaren later gaat het gerucht dat Leckerkerk een buitenechtelijke kind heeft verwekt bij Cornelia, de 21-jarige ongehuwde dochter van Johannes Rotteveel, grutter in de Alkmaarse Gortmolen aan de westzijde van de Voorstraat. Met een notariële ‘akte van insinuatie en protest’ probeert hij de beschuldiging te ontzenuwen. De op pad gestuurde notaris treft Cornelia’s vader thuis. Die gaat niet in op de aanzegging, nu de dominee, de kerkenraad en zelfs de classis de zaak in behandeling hebben. Cornelia zelf houdt vol dat François de vader van haar kind is. Kort daarna trouwt zij, met een andere man.
In 1734 verkoopt François de grutterij en wordt hij brouwer in De Ster op het Noordeinde.

Pelmolenaar
De volgende eigenaar annex bewoner is Joris Samuelse den Ouden, die jong overlijdt. Maria van den Velden, zijn weduwe, hertrouwt met Pieter Rotteveel. Pieter is grutter in De Alkmaarse Grutmolen, eerder de zaak van zijn oom, de al genoemde Johannes Rotteveel.
In De Vergulde Kith hebben Pieter, Maria en haar twee voorkinderen hulp van een ‘knegt en twee meijden,’ die bij hen inwonen. Voor de rosmolen zijn er drie paarden. Pieter is tevens eigenaar van pelmolen Den Otter. Deze pelmolen staat vlak bij molen De Roos op de stadsvest tegenover de Bagijnensteeg (nu Bagijnestraat). Dit type molen pelt boekweit tot gort en kan pas werken vanaf windkracht zes. Pieter Rotteveel en vijf andere molenaars dienen in 1746 een rekest in om de bomen te snoeien ‘tot op een bequaeme hoogte’ omdat die veel wind vangen waardoor hun productie aanzienlijk terugloopt. Vlak voor zijn overlijden verkoopt de 79-jarige Pieter Rotteveel pelmolen De Otter aan een consortium. Pieter, dan nog wijkmeester, laat geen eigen kinderen na. Hij wordt met wel zestien dragers en koetsen uitgedragen vanaf zijn huis ‘in ’t Noord-eijnde,’ zoals de buurt ten noorden van de Oude Kerk dan nog heet.


De molen De Roos en de Otter (daarachter) aan de stadssingel in 1763. Tekening van Hendrik Trier. (Collectie Stadsarchief)

Van moeder op zoon
Maria van den Velden verkoopt het pand in 1762 voor achtduizend gulden aan haar zoon Willem den Ouden, precies een dag na zijn trouwdag met Cornelia van Rijp uit Delfshaven. Al na zes jaar overlijdt Willem. Cornelia zet de grutterij voort en hertrouwt met grutter Joannes Nieu(w)huis. Joannes krijgt van het stadsbestuur toestemming om zijn paardenmest op te slaan op een leeg erf achter de Dirklangensteeg bij het huis van Gijsbert Kouwenhoven, molenaar op De Roos.

Teruglopende vraag
De vraag naar boekweitproducten loopt terug. Joannes Nieuhuijs en de acht andere grutters van Delft proberen hun inkomen op peil te houden door de vacant rakende grutterij De Alkmaarse Grutmolen uit te kopen. Dat lukt in 1783 met toestemming van de Heren van de Wet. In 1787 koopt Nieuhuijs het huis Het Landt van Beloften op de Oude Delft (nu huisnummer 230) om aan zijn bedrijf toe te voegen. Dit pand en zijn huis op de Kolk grenzen ruggelings aan elkaar.
Joannes en Cornelia doen nog een andere poging het tij te keren. Met de nodige vergunningen voor een spoelingbak en ‘rioolen’ laten zij in 1792 voor 3.226 gulden timmerman Andries de Heus, schoonzoon van Cornelia van Rijp, een korenwijnbranderij bouwen op de noordkade van de Kolk, tegenover de grutterij. In 1804 draait dit echter uit op cessie (boedelafstand). Na de dood van Cornelia, in 1816, verhuist Joannes naar Voorburg.


Joannes Nieuhuijs kan zijn schulden niet betalen en moet zijn goederen aan zijn schuldeisers cederen (afstaan). Rotterdamse courant, 29 december 1804.

Het complex van de Amsterdamsche Grutmolen op de oudste kadasterkaart van 1825. Sinds 1700 had de grutterij het medegebruik van de poort naar de Oude Delft en sinds 1787 is het pand voorheen ‘Het Land van Belofte’ (Oude Delft 230) aan het complex toegevoegd. In 1831 deed dat dienst als stal en pakhuis.

Met noorderzon vertrokken
In 1819 is de zaak in handen van boekweitmolenaar Arij Binneweg. Meestergrutter Cornelis van Voorst uit Maartensdijk volgt hem op. Zijn vrouw Margaretha van Dijk overlijdt in het kraambed en Cornelis hertrouwt met Gerarda Gesina Ligtrink uit De Meern. Al na anderhalve maand verlaat hij haar zonder iets van zich te laten horen. Alleen kan of wil Gerarda de grutterij niet voortzetten. Na een klein jaar benoemt de rechtbank in 1838 een notaris om het huis, ‘thans genaamd De Amsterdamsche Grutmolen’, met de grutterij te verkopen.

Laatste grutters
Johannes Visser koopt het grutterijcomplex en trouwt met Anna Zeeuw. Beiden komen uit Overschie. De volkstelling van 1839 registreert hen met hun dan nog ‘slechts’ vijf kinderen, een gruttersknecht en een dienstbode. Als Visser op 44-jarige leeftijd overlijdt laat hij echter elf kinderen na, van wie er tien nog minderjarig zijn. Uit de boedelinventaris blijkt het uitgebreide assortiment kruidenierswaren dat in hun winkel te koop is, zoals witte, bruine en grauwe erwten, witte, bruine, duiven- en paardenbonen, ‘korenten’ (krenten) en rozijnen, rijst, raapolie, slaolie, kaarsen, kaneel, nootmuskaat en saffraan.
Anna Zeeuw zet het bedrijf nog twintig jaar voort, eerst met grutter Willem van Geer, die al gauw met Anna’s dochter Neeltje trouwt, later met Willen Nakken. In 1874 verkoopt Anna Zeeuw de grutterij, paardenstal en wagenhuis achter haar winkel voor 2.950 gulden. Haar zoon grutter Hendrik Visser koopt dit complex een jaar later terug voor 3.600 gulden. Deze doorstart lijkt van korte duur te zijn geweest, want na 1892 wordt Hendrik niet langer meer als grutter vermeld.

Banketbakkers
Hendriks jongere broer Dirk Visser, die timmerman is, erft het winkelhuis De Amsterdamsche Grutmolen van Anna Zeeuw. Na een verbouwing verkoopt hij het in 1903 aan Evert Elkenbracht, die de voorgevel in neorenaissancestijl vernieuwt. Deze bouwkundige en vastgoedhandelaar verhuurt het pand aan banketbakkers. Eerst aan Christiaan Dijkman, die op jeugdige leeftijd overlijdt. Zijn broer Petrus volgt hem op maar gaat na een jaar failliet. Vervolgens huurt Leendert de Jong de zaak. De huur bedraagt vier gulden per week voor de benedenwoning en drie gulden voor de winkel.

Meubelmagazijn De Kolk
Bij een woningonderzoek in 1909 komen gebreken aan het licht. Nog steeds doet de pomp buiten op de plaats dienst als drinkwatervoorziening, ook in de bakkerij. De al aanwezige aansluiting op de duinwaterleiding gebruikt bakker De Jong als spreekbuis. Die leiding moet natuurlijk haar eigenlijke functie krijgen. Ook moet er een vaste trap naar de zolder komen en een hek om het trapgat. (Zie hier het formulier van het woningonderzoek van de Gezondheidscommissie)
In 1916 koopt het echtpaar Van Tricht-Dersjant het winkelhuis. Zij wonen er dan al en drijven er het meubelmagazijn De Kolk. In 1921 zetten ze daar een punt achter. Vervolgens vestigt Van IJzendoorn er kleermakerij/kledingmagazijn De Paradijsvogel. In 1926 probeert meubelmagazijn De Kolk het opnieuw. Na een jaar verhuist De Kolk naar Vlamingstraat 26, waar de zaak in 1931 wordt opgeheven.

Café billard
Tot eind jaren 1930 exploiteren achtereenvolgens Bartholomeus van Holstein, Leendert de Vrieze en Van der Salm in het pand een café billard. In die tijd bedraagt de huur zestien gulden per week en heeft Kolk 9 een achteruitgang op de Oude Delft.


Op deze foto van W.L. van der Poel uit 1960/1962 ziet de gevel boven het garagebedrijf Köhler er nog net zo uit als sinds de verbouwing van 1903. Zulke neptrapgevels en geblokte ontlastingsbogen boven de vensters zijn typerend voor de bouwstijl van die tijd (neorenaissance).

Eind jaren dertig kan je op Kolk 9 een Harley-Davidson of een Bugatti kopen. Tot 1945 bewoont schoenmaker Mahieu de bovenwoning (Kolk 9A). Hij heeft zijn werkplaats elders, op Koningsplein 27.
Tot in de jaren 1970 heeft het Haagse bedrijf Köhler Autoverhuur hier een garagebedrijf.

Nieuwe onderpui
In 1984 wordt de woning verbouwd. In 2010-2012 wordt de onderpui vervangen en de voorgevel gedeeltelijk veranderd. Tot slot volgt eind 2021 toestemming voor het wijzigen van de gevel, plaatsen van een veranda en maken van constructieve wijzigingen op de verdieping.


Wim van Veen


Kolk 9 in 2011, kort voordat de onderpui vernieuwd is. (fotograaf onbekend)













Op deze foto van de Lutherse kerk aan het Noordeinde kort voor 1900 zijn op de achtergrond Kolk 1-11 te zien, waarvan de middelste twee panden heel anders van gedaante zijn dan tegenwoordig. Hetzelfde geldt voor het hoekpand aan de overkant van de Kolk.
(fotograaf onbekend)


Op een kaart uit het begin van de 17e eeuw van landmeter Balthasar Florisz Berckenrode is aan de zuidzijde van de Kolk een stel opvallend afwijkend gebouwen afgebeeld rond een binnenplaats, die vermoedelijk samen brouwerij De Kith vormden.


Foto van een rosmolen in het Openluchtmuseum Erve Kots, Lievelde.






















 

De Kitswoning bij Sion op de kaart van Crucquius uit 1712 van het Hoogheemraadschap Delfland.


Een brouwerij rond 1600 in vol bedrijf. (Tekenaar onbekend)


Het wapen van de familie Hodenpijl op de luifel van een kerkbank in de dorpskerk van Schipluiden. (foto Jacques Moerman)














Crispinus en Crispinianus, patroonheiligen van de schoenmakers, de leerlooiers en de orthopedisten, verbeeld door de Nederlandse beeldhouwer Gérard Héman (1914-1992). (foto van de website van de kunstenaar)


Postuum portret van (vermoedelijk) Judith van Braeckel, geschilderd door Johann Friedrich Bodecker, 1707. (Collectie Frans Hals Museum)


De pagina over de grutter in het boek ‘Spiegel van het menselyk bedryf’ van Jan Luyken uit 1694.


Een emmer met gepeld (maar nog ongemalen) boekweitzaad. (Ongepeld hebben de zaden enigszins het uiterlijk van beukenootjes.)






















Gevelsteen van een grutterij in Nieuw Loosdrecht.



















Na de vlucht van Cornelis van Voorst laat de rechtbank het grutterij-complex veilen. Rotterdamsche courant, 12 maart 1831.


Na tien jaar laat Gerarda Ligtrink haar voortvluchtige echtgenoot dagvaarden. Nederlandsche Staatscourant,
5 juli 1841.


In 1874 zet Anna Zeeuw haar winkelhuis en grutterij met toebehoren te koop. De advertentie geeft daar een mooie beschrijving van. Delftsche courant, 27 februari 1874. Uiteindelijk wordt het bedrijf bij die gelegenheid niet verkocht.


Advertentie van bakker C. Dijkman in de Sportkroniek,
5 april 1906.


Als banketbakker P. Dijkman failliet gaat, moet de huisbaas op zoek naar een nieuwe huurder. Haagsche courant, 30 oktober 1908.


Opheffing van meubelmagazijn De Kolk. Delftsche courant, 21 mei 1921.


Kledingmagazijn ‘De Paradijsvogel’ richt zich op heren-studenten. Delftsche courant, 13 februari 1925.



Nieuwjaarswens van de eerste caféhouder Van Holstein. Delftsche courant, 31 december 1928.



Een dergelijke Bugatti Grand Sport werd hier te koop aangeboden in de Haagsche courant van 22 juli1938.
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Kolk 9.

Geplaatst: 31 december 2025 / Laatste wijziging: 14 maart 2026
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft