Oude Delft 132
www.achterdegevelsvandelft.nl
Twee panden, meer dan 400 jaar verenigd

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Het pand Oude Delft 132 is ontstaan uit de samenvoeging van twee panden die in opzet uit de 16de eeuw dateren. De huizen waren ongeveer even breed, maar niet even diep. De grote tuin erachter is ook niet overal even breed. Uit de oudste beschikbare gegevens blijkt dat beide huizen al sinds halverwege de 16e eeuw in het bezit waren van één eigenaar.
Rechts ligt een een poort. De ingang is voorzien van een natuurstenen spitsboog. Het huis heeft aan de achterzijde een entree naar de kelder met oude Delfts blauwe tegels. De vertrekken op de begane grond werden in de 18de eeuw gemoderniseerd in Lodewijk XIV-stijl. Er is dan nog maar één voordeur, geplaatst in het rechterpand. De hoofdstructuur van de oorspronkelijke huizen is nog zichtbaar in de balklagen en oude kapconstructies. In het begin van de 19de werd de voorgevel gemoderniseerd. Daarbij werden een geblokte pleisterlaag en Empireramen aangebracht. In de 20ste eeuw werd er achter nog een tuinkamer aangebouwd. Het werd toen woning annex huisartsenpraktijk.

Oudste bewoners
De eerste eigenaar die we tegenkomen is Claes Wouterszoon van der Burch. In 1600 verhuurde hij het huis aan Niclaes de Groot, die op zijn beurt weer een deel, waarschijnlijk het kleinere pand, doorverhuurde aan de moeder van Hans Wijgans. Totaal worden in 1600 zeven haardsteden vermeld. De samengetrokken panden behoren hiermee tot de grotere huizen. Nog in hetzelfde jaar wordt Willem Corneliszoon Vrouwlingh eigenaar/bewoner. Hij overlijdt in 1608. Zijn weduwe, Maritge Willems, vertrekt en koopt een ander, waarschijnlijk kleiner huis elders aan de Oude Delft. Inmiddels in dan Cornelis Adriaenszoon Bogaart eigenaar. Hij was in 1598 getrouwd met Maria Basius. Zij overlijdt - als weduwe - in 1627.


Het dubbele huis is herkenbaar op de Kaart Figuratief van circa 1675. De steeg ernaast is op deze kaart overgeslagen.

Vaak geschilderd
In datzelfde jaar 1627 trouwde Carel de Vooght met Bartha de Man en kocht Oude Delft 132. Voor Bartha (ook wel Bertha) was de Oude Delft bekend terrein. Haar vader, Boudewijn de Man, woonde op Oude Delft 126. Vier huizen verderop. De beide jongelui, Carel en Bartha, zijn meerdere malen geportretteerd. In 1633 lieten zij zich schilderen door Michiel van Mierevelt en in 1644 door Jacob Willemszoon Delff. Bertha overleed in dit jaar.
Van de schilderijen door Jacob Delff zijn afbeeldingen bekend in het Rijksbureau voor kunsthistorische documentatie. Carel was, toen Delff hem uitbeeldde 47 jaar, en Bertha 42. Hij draagt een zwarte buis met tressen, waarbij een platte kraag met ‘akertjes’, aldus het RKD. De kledij van Bertha wordt beschreven als: zwarte japon met een dubbele gazen stolpkraag met vetertje als sluiting, en gazen manchetten. Ze heeft een zwart kapje op haar ‘chignonkapsel’.

Carel de Vooght en zijn vrouw Bertha de man geschilderd door Jacob Delff, toen zij resp. 47 en 42 jaar oud waren. (Particulier bezit)

Carel is ook te zien op een fraai schutterstuk van Jacob Willemsz. Delff, met de vijf officieren van het Witte Vendel. Het is in bezit van het museum Het Prinsenhof. De middelste man is een weldoorvoede en trotse De Vooght, herkenbaar aan de lange commandostok. Op de trommel, rechts achter het witte vendel, staat het jaar 1648. De Vooght was op dat moment vijftien jaar kapitein van deze burgerwacht.

Geboortehuis van Otto de Vooght
Zijn zoon Otto werd in 1632 in het huis aan de Oude Delft geboren. Otto zou later een bekend Delfts dichter worden over wie Peter Zuijdgeest in 1991 een interessante monografie schreef. Dat vader Carel in goede kringen verkeerde blijkt uit het gezelschap dat bij de doop van Otto aanwezig was: komies Bruijn Jacobs van der Dussen, die later schepen en burgemeester van Delft werd, en Otto’s grootvader Boudewijn de Man, ontvanger van de ‘gemene middelen’ van Delft. Belastingontvanger dus. Over de manier waarop hij de ‘gemene middelen’ inde, werd driftig geklaagd bij de Raad van State, zonder succes. Grootvader van vaders zijde was mr. Leonard de Vooght, pensionaris van Delft en een bekwaam diplomaat in de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog.

Verliefde jager
Otto werd later bekend als dichter van vooral gelegenheidsverzen. In 1985 is nog een uitvoering gegeven in het Delftse Stadhuis van zijn spel “De Verliefde Jager”. Omstreeks 1660 werd het op de Markt verkocht bij de boekverkoper Plantenburgh “In den beslagen Bijbel”, (op het hoekje bij de doorsteek naar de Jacob Gerristraat). Het gaat over een jongeman, die met zijn vriend een bezoek aan diens vriendin brengt, en prompt verliefd wordt op het meisje. Volgens biograaf Zuidgeest gaat het over Otto zelf, zou de vriend mr. Johan van der Dussen kunnen zijn, en dan moet Elisabeth Pauw Otto’s droomprinses zijn geweest. Zij trouwt in 1662 met Van der Dussen. (Zie ook Paardenmarkt 61, Hofje van Pauw). Of “De Verliefde Jager” rond 1660 ook werd opgevoerd is niet bekend. De protestante kerk vond toneel zedenloos. De Delftse rederijkerskamer De Rapenbloem moest tientallen jaren ondergronds.
Otto de Vooght, die later ook zelf aan de Oude Delft woonde op de hoek bij de Breestraat, werd in 1665 door de Staten-Generaal aangesteld als vlootfiscaal. Deze functionaris moest orde en tucht op oorlogsschepen handhaven. Aldus maakt Otto ook de rumoerige tocht naar Chatham mee. Hij schreef een gedetailleerd en levendig ooggetuigeverslag. Dit “Journael” van ‘wat er tussen 20 en 30 juni is voorgevallen’, was ook al aan de Delftse Markt te koop.

Zeventig jaar familie Valensis en goudleer behang
In 1651 werd het huis gekocht door de weduwe Catharina van der Dussen, die nog datzelfde jaar overleed. Een jaar later wordt het daardoor eigendom van de arts Theodorus Valensis. Hij is in 1644 getrouwd met de vermogende Agatha van Beresteijn. Behalve arts was hij actief in het stadsbestuur (kort voor zijn dood in 1672-’73 uiteindelijk burgemeester) en curator van de Leidse Universiteit. Mede door zijn huwelijk behoorde hij tot de rijkste regentenkringen. Zijn weduwe heeft bij haar overlijden in 1702 veel aandelen in de VOC en tal van andere beleggingen en daarnaast nog grote hoeveelheden land, waaronder boerderijen in Middelharnis en Sommelsdijk. Bovendien blijkt zij nog meer dan 9.000 contanten onder haar matras te hebben liggen (genoeg om het his contant van te betalen). Eén van hun kinderen is Corina, geboren in 1650 en in 1671 getrouwd met Gerardt van Borselen. Zij wordt vervolgens eigenaar en bewoonster van dit pand tot zij in 1728 overlijdt. In 1729 wordt het huis geveild en gekocht door Clara Jacoba van Bleiswijk. Bij die verkoop blijken drie kamers met goudleer behangen: de ‘groote saal’, de ‘eetsaal’ en de ‘slaapcamer’. In de eetzaal is verder ook een geschilderd schoorsteenstuk dat bij de koop is inbegrepen. Verder worden haardijzers, een klerenkast en tal van planken, onder meer in de kelder, de bottelarij en het ‘comptoir’ meeverkocht.

Koets met twee paarden
In 1737 koopt mr Adriaan Boogaart van Belois, samen met zijn vrouw Elisabeth Adriana Backer, het voor ƒ 7.800. Zij woonden er met vier dienstboden. Ze bezaten tevens een koets met twee paarden. Adriaan was penningmeester van Delfland. Zij hebben lang van hun bezit kunnen genieten. Pas vijftig jaar later gaat het over in andere handen.

Revolutionair op de vlucht
In 1781 wordt het huis voor ƒ 8.875 gekocht door mr. Reijer Geesteranus. Het huis blijft tot het midden van de 19de eeuw in het bezit van deze familie. Geesteranus was een fervent patriot die bij de plaatselijke revoltie in 1787 drie weken op de revolutionaire kussens van het stadsbestuur zat en vervolgens na de komst van de Pruisen de stad moest ontvluchten. Hij week uit naar de plaats Homburg von der Höhe bij Hanau in Midden Duitsland, waar hij in 1794 op 52-jarige leeftijd overleed. Zijn vrouw Johanna Cornelia Boers komt dan met zeven kinderen, waarvan de jongste 3 jaar is, terug naar Nederland. Het huis is dan echter verhuurd. Daarom vindt ze onderdak in Katwijk, waar zij vandaan kwam. Wel blijft zij voor haar inkomsten van het huis afhankelijk. Als zij in 1802 overlijdt, komt het huis in de verkoop. Maar bij gebrek aan een aantrekkelijk bod in deze zeer moeilijke tijd voor de huizenhandel, blijft het pand in bezit van de erven. Omstreeks 1825 woont er de belasting-ontvanger Jacobus van der Mandele.


Verkoopadvertentie in de Rotterdamsche Courant van 23 dec 1834. 

In 1835 komt het huis leeg en wordt het weer in de verkoop gedaan, maar opnieuw brengt het in de ogen van de familie niet genoeg op. Het komt dan definitief op naam van dochter Petronella Georgetta Geesteranus, getrouwd met lakenfabrikant Pieter Maas en wonend op het buiten De Ruit in Rijswijk. Als zij in 1844 zonder kinderen sterft, vererft het aan haar nichtje Anna Cornelia, die getrouwd is met ene Willem van Ingen Messchert. Het huis werd intussen achtereenvolgens verhuurd onder meer de vice-admiraal Pieter Ziervogel en de koopman C.J. van Tomputte. Tussen 1846 en 1857 wonen hier Jan Pijnappel, leraar aan de Koninklijke Academie (voorloper van de Technische Universiteit) en de weduwe Noorderdorp-Kos.

Predikanten
In de tweede helft van de 19e eeuw was OD 132 lange tijd het woonhuis van predikanten. In 1855 werd het geveild en voor ƒ 7.000 gekocht door Henricus Woerman, predikant bij de Hervormde Gemeente te Delft. Hij woonde voor die tijd op het adres Koornmarkt 45.
De dominee was getrouwd met de dertien jaar jongere Sara Kleijn van Willigen die uit een familie van rijke boterkooplieden kwam. Het zal vooral haar geld geweest zijn, waarmee ze het huis kochten. Op de Koornmarkt huurden ze nog. Na elf jaar huwelijk kregen ze däár hun eerste en enige kind. Henricus was toen al 52. Het kind heeft twee dagen geleefd. Zij ontfermde zich verder als regentes over de weesjes van het Weeshuis en hij was jarenlang curator bij het Stedelijk Gymnasium. De familie Woerman verhuurde een deel van hun nieuwe huis aan de dominee H. Koermann.


Geknipt silhouet en portret van dominee H. Woerman en de treurige aankondiging van de dood van zijn pasgeboren kind in de Opregte Haerlemsche Courant van 20 nov 1850.
Als Sara in 1879 als weduwe overlijdt, wordt het huis opnieuw verkocht aan een predikant van de Hervormde Gemeente, Arent Dionyszoon Drost, nu voor ƒ 11.000. Het is dan bekend als een dubbel herenhuis en erf met tuin daarachter en met een afzonderlijke uitgang naar de straat via een afgesloten bleekveld. De uitgang met het poortje is nog altijd aanwezig. Na 11 jaar wil Drost liever buiten de stad wonen. Hij ruilt zijn huis dan met gesloten beurs voor een pand aan de Spoorsingel, hoek Laan van Overvest. Toen keek je daar aan de achterzijde nog uit over weilanden.

Grond verkocht
Dan slaan vastgoedhandelaren hun slag: de heren Willem Adrianus Paerels, grondeigenaar, en zijn zwager, een behanger-stoffeerder. Zij verkopen in 1893 een deel van het perceel aan de noordzijde aan de timmerlieden Gerrit en Johannes Bruigom. Dat onbebouwde stuk grond was door de erfgenamen van Johanna Boers omstreeks 1810 toegevoegd, nadat het bestaande pand daar was afgebroken. In de loop der tijd waren hier een loodsje, een keuken en een privaat verrezen. De actieve aannemers hebben er Oude Delft 132A gebouwd.
Dit huis wordt aanvankelijk voor korte tijd verhuurd aan notaris Willem van Berckel. Omstreeks 1900 is hoogleraar mr. J.C.Th. Heijligers de huurder van OD 132. 


Het pand op de oudste kadasterkaart van circa 1825, met links het stuk open erf.

Schets van de landmeter van het kadaster van het nieuw gebouwde pand 132A in 1893.

Schets van de uitbreiding van de tuin in 1907 door aankoop van een stuk grond van de achterburen op de Hippolytusbuurt.

In 1903 verkopen de erfgenamen van de Paerels het huis voor ƒ 9.600 aan de weduwe Cornelia Petronella de Boer. In 1904 koopt zij nog een stuk grond en een schuur schuin achter haar huis, waarmee het huidige omvang van Oude Delft 132 ontstaat. Cornelia bezat veel onroerend goed, hoofdzakelijk aan de Oude Delft, maar in dit huis woonde ze zelf. Ze overleed in 1911. Het pand wordt voor ƒ 14.000 verkocht aan Leffert de Vries, inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, die eerder in Den Bosch woonde.

Artsenpraktijk
Zeven jaar later, in 1918, werd Gerardus Petrus van der Ham voor ƒ 19.900 de nieuwe eigenaar. Hij verhuurde het huis aan Eliazer Jacobus Dennekamp, die als officier van gezondheid aan het Militair Hospitaal te Delft verbonden was. Hij was ook bestuurslid van de Sociëteit Standvastigheid en van de afdeling Delft van de Nederlandsche Padvindersorganisatie. Het huis wordt in 1923 weer doorverkocht, aan de arts Corneille Adrien van Hees voor slechts ƒ 15.200. Tot 1999 blijft het dan bewoond door artsen. In 1934 komt Johan Hendrik Ressing als eigenaar en bewoner. In 1968 werd hij opgevolgd door zijn zoon, ook huisarts. Het poortje naast het huis diende als ingang voor ziekenfondspatiënten. Particulier verzekerden mochten de praktijk via de hoofdingang betreden, zo weten vele oude Delvenaren te vertellen.

Het smeedijzeren stoephek uit de 18e eeuw, met rechts de restaurateur aan het werk. Foto W. De Fraiture.

De huidige eigenaren hebben hun woning grondig laten restaureren onder auspiciën van Monumentenzorg. Een van de schouwen was al verdwenen naar een Koornmarkt-pand. De restauratie van de hardstenen stoep met bordes en hek werd door de historische vereniging Delfia Batavorum genomineerd voor de Le Comte prijs 2002. In de tuinmuur zijn door een vroegere eigenaar een aantal gevelstenen ingemetseld, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Eén is afkomstig van een stadsgebouw en dateert van de 16de eeuw. De andere draagt als jaartal 1665 en hoorde wellicht bij de stedelijke timmerwerf. 



Henk Verbruggen en George Buzing,
met dank aan Anneloes Maas Geesteranus



Het tweelinghuis Oude Delft 132 in de namiddagzon.


Het huis onder de hoede van de Oude Jan.


Het poortje met spitsboog naast het huis.























Carel de Vooght, de man met de staf in het midden, was kapitein van het Witte Vendel van de schutterij. Schilderij van Jacob Delff, 1648.


Bij de restauratie kwam op de schoorsteen een tekening van een vogel te voorschijn. Foto Monumentenzorg.


Barokke deuren uit de 18e eeuw scheiden de ene kamer scheiden van de andere.


Imposante marmeren schouw tijdens de restauratie.


Goudleer behang op de schilderij van Pieter de Hooch. Collectie Metropolitan Museum, New York.


Opgemetselde gevelsteen met het jaartal 1767 op de achtergevel wekt de indruk dat er toen een verbouwing heeft plaatsgevonden, ware het niet dat er meer verdwaalde gevelstenen in het huis zijn ingemetseld.























Het verscheiden van voormalig bewoner schout bij nacht Ziervogel. Rotterdamsche Courant 5 juni 1845.









Verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van
9 maart 1879.


Verkoping van de inboedel van de weduwe Woerman, Delftsche Courant, 23 maart 1879.


Het huis te huur. Delftsche Courant, 1 jan. 1891.


Delftsche Courant, 2 mei 1901.


Verkoopadvertentie, Delftsche Courant 8 febr. 1903.


Delftsche Courant, 28 mei 1923.


Het wapen van Delft, ingemetseld in een tuinmuur, vermoedelijk afkomstig uit een 17e eeuws stadsgebouw.


Een gevelsteen die wellicht bij de stadstimmerwerf hoorde, ook in een tuinmuur. Wellicht was vastgoed-belegger Paerels een verzamelaar.
>> Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Oude Delft 132
Geplaatst:  6 november 2011 / Laatste wijziging: 8 februari 2021
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft