| Lange Geer 16 | www.achterdegevelsvandelft.nl | ||
![]() |
|||
| Voorheen De Blauwe Kuip |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
||
| Lange Geer 16 is nu het adres van
een bloemenwinkel, maar ooit was het een zelfstandig pand, het
rechtse van de nu drie huizen brede bloemenwinkel. Boven de
lijstgevel van het huis piept nog net een puntje van een zadeldak
uit, zodat het vermoedelijk vroeger een trapgevel heeft gehad. De
Monumentenlijst van Delft dateert het als zeventiende-eeuws, in
oorsprong mogelijk ouder. Als we kunnen afgaan op de geschilderde
plattegrond van na de stadsbrand in Museum Prinsenhof, is het in
1536 gespaard gebleven. In de loop der tijd is er veel aan verbouwd
en het is niet bekend of er in het interieur of in de kapconstructie
nog oude onderdelen bewaard zijn gebleven. De gevel oogt
negentiende-eeuws en de winkelpui die de drie onderdelen van de
bloemenwinkel visueel met elkaar verbindt, is modern (1968). Gulden Bostelmande In 1594 woont de bostelkoper Willem Gerritsz met zijn gezin in het huis, dat dan De Gulden Bostelmande heet. Bostel is het restproduct van mout uit de Delftse bierbrouwerijen. Eerst schenkt men er nog water doorheen om zo een zeer schraal en bederfelijk bier voor de gewone man te bereiden (‘genoemt Delftsche Keuyte’ schrijft Van Bleyswijck, 1667). De overblijvende pulp wordt als veevoer verkocht, voor paarden, koeien, varkens en geiten, maar ook voor pluimvee. In de negentiende eeuw toont scheikundige analyse aan dat bostel inderdaad kwaliteiten heeft: ‘hoe weinig in aanzien, het is eene uitnemende voedingsstoffe’. Soms wordt het ook op akkers toegepast als meststof. Het komt goed uit dat Willem Gerritsz aan de gracht woont, want bostel laat zich het gemakkelijkst per schuit vervoeren, blijkbaar in manden. Zijn huis is een diep pand. Vanaf de voorgevel aan de Lange Geer loopt het door tot aan de schuine Giststeeg, waarin het een achteruitgang heeft. De bostelhandelaar heeft een huurder. In 1600 woont de mandenmaker Claes Maertensz bij hem in met zijn gezin. De vrouw van de bostelkoper sterft, waarna hij hertrouwt. De inwonende mandenmaker heeft vijf zoons, zoals blijkt als zijn naam samen met die van zijn huisbaas in 1607 opduikt in het register van de Weeskamer, maar zowel Claes Maertensz als Willem Gerritsz zijn dan reeds overleden. Het huis aan de Lange Geer wordt in 1608 door Willems tweede vrouw en zijn overige erfgenamen verkocht aan Louris Gerritsz.
Blauwe Kuip Vanuit De Drie Spijckerbooren, nu Lange Geer 10, drie deuren verderop, neemt Louris Gerritsz in 1608 met zijn echtgenote Rachel Hendricksdr en hun drie dochters zijn intrek in De Gulden Bostelmande en doopt het huis om; naar zijn vak gaat hij het De Blauwe Kuip noemen. Hij is een blauwverver, hij kleurt textiel, vooral lakense stof (wol) en soms ook linnen, door het in grote kuipen met verwarmde verf te dompelen en langdurig met een lang roerhout in beweging te houden. Het zeer bewerkelijke procedé, waarbij wede en vanaf de zestiende eeuw ook indigo worden toegepast als plantaardige verfstoffen, kent als ingrediënten daarnaast onder meer tarwezemelen, potas (een kaliumverbinding), kalk, aluin en urine. De duur van de onderdompeling en ook de lengte van de toegepaste zeer onwelriekende periode van gisting bepalen mede de uiteindelijke kleur, die pas na blootstelling aan zuurstof van grauwgroen in echt blauw verandert. Deze laatste toverachtige omslag en wellicht ook het bewerkelijke karakter van het proces hebben geleid tot de inmiddels verouderde uitdrukking ‘ik kan niet heksen en blauwverven tegelijk!’, waarvan nu alleen ‘ik kan niet heksen!’ is overgebleven. Erg intensief blauwverven leidt uiteindelijk tot een blauwzwarte tint die met extra ingrediënten ook diepzwart kan opleveren, een gewilde en kostbare kleur lakense stof. De vroegere naam De Gulden Bostelmande was vermoedelijk kenbaar geweest in de vorm van een uithangteken. Had het huis een ingemetselde gevelsteen gehad dan zou de blauwverver de naam minder gemakkelijk hebben kunnen veranderen. Voor zijn werk bezit hij een van zijn schoonvader overgenomen grote werf ‘opt Broerhuijs’, nu de Beestenmarkt. Zijn broer Gerrit Gerritsz heeft daar vlakbij op de hoek van de Molslaan en de Beestenmarkt ook een blauwververij, genaamd Het Blauwe Lam. Mogelijk werken zij samen. Louris Gerritsz kan zich blijkbaar permitteren meer dan zijn eigen adres aan onroerend goed te bezitten en erin te handelen. Hij is na zijn verhuizing in 1608 naar Lange Geer 16 in bezit gebleven van zijn voorgaande adres, het grote pand Lange Geer 10, en helpt in 1610 de broer van zijn vrouw Abraham Hendricksz, die net als zijn vader schoenenfabrikant is, bij de aankoop van het tussenliggende adres Lange Geer 12-14, De Vergulde Voet. Twee huijskens en een camer In 1624 overlijdt de blauwverver, vermoedelijk aan de pest, die in dat jaar hevig huishoudt in de stad, maar zijn weduwe zet het bedrijf nog geruime tijd voort, als ‘Raechel in de blaeucuijp’. Pas in 1644 wordt De Blauwe Kuip door haar drie dochters bij een veiling van de hand gedaan; Rachel Hendricksdr is in 1643 overleden. In de dan opgemaakte inventaris van haar nalatenschap komen geen attributen of grondstoffen uit de bedrijfsvoering voor, of het moest ‘een partij calck’ zijn. Vermoedelijk was de eigenlijke blauwververij op de werf aan de huidige Beestenmarkt gesitueerd en al eerder van de hand gedaan. In de verkoopvoorwaarden van de veiling van 1644 wordt De Blauwe Kuip nader omschreven. Aan weerszijden van de achteruitgang in de Giststeeg zijn twee ‘huijskens’ in het pand afgezonderd, als te verhuren of los te verkopen appartementen. Bij de veiling behoren ze wel tot de koop. Het achterste deel van het huis is naar rechts (zuidelijk) wat verbreed met een kamer waarboven een zolder met een vliering is. Oorspronkelijk had deze ‘camer’ deel uitgemaakt van het achterhuis van het buurhuis De Vergulde Voet, Lange Geer 12-14, zo licht de akte met de verkoopvoorwaarden toe, maar nu in 1644 behoort die tot De Blauwe Kuip. Deze overeenkomst is gesloten door Louris Gerritsz en zijn zwager en blijft bij de veiling gelden. Veel later, als De Blauwe Kuip eigendom is geworden van de hoefsmid Joseph Simonis (1779), zal de oude overeenkomst sterk uitgebreid worden tot de gehele achterste helft van de diepe Vergulde Voet, die Simonis aan het einde van de achttiende eeuw aankoopt om er een pakhuis voor zijn smederij (Lange Geer 16 en 18) van te maken. Yverig ouderling De hoogstbiedende bij de veiling van De Blauwe Kuip in 1644 is de zand- en kalkverkoper Claes Coertsz. Hij heeft een bedrijfje De Vergulde Valck, Achterom 32-34, tegenover brouwerij Den Ham. Hij koopt en verkoopt vaker onroerend goed in de buurt, kennelijk om het te verhuren en om ermee te speculeren. In december 1645 wordt vanuit De Blauwe Kuip een kind van Jurriaen du Cree ten grave gedragen in de Nieuwe Kerk. De gezinsleden wonen daar dan dus al; het huis is aan Du Cree verhuurd. In 1645 heeft deze ook al een onderhuurder in De Blauwe Kuip: Adriaen Jorisz Roskam. Eerst in 1654 wordt Du Cree eigenaar van het huis. Claes Coertsz heeft het dus al kort na zijn aankoop in 1644 verhuurd en verkoopt het tien jaar later aan de huurder. Jurriaen du Cree heeft verschillende beroepen gehad. Hij wordt suikerbakker genoemd en kruidenier (destijds de aanduiding van een drogist of winkelier in koloniale waren). Ook blijkt hij eens van iemand geld voor geleverde wijn tegoed te hebben. Naast zijn werk is hij ouderling in de kerk. Bij zijn overlijden in 1684 wordt hij in het begraafboek met warmte herdacht als de oudste ouderling van de kerkelijke gemeente, die een ‘bysonderen yver’ voor haar welstand en leden aan de dag heeft gelegd. Zijn weduwe verkoopt De Blauwe Kuip in 1690 aan de volgende eigenaar, Franck Cornelisz van der Burgh. Van de rente leven Van der Burgh is ‘huisman in de ketel’, dat wil zeggen een boer in de polder Kethel bij Schiedam. Hij krijgt contact met Catharina Jansdr de Hooch, een Delftse jongedochter die op een voor het tweetal gunstige plek woont, buiten de Ketelpoort. Ze trouwen in 1689 en besluiten naar de stad te verhuizen. Hij koopt op 2 mei 1690 De Blauwe Kuip en staat op 3 juli daaropvolgend in de gemeentelijke lijst van nieuw-ingekomen Delftenaren met vrouw en één kind genoteerd en aangeduid als een ‘kruijenier’. Hij lijkt dus de kruidenierswinkel van Du Cree over te nemen. De jaren daarna wordt het gezin met twee zoons uitgebreid, maar Catharina sterft en haar weduwnaar trouwt in 1704 met Magdaleentje Cornelisdr Cock, met wie hij nog twee zoons krijgt. In 1733 blijkt Van der Burgh inmiddels werkzaam te zijn als ‘ordinaris veerschipper’. Na zijn dood komt Magdaleentje in het bezit van De Blauwe Kuip, in 1745, op grond van het wederzijds testament dat de echtelieden hebben laten opstellen. Als in 1749 de belastinggaarder een nieuw register opstelt, noteert hij bij haar adres: ‘De weduwe Frank van der Burg leeft van haar renten’. Brandewijn Over Daniël Paulussen en Johanna Kouwenhoven, de volgende eigenaars, die de eigendom van De Blauwe Kuip samen delen, is minder bekend. Het echtpaar koopt De Blauwe Kuip in 1752 en krijgt er drie kinderen, Nicolaas, Christina en IJda. Hij is een varensgezel en overlijdt op zee en zij heeft in de jaren vijftig een vergunning voor het slijten van brandewijn. Er volgt echter een faillissement en curator Joris Geesteranus verkoopt haar huis in 1757 aan de vrachtvaarder Barend Slegge. Slegge is een ‘coorn schipper’, hij vaart met vrachten graan naar Rotterdam, Schiedam en Den Haag. In 1726 is hij getrouwd met de Leidse Maria van der Hidde en heeft met haar in de jaren tot 1747 dertien kinderen gekregen. Een aantal van hen sterft jong, zodat er sprake is van drie opeenvolgende Cornelia’s en ook drie Margrieta’s. Hij woont met zijn gezin in De Kersseboom, Koornmarkt 25. (Zie daar) In 1757 koopt hij De Blauwe Kuip, waarschijnlijk als belegging. Hij bezit meer huizen en huisjes in Delft en ook onroerend goed buiten de Oostpoort. Eerst later, in 1765, gaat hij met zijn gezin in De Blauwe Kuip wonen. De route naar Rotterdam Op 16 november 1759 klaagt de schipper Jacobus van der Maas bij de Delftse overheid dat Barend Slegge hem op zijn oude dag brodeloos maakt en dat ‘met een gebreckelyke vrouw en drie kinderen’. Slegge heeft lang geleden toestemming gekregen met zijn ‘damlooper’ (dat is een binnenvaartschip dat geschikt is om over de helling bij een dam of overtoom tussen twee waterwegen met verschillend waterpeil te worden getrokken) van Delft via Delfshaven op Rotterdam en terug te varen, maar nu heeft hij van de Delftse overheid gedaan gekregen dat hij de route van en naar Rotterdam ook mag verleggen via Overschie. Slegge heeft die toestemming zo uitgelegd dat hij ook vracht van Rotterdam naar Overschie kan varen, waarmee hij danig onder de duiven van Jacobus van der Maas schiet, die al zestig jaar met zijn vader juist die vaart onderhoudt. Van der Maas smeekt ‘Haer EdelgrootAgtbaarheden’ een einde te maken aan ‘die slegte en inhalende behandelingen van Barend Slegge’ en stelt de heren voor Slegge de verleende toestemming voor de route via Overschie eenvoudigweg weer af te nemen. Die voor de route over Delfshaven kan hij behouden, ‘aan ’t welke hij een Veer heeft dat een zeer ruijm bestaan is’. Het antwoord van de heren regeerders van Delft is niet bekend. Zaaken en affairens Dat graanschipper Slegge inderdaad een ruim bestaan blijkt te kunnen leiden is niet alleen toe te schrijven aan zijn route over Delfshaven, maar zeker ook aan zijn positie als laatst overgebleven familielid van de Slegges. Hij is daardoor universeel erfgenaam van zijn ouders, zijn overleden zuster Catharine én zijn beide overleden broers Roeland en Maarten. Maarten Slegge heeft al in 1737 in de Oost het leven gelaten en het heeft Barend veel moeite gekost om via gemachtigden diens Oost-Indische ‘zaaken en affairens’ op orde te krijgen. In 1765 doet Barend Slegge De Kersseboom over aan zijn zoon Pieter en vertrekt met de rest van zijn gezin naar De Blauwe Kuip. Voordat zijn vrouw Maria van der Hidde het volgend jaar begraven wordt, heeft zij, zo geeft het begraafboek aan, aan de ‘oostzyde van de Coornmarkt’ gewoond, welke aanduiding verwijst naar de Lange Geer, die vroeger soms ook als Koornmarkt aangeduid werd. Weggegeven en opnieuw gekocht Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwt Barend Slegge in 1767 met de meer dan 25 jaar jongere Maria van Frijtom, weduwe van de Delftse meester-chirurgijn Cornelis Silo. Als zijn dochter Maria Slegge in 1767 eveneens trouwt woont zij bij haar vader in De Blauwe Kuip. Twee jaar later, als ze zwanger is, schenkt haar vader haar en haar man het huis, ‘bij acte van donatie’, een gul geschenk van iemand met zoveel kinderen, maar Slegge met zijn ruime portefeuille aan onroerend goed kan het zich waarschijnlijk permitteren. Eind oktober 1769 bevalt dochter Maria Slegge in De Blauwe Kuip van een tweeling, Cornelis en Godaart, maar de laatste is geen lang leven beschoren, zodat in januari 1771 nog een tweede Godert volgt. Later in datzelfde jaar kunnen Maria Slegge en haar man Pieter Eduwartsz echter niet meer aan hun verplichtingen voldoen, ze gaan failliet, en curator Johannes Landman verkoopt De Blauwe Kuip om met de opbrengst hun schuldeisers te kunnen uitbetalen. Het huis wordt dan, verrassend genoeg, gekocht door Maria’s stiefmoeder, daartoe gemachtigd door haar man. Barend Slegge (die dan mogelijk nog bij zijn dochter inwoont) koopt De Blauwe Kuip dus voor de tweede maal om zodoende zijn dochter en schoonzoon in het huis te kunnen laten blijven wonen. In 1773 koopt Slegge het voormalig broodbakkerijtje De Vergulde Roskam aan de zuidzijde van het Achterom, nu nummer 41. Daar gaat hij met Maria van Frijtom wonen. Achter het huis is een grote tuin tot aan de Vest, breed uitlopend tot aan de Sliksteeg en gelegen op het zuiden, met veel zon, goed voor de oude botten. Vanuit zijn huisje (‘int Agterom’) wordt Barend Slegge op 16 mei 1789, op 87-jarige leeftijd, naar zijn graf in de Oude Kerk gedragen. Maria van Frijtom volgt hem op 31 maart 1794, 61 jaar oud. Besluit Toen de oude Barend en Maria in De Vergulde Roskam woonden, hadden dochter Maria Slegge en haar man na verloop van tijd ook een ander woonadres gevonden. In 1779 was Maria van Frijtom opnieuw door haar bejaarde man gemachtigd. Zij verkocht toen in zijn naam De Blauwe Kuip aan de smid Joseph Simonis, die al vijf jaar een goed lopende hoefsmederij in het buurhuis links (noordelijk) ervan dreef. Met Simonis’ aanschaf van De Blauwe Kuip was de omvang van zijn werkplaats en woonadres meer dan verdubbeld. Het vervolg van het wedervaren van De Blauwe Kuip, later in gebruik als een winkel van onder meer kachels en metalen huishoudelijke artikelen in bezit van de smeden van Lange Geer 16, 18 en 20, maakt onderdeel uit van de geschiedenis van Simonis’ smederij, die bij Lange Geer 18 is beschreven. Josien Clement en Anne Jacobs Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Lange Geer 16 Geplaatst: 8 januari 2026 |
|
![]() Lange Geer 16 in 2025. (Foto Kees van der Wiel) ![]() Een bekende bierbrouwer biedt bostel aan in de Delftsche Courant van 8 september 1878. ![]() Begin jaren ’60 van de vorige eeuw had het pand op de begane grond nog een art-deco-achtige winkelpui. Boven de lijstgevel is een klein puntje van het zadel- of schilddak erachter te zien. Uitsnede van een foto van W.L. van der Poel, Openbare Werken. ![]() Blauwververs aan het werk op een glasschildering uit de zestiende of zeventiende eeuw. (Collectie Museum De Lakenhal, Leiden.) ![]() Het terrein achter de Beestenmarkt en de Molslaan dat de vrouw van Louris Gerritsz van haar ouders heeft geërfd en de ververij Het Blauwe Lam van Louris’ broer Gerrit blauw gekleurd op een fragment van de 17e-eeuwse Kaart Figuratief. ![]() Het huis, voorheen De Blauwe Kuip, op de oudste kadasterkaart, opgemeten omstreeks 1825. ![]() Kruidenierswinkel. Schilderij van Willem van Mieris, 1717. (Collectie Mauritshuis, Den Haag) ![]() De Ketelpoort rond 1750, met op de achtergrond, ongeveer achter de eerste boom, het huis De Blauwe Kuip aan de Lange Geer. Uitsnede uit een penseelschets van Gerrit Toorenburgh (1732-1785). (Collectie Stadsarchief) ![]() Een oude brandewijnkruik. ![]() De Schie en de polder De Kethel (Ketel) op de ingekleurde kaart van het Hoogheemraadschap van Delfland van de hand van Nicolaes en Jacobus Kruikius (of Cruquius), 1712. (Collectie Bibliotheek TU Delft.) Rechtsboven de stad Delft, midden onder het dorp Overschie, met een aftakking van de Schie naar Rotterdam. ![]() Een damloper op een ets van Gerrit Groenewegen (1754-1826) uit de reeks ‘Verscheyde Soorten van Hollandse Vaartuigen’. Met zo’n schip vaart Barend Slegge zijn veerdiensten op Rotterdam, aanvankelijk via een omweg over Delfshaven. ![]() Het pand op een foto uit 1914, waarop de destijds moderne etalage vol staat met kachels. (Fotograaf onbekend.) ![]() Lange Geer 16 tot en met 28. Vooraan de gepleisterde gevel in crème van nummer 16, voorheen De Blauwe Kuip. Uiterst links de trapgevel van nummer 28, De Metaale Pot. De stenen winkelpui (1968) vormt een visuele verbinding van de drie huizen rechts. (Fotograaf onbekend.) |
|
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | |||