Oosteinde 135-139 www.achterdegevelsvandelft.nl

Voorheen brouwerij Het Conduyt alias De Drie Sonnen, vol met schilderijen

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Oosteinde 135-139 ligt vlakbij de huidige Yperstraat, vroeger Achtersack geheten, aan het stuk gracht tussen de Molslaan en de Gasthuislaan. Het dubbele pand bestaat uit twee huizen. De voormalige garage 135/137 is verdeeld in appartementen en nummer 139 is tegenwoordig studentenhuis De Oei, waarin een negental corpsstudenten woont (met een eigen website). Daarmee is het pand opnieuw omgeven met de geur van bier en drank waarin deze plek al eeuwen was gehuld. Ooit stond op deze plaats een bierbrouwerij, die aanvankelijk Het Conduyt heette en later De Drie Sonnen.

De bouwtekening uit 1902 van architect C.S. van Doorne.

Aannemersarchitectuur
Het dubbele woonhuis met bedrijfspand is gebouwd in 1902 en inmiddels tot gemeentelijk monument verheven, als goed voorbeeld van de “eclectische aannemersarchitectuur” uit die tijd. Deze stijl probeerde met de blokken, banden en consoles een beetje de bouwstijl uit de renaissance van drie eeuwen eerder na te bootsen. De architect was C. S. van Doorne. In 1935 is er rechtsonder een modernistische winkelpui bij verzonnen met glas-in-loodraampjes in het bovenlicht. Een klein reclamebordje aan de gevel vermeld “Witte Kruis, tegen alle pijnen”, herinnert aan de drogisterij die hier vroeger zat. Achter de brede deurpartijen links zat oorspronkelijk smederij Van Etten, die het pand heeft laten bouwen.
Van hoe het pand eruit zag dat hier voor 1900 stond, hebben we alleen een vaag beeld dankzij een foto die van veraf, vanaf de Oostpoort, is genomen. Met een sterke vertekening schuin van opzij toont ze een fors gebouw met een vrij hoge kap en daaronder een lijstgevel die ongetwijfeld later (begin 19e eeuw?) is aangebracht. Van binnen moet het pand behoorlijk donker zijn geweest, want op de verdieping telt het twaalf meter brede pand slechts twee ramen. De grote zolder lijkt vrijwel helemaal geen lichtinval te hebben gehad.

De smidse kort voor (links), en kort na 1902 (rechts), beide met met rijtuigen voor de deur. De beelden zijn sterk uitvergroot uit foto’s die vanaf de Oostpoort zijn genomen.

Het Conduyt
Het pand van voor 1900 was zeer fors, maar in de 16e eeuw was haar oppervlakte nog groter. Aan de straat omspande het toen de ruimte van het huidige Oosteinde 131 t/m 139, ter grootte van drie ruime grachtenhuizen. Vermoedelijk dateerde de brouwerij al van voor 1500, want dit stadsdeel bleef bij de grote stadsbrand van 1536 gespaard. De oudste gegevens die we daarvan kunnen terugvinden dateren echter van 1543 toen ene Cornelis Jansz hier de brouwer was.
Omstreeks 1560 werd de brouwerij eigendom van Hendrick Dircksz, die zich later de achternaam Verburch ging aanmeten. Kennelijk heeft hij het nodige aan de brouwerij verspijkerd, want volgens het belastingregister voor de Tiende Penning van 1561 werd hij tijdelijk van belasting vrijgesteld omdat hij het pand net voorzien had van een nieuw “kruyswerck”. Daarmee zal de dakconstructie zijn bedoeld, die dus wellicht ook aan de zijkanten trapgevels bevatte. Verder vermeldt het register dat de brouwerij beschikte over een rosmolen om gerst te malen. Verburch was vermoedelijk ook de eerste die de brouwerij de bedrijfsnaam Het Conduyt gaf. Dat blijkt onder meer uit de ledenlijst van het Gilde van de Zoete Naam Jezus waarvan hij samen met zijn vrouw Trijntje Ewoutsdr in tijd voor de Reformatie lid was.
“Conduyt” betekende in oud-Nederlands een pijp of buis, maar in Delft had het een andere betekenis: de Amsterdamse graanhandelaar en dichter Roemer Visscher, echtgenoot van de Delftse brouwersdochter Aegfen Onderwater, spreekt in zijn destijds populaire boek "Sinne-poppen" (1614) van "...een koperen instrument, het welck tot Delft een Conduyt, en voort over al in Hollandt een Kraen ghenaemt wordt: en dat neem ick daer uyt, om datse van eender aert en werckinge zijn, bysonder alst in een tonne steeckt daer goet nat in is..." De bijgevoegde afbeelding laat een tapkraan zien die in een bierton werd gestoken: een toepasselijk symbool voor een brouwerij.

Zeeuwse klandizie
Als in het begin van de Tachtigjarige Oorlog de stad veel volk aantrekt, onder andere door de aanwezigheid van het hof van Willem van Oranje, besluit Verburch in 1578 het zuidelijkste deel van zijn brouwerij aan het Oosteinde apart van de hand te doen. In 1589 doet zijn weduwe hetzelfde met een huis aan de achterzijde in de Achterzak (de huidige Yperstraat).
Die weduwe zette na de dood van haar man in 1588 het bedrijf voort samen met haar zoon Claes Verburch. Notariële akten verraden waar de brouwerij zoal zaken deed. Zo werden er diverse zaakwaarnemers gemachtigd om namens de brouwer of diens weduwe openstaande rekeningen te verzilveren in Zierikzee, Vlissingen en Arnemuiden. Later werd ook een afnemer in Nijmegen achterna gezeten om nog 23 halve vaten bier af te rekenen.
In 1599 verkopen moeder en zoon de brouwerij voor 8.700 gulden aan Wouter Ottensz van der Brugge, die getrouwd was met Claes’ dochter Aeltje. Zelf was Claes Verburch inmiddels actief in de brouwerij De Drie Hamerkens aan de Brabantse Turfmarkt. In 1600 telde Het Conduyt bij een belastinginspectie twee brouwketels en drie eesten om de mout te verwarmen en daarnaast nog zeven andere stookplaatsen. In 1629 nam Gijsbrecht van Zuijlen de brouwerij over. Hij kreeg van het stadsbestuur toestemming om op de kant van de gracht een ‘bostelhuisje’ te plaatsen. ‘Bostel’ was de drab die in de brouwketels overbleef als het bier in de vaten was geschept. Het was gewild veevoer, waarmee nog een aardige cent te verdienen viel.

De Drie Sonnen
In 1643 kocht Cornelis Lourisz van der Houve Het Conduyt voor 10.900 gulden, waarvan hij 3.000 gulden betaalde voor het “groot en cleyn brougetou”. Hij doopte de brouwerij om in De Drie Sonnen. Deze nieuwe naam nam hij mee van de Koornmarkt, hoek Pepersteeg, waar hij eerder een brouwerij had met dezelfde naam (zie Koornmarkt 111).
Aan het Oosteinde kreeg de nieuwe brouwer al snel te maken met de pachter van het bieraccijns Adriaen van Leeuwe die twee brouwersknechts met een bierboom (een houten draagbalk) ziet sjouwen waarin een half vat hangt, gemerkt met de drie zonnen van de brouwerij. Als hij vraagt naar het belastingbiljet, zeggen zij dat het nog in de brouwerij ligt. De knechts krijgen een bekeuring en het bier wordt in beslag genomen, nadat Van Leeuwe er eerst ruim van heeft geproefd.
Van der Houve heeft niet lang mogen profiteren van zijn nieuwe brouwerij. Reeds na drie jaar kwam hij te overlijden. Dat we toch uitvoerig bij hem stilstaan, komt omdat zijn nalatenschap uitvoerig is beschreven met oog op de belangen van zijn minderjarige kinderen. In dat omvangrijke stuk is veel over de handel en wandel van het bedrijf terug te vinden.

De huidige aanblik van het pand.


Het perceel op de oudste kadasterkaart van 1823.


De opmeting van het nieuwgebouwde dubbele pand in 1902.


De situatie op de kadasterkaart van 2020.


Reconstructie-tekening hoe de voorgevel van het pand er voor de afbraak ongeveer heeft uitgezien, op basis van de foto hiernaast.


Het pand op de Kaart Figuratief van omstreeks 1675, met de hijskraan van de brouwerij aan de kant van de gracht.


De passage en illustratie over het Conduyt in de Sinne-poppen van Roemer Visscher uit 1614.


Knechts en een meid aan het werk in de brouwerij. Ets van onbekende tekenaar.


De vergunning d.d. 29 mei 1629 aan Gijsbrecht van Zuijlen in ’t Conduyt om aan de gracht een ‘bostelhuijsken’ te maken volgens aangewezen afmetingen.


Twee brouwersknechts met een vat bier aan een bierboom.
Huis vol schilderijen en kanaries
Behalve de werkvertrekken van de brouwerij telde het pand destijds dertien woonvertrekken. Het had een poort die van het Oosteinde toegang gaf op de plaats achter de brouwerij waar de kolen lagen. Dat blijkt uit het ‘camertge boven de poort’ waar een kantoortje was ingericht en een ‘tabacq bancquetge’ stond. Van de dertien vertrekken werden er maar liefst vier als keuken of keukentje betiteld. Dat hield niet in dat in al die vetrekken ook gekookt werd. Dat gebeurde, gezien de inrichting, alleen in de keuken ‘bij de brouwerij’. De andere vertrekken heetten waarschijnlijk zo, omdat daarin een schouw stond ter verwarming. In de keuken waar wel gekookt werd, stonden overigens ook vijf kooien met kanaries. In die keuken hingen bovendien twee schilderijen van de Delftse schilder Jacob Vosmaer. Hij is vooral bekend van zijn bloemenschilderijen, maar wellicht waren het hier keukentaferelen.


Stilleven van de Delftenaar Willem van Aelst (1649). (Museum Prinsenhof)

Blompotge van Vosmaer
In het huis hingen nog veel meer schilderijen van een kwaliteit die we tegenwoordig in een museum tegenkomen. In de voorkamer aan de straat hing een ‘blompotge’ van Vosmaer en een bord met een stilleven van Van Aelst. In de keuken achter de voorkamer, waar dus niet gekookt werd, hing het ook vol schilderijen, waaronder een waterval van Knipbergen, een schilderij van twee papegaaien en een schilderij in ebbe lijst, met ‘daerin drije naecte beelden’. Ook het nichtje van Van der Houve schijnt vaardig geweest te zijn met het penseel, want van haar worden enkele schilderijtjes genoemd, waaronder een tronie (portret) van een oude man.
Elders in huis hingen een achtkantig schilderijtje van de Delftse schilder Leonard Bramer, twee landschappen van Van Groenewegen, een landschap van Bronchorst, drie met pen op doek getekende zeestukken van Witmont, een ‘freuijtge’ van Cornelis Jacobsz Delff en diverse zeeslagen, waaronder een kopie van de slag bij Duins.

Voorraden in de brouwerij
In de brouwerij lag naast het ‘walingadt’ (het rookgat) 14 hoet zomermout in een kast en naast de eesten ook nog 23 hoet. (Een Delftse ‘hoet’ mat ruim 1100 liter en bestond uit 32 ‘schepels’. Die inhoudsmaat voor graan werd door heel Noordwest Europa als rekeneenheid gebruikt. Het toont de belangrijke plaats die Delft ooit in deze handel innam.) Achter op de ‘denning’ (moutzolder) lag bij de trap 7 hoet wintermout. Achter het bierhuis lag nog eens 25 hoet wintermout en 33 hoet zomermout. 


Moutzolder. (Encléclopedie van Diderot)
In de brouwerij lag verder vijf hoet oosterse haver, drie hoet zwarte haver, een hoet boekweit en ‘omtrent’ drie hoet hop. Verder lag er een partij eesthout, voor het moutvuur, en op de plaats een grote partij Schotse kolen en twee partijen kolen uit Luik, waarmee de brouwketels gestookt werden. Het turf dat daarvoor vroeger werd gebruikt, had toen al voor een belangrijk deel afgedaan, al had Van der Houve in Zoetermeer nog een aantal lapjes grond, waar hij zijn eigen turf liet graven. Hij bezat die deels samen met zijn broer Jacob, die bierbrouwer was in Leiden.

Een Romeins fantasielandschap van Pieter Groenewegen, die tussen 1633 en 1643 werkte in Het Gouden Hoofd aan de Hippolytusbuurt. (Collectie Rijksmuseum)


De verloochening van Petrus door Leonard Bramer, schilder aan de Koornmarkt (1642). (Collectie Rijksmuseum)


Pentekening op doek van Heerman Witmont (1605-1684), die ook enige tijd in Delft werkzaam was. (Nationaal Maritiem Museum, Londen)


Bloemstuk van de Delftenaar Jacob Vosmaer (1584-1641). (Collectie Rijksmuseum)


Keukenstuk van Cornelis Delff (1570-1643), wiens schildersatelier in huidig Koornmarkt 66 was. (Musée Henri Dupuis, St Omer, Fr.)

Bierschulden
Voor het graan waarvan de mout gemaakt werd, was in de brouwerij zelf geen plek meer. De 72,5 zak die Van der Houve daarvan in voorraad had, lagen bij Sebastiaen van der Cost, elders op het Oosteinde.
De administratie van de bierverkopen was in handen van Van der Houves dochter Aeffgen (19 jaar), die de bierschulden aan tientallen particulieren en kleine kroeghouders in Delft en omgeving nauwgezet bijhield. Zo kreeg de brouwerij nog 8 gulden en 10 stuivers van Huijch Sas die in de Pepersteeg had gewoond, maar inmiddels naar Oostindië was vertrokken. De commissaris bij de Rotterdamse Poort was nog fl 52,25 schuldig. Daniël van der Brugge, waard in het Hemelrijck, stond voor 197 gulden op de lat. Tapper en wolcammer Anthonijs Feijs in de Achtersack, pal achter de brouwerij, had een schuld van f 239,50. Met Bob de Waard int Swijnshooff in Rotterdam bestond een meningsverschil over 16 gulden voor bier, waarvan de kroegbaas zei dat hij ze nooit gekregen had. Zo trekken er talloze kroegbazen in het grootboek aan onze ogen voorbij. Daarbij valt op dat veel van het bier inmiddels zeer dicht om de hoek van de brouwerij werd geconsumeerd.

Grote zaken
Dat is opvallend, omdat uit de boekhouding blijkt dat Van der Houve ook de grote zaken niet schuwde. Hij had enkele aandelen in de VOC, maar lijkt zijn grootste geld niet met bier te hebben verdiend, maar met zijn deelneming in de West Indische Compagnie en de handel op Brazilië, vooral in suiker en tabak.
Bij zijn overlijden was hij voor 7.912 gulden mede deelnemer in het schip ‘De Swaen van Delft’ dat de Delftse Kamer van de WIC naar Brazilië had uitgezonden. Uiteraard had Van der Houve voor de uitreding van dit schip ook 35 ton bier geleverd en andere fourage, zoals vijf vaten vlees. Verder was hij ook deelnemer in vier andere handelsschepen (fluitschepen) onder bevel van schippers uit Schiedam.

Bierbrouwerij in bedrijf. Tekening van Jan Luycken. (Collectie Rijksmuseum)

Durfkapitaal in actie
Na de dood van Van der Houve werd de brouwerij overgenomen door Isaack Elsevier, die bekend geworden is als oprichter van de gelijknamige uitgeverij. Overigens is hij al met al van 1620 tot 1625 maar vijf jaar huisdrukker van de Leidse universiteit geweest. Daarna stortte hij zich als rusteloos ondernemer op tal van andere zaken. Via het uitbaten van een herberg in Rotterdam en een carrière als ‘geweldige provoost’ bij de admiraliteit (soort gevangenis-directeur) stortte hij zich op het brouwen van bier. Daarvoor sloot hij in 1643 een contract met compagnon om in Schiedam brouwerij de ‘Haeswint’ of Windhond’ (alias Hazewindhond) te exploiteren, maar dat ontaarde al snel in slaande ruzie met zijn partners. In Delft liet hij zijn oog vallen op De Drie Zonnen van de overleden Van der Houve. Daarvoor moest hij wel in de buidel tasten, want de brouwerij was destijds voor 8.000 gulden belast met schulden.

Stilleven met vissen van de Delftse schilder Abraham van Beijeren. (Collectie Rijksmuseum)

Nog meer schilderijen en onbetaalde rekeningen
De exploitatie van de Drie Sonnen liet hij aanvankelijk over aan zijn zoon Isaack Elsevier de jongere. Dat werd geen succes. In 1651 nam pa alle schulden van hem over en tekende de zoon een verklaring dat hij voor fl 23.700 bij zijn vader in het krijt stond. In ruil daarvoor droeg hij hem al zijn bezittingen over. Daaronder bevonden zich 35 schilderijen van erkende meesters. Een deel daarvan zagen we al hierboven. Die waren kennelijk in de brouwerij blijven hangen. Nieuw waren verder onder meer een ‘stuk’ van de stilleven-schilder Abraham van Beijeren, die ook in Delft werkzaam is geweest, een ‘stukge’ van de genreschilder Adriaen van Ostade en drie stuckgens van landschapschilder Philips Koninck. (De waarde van de 35 schilderijen werd samen getaxeerd op het in onze ogen bescheiden bedrag van fl 474,50.) Ook droeg hij het boek met openstaande vorderingen van de brouwerij over. Ook hierin weer zo’n 350 afnemers (vooral in Delft en omgeving, Den Haag en Rotterdam) die samen voor meer dan fl 10.000 aan onbetaalde rekeningen open hadden staan voor bier uit de brouwerij. En twaalf boeren moesten nog 1.140 gulden bostel afrekenen.
Pa besloot vervolgens zijn andere zoon Simon op de brouwerij te zetten. Kort daarop overleed de oude Elsevier op zakenreis in Keulen. Simon, die voordien een oorlogsschip had bestierd, wist de brouwerij nog ruim tien jaar gaande te houden tot de zaak wederom op de fles ging. Daarna ging Simon zich in de ‘Delftse Boterton’ op de Hippolytusbuurt aan de boterhandel wijden.

Lijk in de gracht
De brouwerij werd in 1662 voor 14.000 gulden ‘bij decreet’ uit het faillissement overgenomen door notaris Schalkius van der Walle. Dat werd overigens weldra een zaak van zijn weduwe, die het - wellicht met een zetbaas - toch ruim dertig jaar wist vol te houden. In die voor het Delfts bier tobberige tijden een hele prestatie.
Op 19 december 1666 was er grote consternatie toen het lijk van brouwersknecht Pieter Florisz van Duijn uit het koude water van het Oosteinde werd gevist. Hoe dat zo kon gebeuren, vermelden de archieven niet. Misschien is de werknemer - al of niet beneveld - door het ijs gezakt, want de winter van 1666/’67 was zeer streng en het begon in december al hard te vriezen, volgens weerhistoricus Buisman.


Lijkschouwing van de verdronken brouwersknecht Pieter Florisz van Duijn.

Uitkoop van de brouwerij
In 1700 werd de brouwerij met rosmolen opgekocht door de ‘Gezamentlijke Brouwers en Brousters van Delft’ om hem stil te leggen. Dat was destijds een gebruikelijke methode om de moordende concurrentie in te perken. Het grootste deel van het pand aan de straat werd verkocht aan mr. timmerman Aert Swart. Hij moest daarvoor een scheidingswand aanbrengen voor de ‘gerstback’ en de ‘kelderkamer’, die zuidwaarts uitkwam op de Achterzak. Dat gedeelte, waarin zich ook de denninge (moutzolder) bevond, werd door gezamenlijke brouwers als pakhuis verhuurd. Bij de afscheiding moesten enkele deuren en vensters worden dichtgemaakt. Op de bovenverdieping mocht voor de afscheiding met planken worden volstaan.
De aannemer verkocht het pand aan de straat vervolgens door aan ene Dirk van Schie, die er een tapperij begon. Het gebouwtje achter de brouwerij aan de Achterzak, ‘waar de (ros)molen heeft gestaan’, werd verkocht aan plateelbakkerij De Dissel om de hoek aan de Molslaan.


Advertentie voor de publieke verkoop van brouwerij De Drie Sonnen. Opregte Haerlemsche Courant van 2 febr 1700.


Verkoopadvertentie in de ’s Gravenhaegse Courant van 10 april 1711.

Logo van Uitgeverij Elsevier.


Het gezin van Isaac Elsevier jr en Anna van der Mast circa 1660, door de Rotterdammer Jacob Ochtervelt. (Wadsworth Atheneum Museum, Hartford (Connecticut, USA))


Herberg van Adriaen van Ostade. (Amsterdam Museum)


Panoramisch rivierlandschap van de Rotterdamse schilder Philips Koninck. (in privaat bezit)




Het interieur van een distilleerderij. (Encyclopedie van Diderot)

Brandewijnstokerij
Vanaf 1711 komt het pand in handen van Bartholomeus van Berkel, de brouwer van de ‘De Gekroonde P’ aan de Voorstraat. Het blijkt inmiddels een ‘branderij’ (jeneverstokerij) te zijn, die vijf jaar voordien bij de verkoop van een buurhuis branderij ‘De Roo Leeuw’ heette. Het koopcontract van 1711 spreekt alleen van de voormalige brouwerij ‘De Drie Sonnen’. De hele inventaris van de branderij wordt mee verkocht. Het betreft twee ‘rouwketels’ (ruwketels) en een distilleerketel met ‘helmen’, drie ‘slangkuipen’ met kopere kranen, en kopere slangen, achttien beslagbakken, twee loden waterpompen en een spoelingbak met pomp aan de straat. Verder koperen (mout-)wijnpompen, houten goten, kopere ‘beckinge om de slangen door te spoelen’, emmers en zelfs een ijzeren schop met houten steel, “alles tot de branderij behorende”. Niet inbegrepen in de koop was de toonbank en ander meubilair in het voorhuis, dat eigendom was van een niet nader genoemde huurster, die daar een kroeg uitbaatte.
Van Berkel ging zich naast bier steeds meer op de sterke drank toeleggen. Zijn zoon Martinus zette aan het Oosteinde de zaak voort en lijkt er in 1750 zelfs enige tijd te hebben gewoond voor hij het ouderlijk huis aan de Voorstraat betrok. In de loop van de 18e en begin 19e eeuw groeiden de katholieke Van Berkels dankzij de alcoholica uit tot een van de rijkste families van Delft (zie Voorstraat 36-40).

Slijterij
Bij verkoop van het bedrijf in 1784 heette het pand weer vanouds ‘De Drie Zonnen’, maar diende nu slechts tot het slijten van sterke drank. Ook dat was niet altijd van succes verzekerd, want in handen van Adriaan Hoes ging de zaak opnieuw al snel failliet. In 1793 waren de schulden opgelopen tot meer dan 15.000 gulden. Behalve het grote pand op het Oosteinde verhuurde het echtpaar een aantal huizen in de stad en een blekerij aan de huidige Oostsingel. Maar dat mocht niet baten, want die waren allemaal beleend. Een van de schuldeisers was branderij De Papegaay van Van Berkel, die nog fl 993,80 te goed had voor geleverde spiritualiën.
In de kroeg in het voorhuis trof de notaris vier grote brandewijn ‘stukken’ en elf kleine dranktonnen met kopere kranen. Maar in geen van die vaten zat nog een druppel drank. Opmerkelijk was dat zich in deze ruimte ook nog altijd een bedstede bevond en een kast met kleding en linnengoed. Daarachter bevonden zich een ‘binnenkamer’ met een ‘Engelse schoorsteen’, een ‘slaapkamertje’, een keuken met grote schouw, een ‘tuinkamer’ en een ‘zijkamer’. Daarachter drie pakhuizen: het voorste, het middelste en het achterste. De kelder en de pakhuizen waren voor dertig gulden per jaar verhuurd aan Adriaan van Berkel.
De kolossale zolder was destijds zo goed als ongebruikt. De notaris noteerde daar alleen wat ‘rommeling’ en een vogelkooi.


Verkoopadvertentie in de Rotterdamsche Courant van 1 aug. 1793.

Doorstart
De slijterij kreeg een doorstart onder leiding van Maria Kaas. Zij besloot daarbij opnieuw delen van het pand en het bijbehorend erf af te splitsen, die de Van Berkels eerder deels weer bij elkaar gevoegd hadden.
In 1829 werd de voormalige brouwerij/branderij eigendom van de slijter Theodorus Marquant, en ook het braakliggende terrein daarachter aan de Achtersack. In de Franse tijd rond 1800 werd veel onroerend goed afgebroken. De hele buurt rond de Pieterstraat ging daar in die tijd bijna aan ten gronde. Toen Marquant het pand, nog steeds “vanouds genaamd De Drie Zonnen”, in 1843 na veertien jaar in openbare verkoop bracht, ging het niet alleen om “een slijterij in sterke dranken”, maar was daarachter opnieuw een “likeurstokerij”, met daarin “eene distilleerketel met slangenvat en tinnen slang”.

Hoefsmederij en rijtuigbouwer
Koper werd de smid Antonie Zegveld, die het voor het eerst een heel andere bestemming gaf. Aan de uitvalsweg naar het platteland via de Oostpoort had hij een drukke klandizie aan de boeren die hun paarden lieten beslaan en rijtuigen en gereedschappen lieten repareren. Zijn opvolger Pieter van Etten boerde zo goed dat hij kort na 1900 het plan opvatte het pand volledig te vernieuwen. Kennelijk was hij het oude donkere en vervallen middeleeuwse pand zat.
Zijn nieuw gebouwde kasteel kreeg twee woningen. Aan de linkerkant een smederij met bovenwoning en rechts een ruime burgermanswoning voor de verhuur. Het pand was destijds nog genummerd 87, 87a en b. In 1924 werd deze zijde van de gracht omgenummerd. Sindsdien werden dat Oosteinde 135, 137 en 139.

De helm van een distilleerketel, waarin de alcohol condenseert. Daarachter een ’slang’ waar de moutwijn doorheen geleid wordt om af te koelen. Foto Nationaal Jenevermuseum Schiedam.


Het gezin van Martinus van Berckel (1700-1758), geschilderd door Thomas van der Wilt. In 1749 woonden zij in de brand.















Een pomper aan het werk in de branderij. In een strak ritme moest die werknemer zo’n tweeduizend slagen per dag te maken met de zwengerij.


Advertentie van de openbare verkoping van de slijterij De Drie Zonnen in de Rotterdamsche Courant van 27 mei 1843.l.

Hoefsmid Piet van Etten in zijn smidse.

Delftsche Courant 3 aug. 1902.


Ook kunstgebitten verkrijgbaar bij de smid. Delftsche Courant 8 juli 1907.

Koopje. Delftsche Courant 8 aug. 1910.

Nog een koopje. Delftsche Courant 11 dec 1920.

Taxi Brouwer
In de crisisjaren werd in 1935 het rechterdeel beneden verbouwd tot winkelpand met bijbehorende pui. Dat was een creatie van bouwkundig tekenaar en aannemer Johannes van Etten, die inmiddels het pand had overgenomen.
In 1931 was zijn vader onverwachts overleden. De familie zocht toen naarstig naar iemand die de smederij wilde overnemen. Dat viel niet mee. Tijdelijk nam toen slager Slok, een ambitieuze kiloknaller, de bedrijfsruimte in gebruik. Toch kwam er nog een doorstart van de firma Van den Berg & Rietveld, die de smidse tevens “autogeen lasch-, snij- en constructiewerkplaats” noemde. Het mocht niet baten. Zoals veel middenstandsbedrijven ging het in de toenmalige crisis snel ten onder.
In 1937 opende Hendrik Brouwer in de voormalige smidse een garage- annex taxi-bedrijf, met een benzinepomp voor de deur. Dat bedrijf bleef tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw actief. In 1988 werd de bedrijfsruimte verbouwd en de aanwezige benzinetanks verwijderd.


Situatieschets in de Hinderwetvergunning van oktober 1950 voor de aanleg van een benzinepomp voor de deur.

Openbare aanbesteding van de afbraak en nieuwbouw van het toenmalige Oosteinde 87 in café Het Scheepje aan de Burgwal. Delftsche Courant 26 januari 1902.


Na het overlijden van smid Piet van Etten had het enige voeten in aarde om een goede opvolger te vinden. Advertenties Delftsche Courant van resp. 11 juli, 20 aug. en 11 oktober 1931.


Delftsche Courant, 9 april 1937.



Bouwtekening voor de nieuwe winkelpui door aannemer/bouwkundig tekenaar J.A. van Etten. De vergunning werd verleend in 1935.

Advertentie van de nieuwe kledingzaak. Delftsche Courant 15 aug. 1935.

De nieuwe winkelruimte te huur. Delftsche Courant 6 juli 1935.


Delftsche Courant, 19 febr. 1937.


Van drogisterij tot studentenkot
In het nieuw gecreëerde winkelpand Oosteinde 139 begon aanvankelijk een kledingzaak. Maar ook dat bleek geen blijvertje. In 1937 verhuisde de drogisterij “Koepoort” van de gebroeders Sonneveld uit de Oosterstraat naar deze stek. Ook die wisten het niet lang vol te houden. In juli 1940 werd de zaak overgenomen door Arie van Huuksloot. Zijn winkel in Rotterdam was kort tevoren weggebombardeerd. Ongeveer een halve eeuw geleden is dit pand een studentenhuis geworden. Inmiddels zijn er vele generaties corpsstudenten doorheen getrokken.
Dit deel van het dubbele pand bleef nog lang in de familie Van Etten. De andere helft (nr 135/137), werd na het overlijden van Johannes van Etten in 1943 afgestoten. Het is nu in delen verkaveld met een gezamenlijke vereniging van eigenaren.

Het studentenleven in studentenhuis De Oei.
Kees van der Wiel
met dank aan K. Lagendijk
 
>> Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Oosteinde 135-139
Geplaatst: 2006 / Laatste wijziging: 7 september 2020  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft