Lange Geer 20
www.achterdegevelsvandelft.nl

Hoekhuis Giststraat

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Het brede huis Lange Geer 16 tegenover het Armamentarium is een bloemenwinkel. Op de etage erboven bevinden zich de woonadressen Lange Geer 18 en 20, bereikbaar via een trap achter een voordeur op de hoek met de Giststraat. Ooit bestond het pand uit twee huizen naast elkaar, met nog een derde iets hoger huis rechts ernaast, vanaf de hoek de nummers 20, 18 en 16. De Monumentenlijst van Delft dateert ze als zeventiende-eeuws, in oorsprong mogelijk ouder. Als we kunnen afgaan op de geschilderde plattegrond van na de stadsbrand (in Museum Prinsenhof), zijn ze in 1536 gespaard gebleven. Onbekend is in hoeverre er in het interieur of in de kapconstructie nog iets van de huizen van toen is terug te vinden. De gevel oogt negentiende-eeuws en de winkelpui die de drie huizen visueel met elkaar verbindt, is modern.
Het hoekhuis is in 1873 onderdeel geworden van het smederijbedrijf van Johannes Petrus Brokx, Lange Geer 18. Het volgende overzicht behandelt de geschiedenis van Lange Geer 20 tot 1873. Het wedervaren van het hoekhuis ná 1873 wordt nader besproken bij Lange Geer 18.

Bakker op de hoek
In 1600 is het hoekhuis in bezit van de mandenmaker Davidt Adriaensz, die het zelf bewoont. Hij begraaft op 23 oktober 1601 een kind en enkele dagen later, op 27 oktober, wordt ook Adriaen Davidtsz ten grave gedragen vanaf ‘de houck vande Gisteech’, een al wat oudere zoon of een oom van de mandenmaker, niet zijn vader, want Davidtsz wordt in het begraafboek aangeduid als ‘jonck man’ (ongehuwde). Het jaar 1601 was in Delft een pestjaar, vandaar dus wellicht de twee overlijdens zo kort op elkaar.
Davidt Adriaensz verkoopt het huis in 1616 aan bakker Frans Jorisz. Deze komt uit ‘Lumen int landt vande Marck’, dat is Lummen of Lumey in Belgisch Limburg, destijds het Prinsbisdom Luik (vergelijk de daar eveneens geboren Willem van der Marck, heer van Lumey, de beruchte watergeus Lumey). De bakker gaat zelf wonen aan de Lange Geer met vrouw en kinderen. In zijn beroep gaat het hem goed en in 1625 kan hij de grote bakkerij De Drie Spijckerbooren (Lange Geer 10) aankopen, maar hij houdt het hoekhuis aan. Eerst in 1637 verkoopt hij het laatste aan de stoffenhandelaar Dirck Corneliszn de Geus.


Stoffenwinkel. Ets van Vincent Laurensz van der Vinne, 1714. (Rijksmuseum, Amsterdam)

Lasterlijke verdachtmaking?
De Geus verhuist met zijn tweede vrouw Jannetge Jansdr en twee zoontjes Cornelis en Jan vanuit zijn huis aan de Brabantse Turfmarkt naar het hoekhuis, waarin hij een stoffenwinkel opzet. Met zijn buurman, de hoefsmid Willem Harmensz, tekent hij een contract met afspraken aangaande de tussenmuren van Lange Geer 20 en 18, kennelijk in verband met een verbouwing. Laat hij dan de bakoven van zijn voorganger wegbreken?
Er vindt een curieus incident plaats in 1654. Volgens stoffenwinkelier De Geus laat Bartel Bartelsz, een varensgezel die buiten de Ketelpoort woont, het praatje rondgaan dat hij, De Geus, hem op 4 februari 1654 op straat in zijn broek heeft getast ‘omme te sien hoe hy daer gestelt was’. Dit wordt op De Geus’ verzoek notarieel opgetekend als een lasterlijke verdachtmaking. Bartel Bartelsz, die de akte ‘van woorde te woorde’ (woordelijk) krijgt voorgelezen, ontkent dat hij zoiets ooit gezegd heeft. Ook Bartels moeder en stiefvader getuigen dit. Het verhaal maakt echter geenszins de indruk een verzinsel te zijn.
In 1658 verliest de stoffenwinkelier zijn tweede echtgenote en een jaar later trouwt hij met zijn derde, Teuntgen Abrahamsdr van der Horst, weduwe van de plateelschilder Melten Ariensz van Bracker op de Geer. Wanneer Cornelis Dircksz de Geus (zoon van Dircks tweede vrouw) de winkel op de hoek van de Giststeeg van zijn vader overneemt is niet precies bekend, maar in de jaren 1667-1668 betaalt hij er een belasting voor, het kadegeld. Zijn vader betaalt dan kadegeld voor zijn volgende adres, aan de westzijde van Koornmarkt. Cornelis levert stoffen vanuit zijn winkel aan de Lange Geer, onder meer aan Claas Jansz van der Bij, maar als deze in 1686 overlijdt staat de afrekening nog open ten gunste van Cornelis de Geus’ weduwe; Cornelis is intussen ook overleden. Zijn weduwe overlijdt in 1693.

De Grieksche A
Hun kinderen verkopen het hoekhuis in 1694 voor 860 gulden aan de plateelfabrikant Adriaen Kocx. Deze bezit heel wat vastgoed in Delft, veelal samenhangend met de befaamde plateelbakkerijen De Grieksche A (verderop aan de Lange Geer, op nummer 44-46) en De Dissel (Molslaan 177-179), waarvan hij eigenaar is. Hij is in 1669 getrouwd met Judith, dochter van Wouter van Eenhoorn, in 1657-1658 oprichter van De Grieksche A. Adriaen Kokx en zijn gezin wonen aan de Oude Delft en zijn nooit bewoners van het hoekhuis bij de Giststeeg geweest. Het wordt vermoedelijk als een opslag gebruikt voor de plateelbakkerij, die op slechts enkele tientallen meters afstand staat. Na Adriaen Kocx’ overlijden in 1701 zet zijn zoon Pieter het bedrijf voort, maar Adriaens weduwe verkoopt Lange Geer 20 in 1707 aan Willem van den Velde, een van de hoofdlieden van het gilde van St.-Johannes Evangelist, ‘anders genaemt het cuijpers gilde’. Deze gaat er ook zijn ambacht uitoefenen. 

Naar de Oost
Van den Velde is getrouwd met Catharina van Eijck en heeft met haar de kinderen Barend, Jan en Marija gekregen. Als Marija een jaar of negen oud is vertrekt haar broer Barend als bosschieter (matroos speciaal belast met het lossen van geschut) naar Oost-Indië, aan boord van het jacht Wassenaer van de kamer Delft. Het vaart op 10 mei 1712 af van Goeree en komt op 18 februari 1713 aan op de rede voor Batavia, maar Barend van den Velde heeft onderweg een zeemansgraf gekregen. Zijn ouders worden op 12 oktober 1714 officieel aangewezen als zijn erfgenamen en krijgen door de VOC nog 24 gulden gage van hun zoon uitgekeerd. Barends broer Jan laat zich door het gebeurde niet ontmoedigen en vertrekt op 26 oktober 1717 eveneens naar Oost-Indië met het gloednieuwe fluitschip Den Dam van de kamer Delft, in de functie van onder-chirurgijn. Hij haalt de maandenlange overtocht wel en blijft in de Oost enige jaren in dienst van de VOC, ook aan boord van het fluitschip Witsburgh en de hekboot Westerbeeck, maar overlijdt op 8 september 1726 in Batavia. Zijn ouders ontvangen in 1727 3.030 gulden waarop hun zoon nog recht had. Hun dochter Marija krijgt in 1730 een zoontje dat zij Baarent laat dopen, zonder twijfel vernoemd naar het broertje dat zij achter de horizon heeft zien verdwijnen toen ze negen was. Haar vader en moeder zijn getuigen bij de doop van de nieuwe Baarent.  


Gezicht op de rede voor Batavia. Tekening van Hendrik Kobell, 1778. (Rijksmuseum, Amsterdam)

Kuipen in de praktijk
Voor zijn bedrijfsvoering heeft kuiper Willem van den Velde bijzondere voorrechten verkregen die hij vermeldt als hij het hoekhuis in 1724 wil verkopen. De koper zal kunnen beschikken over de kade voor het huis ‘omme aldaer kuijpers hout te mogen leggen, mitsgaders vaetwerk te mogen setten, ende hoepen te leggen ende op te doen’. Het water bij de kade mag hij gebruiken ‘omme aldaer hoepen te laeten weeken, in te leggen ende uijt te halen soo als altans werd gedaen’. Ook mag hij er een schuit aanmeren.

Vletten zonder smakken
Dit aanmeren is mogelijk een aantrekkelijk aspect geweest voor de koper van 1724, Arent de Vree. Hij is namelijk een vletter, een schipper die een vlet vaart, een lange, vlakke boot die gezeild, maar ook gewrikt of voortgeboomd kan worden. Zulke vaartuigen worden wel ingezet als overzetveer, maar De Vree gebruikt het zijne om er vee mee naar Den Haag te transporteren. Met zijn vrouw Agneta woont hij reeds geruime tijd in het hoekhuis, want op 14 augustus 1719 brengt hij een dochtertje Johanna naar haar graf in de Oude Kerk en dan woont hij al ‘op de Geer opt hoekje vande Giststeegh’. Hij woont dus jaren als huurder boven de kuiperij voordat hij het gehele huis in 1724 van Van den Velde koopt. Als hij in 1736 wordt begraven laat hij één minderjarig kind na, een in 1725 geboren meisje, opnieuw Johanna gedoopt. Agneta zet het vletterswerk van haar man voort, vermoedelijk met inzet van een knecht. Ze vervoert kalveren naar Den Haag die op de Delftse veemarkt aangekocht zijn door Haagse slagers. In 1746 stuurt zowel de deken van het Delftse schippersgilde als een van de hoofdlieden der Haagse vleeshouwers een verzoekschrift ten gunste van Agneta aan de Delftse burgemeesters. Op hun vraag wordt vriendelijk gereageerd: het vletten van de weduwe De Vree geschiedt weliswaar niet helemaal reglementair (‘sonder dat daarover gesmakt of de bel geluidt werdt’), maar het wordt haar door de heren burgemeesters tóch vergund. Bij het smakken loten geïnteresseerde schippers om de opdracht voor een bepaalde vracht te krijgen en ze worden tot deze loting opgeroepen met belgelui. Bij hun verzoek de weduwe niet te onderwerpen aan dit georganiseerde ellenbogenwerk laten de Haagse vleeshouwers zwaar wegen dat de firma De Vree hen al zovele jaren ‘wel gedient’ heeft. Agneta krijgt zo voorrang bij het vervoer van Haagse kalveren uit Delft.


Een vlet in gebruik als overzetveer. Uitsnede uit het schilderij ‘Rivierlandschap met veerboot’ van Salomon van Ruysdael, 1649. (Rijksmuseum, Amsterdam)

Weduwe tapt een soopje
Toch is het geen vetpot. Bij de inning van belasting staat in de kantlijn voor haar naam ‘onvermogend volgens attestatie’ en uit de impost zelf blijkt dat zij naast de vletterij op andere wijze poogt de eindjes aan elkaar te knopen: ‘weduwe Arent de Vree tapt een soopje’. Zij schenkt dus een glas of pul op de hoek van de Giststeeg, Agneta baat er een bescheiden kroegje uit. Ook heeft zij inwoning van de straatwerker Abraham van Rhoon met vrouw en kind, herkenbaar als haar dochter Johanna met haar man en dochter Angeniesje, die naar oma is genoemd, want Angeniesje is een koosnaam voor Agneta.

Wagenmakerij en pakhuis
Als Agneta in 1757 overlijdt, erft Johanna een derde van het hoekhuis, de resterende twee derden koopt haar man een jaar later van de andere erfgenamen, kinderen uit een eerder huwelijk van Agneta. In 1770 verkopen zij het huis aan hun buurman Jan van den Kerkhoff, hoefsmid, die zijn smederij in Lange Geer 18 vier jaar later verkoopt aan de smid Joseph Simonis en zelf in het hoekhuis bij de Giststeeg trekt. Hij sterft in 1782. De winkelier en koopman Johannes Frerking koopt dan het hoekhuis ‘bij executie’. Blijkbaar is Van den Kerkhoff failliet verklaard. Op 5 oktober 1782 heeft Frerking de koopsom van 310 gulden wel betaald, maar er zitten nog haken en ogen aan de transactie, zodat zelfs in 1799, na Johannes’ dood, nog de tussenkomst van zijn broer Anthonij Frerking vereist is. Net als Johannes doet Anthonij in onroerend goed. Hij is bijvoorbeeld ooit eigenaar geweest van de plateelbakkerij Het Fortuyn (Lange Geer 22, op de andere hoek van de Giststeeg). Toch gaat het hem niet altijd voor de wind en in 1804 moet hij ‘van de Armen’ begraven worden. Met zijn broer Johannes Frerkings vastgoedactiviteiten loopt het uit op een faillissement na zijn overlijden in 1797. In de veilingomschrijving daarna wordt het huis een ‘Wagen-Maakers-Winkel’ genoemd. Frerking had het huis dus verhuurd aan een wagenmaker. Zelf had hij aan de Oude Delft gewoond, maar hij was ook enkele malen verhuisd. Het hoekhuis gaat voor slechts 80 gulden naar Adrianus van Helden. Deze bezit een kaarsenmakerij annex kruidenierswinkel en zoutgrossierderij in Lange Geer 8 en 10 (De Drie Spijckerbooren) en neemt het hoekhuis bij de Giststeeg in gebruik als opslag voor zijn zaak. Hij woont met zijn gezin in Oude Delft 99.

Van ondernemer tot aanplakker                     
Op 15 augustus 1807 neemt de voortvarende Hendrik Carel Lameij het dubbele pand van de kaarsenmakerij met kruidenierswinkel en zoutgrossierderij van Van Helden over, inclusief het pakhuis op de hoek bij de Giststeeg. Al in 1812 staakt hij echter de nering en laat zijn panden veilen. Hij gaat met zijn gezin in Oude Delft 108 wonen, maar verhuist later nog menigmaal. Als zijn beroepen na 1812 worden opgegeven: Aanplakker van Publieke Verkoopingen, Geëmployeerde op het Bureau der Registratie, Klerk en aan het einde van zijn leven Boekhouder. Met zijn vrouw krijgt hij elf kinderen, maar moet er ook zeker zes begraven.

Nog een belegger ziet droom in rook opgaan
Zeilmaker Willem den Hengst koopt het hoekhuis Lange Geer-Giststeeg op de veiling in 1812. Hij heeft een portefeuille van vijf stuks onroerend goed, maar in 1815 wordt hij failliet verklaard en de curator laat het hele zaakje in maart 1816 veilen. Het aanplakbiljet van de veiling is bewaard gebleven. In oktober 1827 overlijdt Den Hengst in het huis Gasthuislaan 233, niet zijn eigendom. Zijn weduwe Pieternella de Haas moet vanaf 1827 haar hand gaan ophouden bij de bedeling, tot zij in maart 1830 ‘in ’t Gods huis’ wordt opgenomen, dat is het Oude-Weduwenhuis in de Schoolsteeg. De dames slapen daar in één zeer grote zaal met veertig bedsteden voor maximaal tachtig oude vrouwen. Ze hebben toegang tot de tuin bij het Prinsenhof. Op 28 mei 1844 wordt de weduwe Den Hengst vanuit Schoolsteeg 2 begraven.

Het Oude-Weduwenhuis in de Schoolsteeg, circa 1730. Ingekleurde gravure van Leon Schenk naar een tekening van A. Rademaker. (Collectie Museum Prinsenhof)

Het huis komt bij de veiling in 1816 in handen van plateelbakkerij De Drie Klokken op de hoek van de Korte Geer en de Breesteeg en wordt opnieuw bestemd tot pakhuis. De laatste twee compagnons van de langzaam tanende firma laten het in 1842 veilen. Een eigendomsbewijs van het hoekhuis bij de Giststeeg kunnen zij daarbij niet overleggen en zij weten zelfs niet wanneer het is aangeschaft.


Beeldmerk van De Drie Klokken en label van het Rijksmuseum onder een 18e-eeuwse apothekerspot van deze plateelbakkerij op de hoek van de Korte Geer.

Gevelsteen afkomstig van de grutterswinkel van Johannes Smits Pzn, Lange Geer 30, nu ingemetseld in Oude Delft 91. Onbekende fotograaf, circa 1930.

Opknapbeurt
Op 2 april 1842 is de hoogste bieder (275 gulden) de meester-grutter Johannes Smits Pzn, wonend en werkend in het pand In Abrams Offerande, Lange Geer 30. Smits laat het vervallen hoekhuis grondig opknappen. Hij krijgt er tot 1846 vrijstelling van belasting voor. Intussen verhuurt hij het huis wel, achtereenvolgens aan drie gezinnen. In 1849 verkoopt hij het voor 1.500 gulden aan de zadelmaker Cornelis Magrinus Verbeek, die eerder als huurder heeft gewoond in Lange Geer 4 (De Vergulde Hand). In 1849 betrekken hij en zijn vrouw Lange Geer 20, waar in 1854 Cornelis Magrinus geboren wordt, vernoemd naar zijn vader én zijn grootvader. In 1856 verhuist het gezin naar een pand met een grote werkplaats aan de overzijde van de Giststeeg, nu Giststraat 2, en Verbeek gaat het hoekhuis verhuren, onder anderen aan Majoor Magazijnmeester der Artillerie Josez von Schubertz met zijn gezin, die het gehele pand van hem huurt voor 12 gulden per maand.
In 1873 verkoopt zadelmaker Verbeek het hoekhuis bij de Giststeeg aan buurman Brokx, hoefsmid, die de benedenverdieping gaat gebruiken als werkplaats van zijn smederij.
Het vervolg van de geschiedenis van Lange Geer 20 is beschreven bij Lange Geer 18.


Josien Clement en Anne Jacobs 


Nummer 20 is nu de opgang naar de verdieping boven de bloemenzaak op de hoek. Foto Rien de Koster, 2022.


Het hoekpand op met de Giststeeg op de Kaart Figuratief van omstreeks 1675.


Bakkerij. Ets van Jan Gillisz van Vliet, 1635. (Rijksmuseum, Amsterdam)


Lange Geer 20 in 1914. In de werkplaats krijgt een paard nieuwe hoefijzers. Uitsnede uit een foto van een onbekende fotograaf.



Boven: Bord met wapenschild van onbekend geslacht uit de plateelbakkerij De Grieksche A, circa 1685-1700.
Onder: De onderzijde van hetzelfde bord met het merkteken AK (ineen) van Adriaen Kocx en het opgeplakte inventarisnummer van het museum. (Rijksmuseum, Amsterdam)


Feestend scheepsvolk op een Oostindiëvaarder. Tekening uit schetsboek van Jan Brandes, circa 1780. (Rijksmuseum, Amsterdam)


Verantwoording van de uitbetaling van ƒ 24 gage van de overleden Barend van den Velde aan zijn ouders, met hun beider handtekening voor ontvangst, 1714. (VOC-archief (online), Nationaal Archief, Den Haag)


Kuiperij. Ets van Jan Gillisz van Vliet, 1635. (Rijksmuseum, Amsterdam)


De Beestenmarkt waar Haagse slagers kalveren inkochten. Uitsnede uit ‘Gesigt van de Beeste Markt’, gravure van L. Schenk naar A. Rademaker, circa 1730. (Collectie Stadsarchief)


Vrouw schenkt bier aan clientèle. Schilderij van Frans Mieris de Oude. (Lakenhal, Leiden)


Het hoekpand op de oudste kadasterkaart uit de jaren 1825-1830.


Wagenmakerij, anonieme prent, uitgegeven door M. Endter, Neurenberg, 1719. (Rijksmuseum, Amsterdam)


Aanplakker. Litho naar een tekening van Carle Vernet (1758-1836).


Aanplakbiljet voor de veiling van het onroerend goed uit het faillissement van Willem den Hengst, 1816. (Stadsarchief 598-992)
 

Zadelmakerij. Foto B.H. Tyszkiewicz, circa 1889-1899. (Rijksmuseum, Amsterdam)
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Lange Geer 20.

Geplaatst: 25 oktober 2025
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft