Oude Delft 231 (en voormalig 229)
www.achterdegevelsvandelft.nl

Van katholiek bolwerk tot studentenhuis

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Aan de Oude Delft 229 en 231 vallen de witte lijstgevels met schilddaken niet direct op. Toch gaat achter deze bescheiden aanblik een rijke en verrassende geschiedenis schuil. Op het eerste gezicht lijken beide panden een gezamenlijk verleden te delen, maar wie achter de gevel kijkt, ontdekt dat hun constructies juist verschillen. Beide huizen hebben een eigen oorsprong die teruggaat tot de zestiende eeuw. Pas in de eerste helft van de negentiende eeuw raakten hun verhalen met elkaar verweven, toen ze één gezamenlijke eigenaar en gebruiker kregen. Die samensmelting is tot op de dag van vandaag zichtbaar. Beide huizen vormen nu één geheel onder het adres Oude Delft 231, en bieden onderdak aan tien studenten. Binnen ontvouwt zich een doolhof van gangen, trappen, tussenverdiepingen en kamers – een plattegrond die met de tijd en de bewoners is meegegroeid.
Om het verleden te ontrafelen, wordt het verhaal in drie delen verteld: eerst de gedeelde recente geschiedenis, daarna de afzonderlijke verhalen van beide panden, die ieder minstens tot de tweede helft van de zestiende eeuw teruggaan.

Boterhandel J. de Kuyser & Zoonen
De gezamenlijke geschiedenis begint in 1822, wanneer koopman Jacob de Kuyser nummer 229 koopt als pakhuis. Twee jaar later voegt hij het hoekhuis op nummer 231 toe als woonhuis. Daar gaat hij wonen met zijn vrouw Jacoba Gas, en na haar overlijden met Clasina Draijer. In die tijd is het nog gebruikelijk om wonen en werken te combineren binnen één complex.
Jacob handelt in boter onder de naam J. de Kuyser & Zoonen. Boter uit de omgeving van Delft was in de negentiende eeuw een gewild exportproduct. De ligging aan de gracht is ideaal voor het aan- en afvoeren van goederen. In de loop der jaren breidt hij zijn bezit uit met naastgelegen panden aan de Oude Delft en enkele aan het Bagijnhof. Het hoofdhuis op nummer 231 weerspiegelt het leven van een welgestelde koopmansfamilie, vermoedelijk met glas-in-loodramen en andere sierdetails. Het kleinere en donkere achterhuis biedt vermoedelijk onderdak aan inwonend personeel, terwijl de overige gebouwen vooral als opslag dienen.


Het pand omstreeks 1914, met links het pakhuis en rechts het woonhuis van de transporteur.

Waarschijnlijk zijn in deze periode ook de voorgevels vervangen. Beide panden kregen hun vergelijkbare uitstraling met grote ramen en witgepleisterde lijstgevels. Het ligt voor de hand dat dit gebeurde tijdens de grote verbouwing in 1842, wanneer het kadaster een “gedeeltelijke herbouw” vermeldt en beide panden opnieuw opmeet. Naast het slopen van een schuur of achterhuis bij 229, kan ook de vernieuwde gevel hier deel van hebben uitgemaakt. Anders is het in de jaren 1850/’51 gebeurd als een aannemer tweemaal vergunning krijgt om puin te storten aan de gracht voor het huis.


De twee huizen op de eerste kadasterkaart, opgemeten in de jaren 1825/’26. Jacob de Kuijser was toen juist eigenaar geworden, in 1822 van pakhuis (nr 702 op de kaart) en twee jaar later van woonhuis (nr 701) op de hoek van de Bagijnesteeg.

Een halve eeuw later in 1889 is er op het achtererf het nodige gebroken en geschoven, mede ten koste van het latere Oude Delft 227, dat ook enige tijd eigendom was van De Kuijser. Voor aan de straat ogen beiden panden van de firma inmiddels als een eeneiige tweeling.

Tevens rederij
Na Jacobs overlijden neemt zijn zoon Jacob Marinus de Kuyser zowel het bedrijf als de panden over. Bij zijn overlijden laat hij niet alleen een boterhandel na, maar ook een investering in scheepsaandelen in maar liefst zestien (zeezeil-)schepen. Zijn zoon gaat die import en export van producten vooral naar en van Nederlands-Indië sterk uitbreiden, eerst per stoomschip en later zelfs met passagiersreizen. In deze tijd verschijnt de naam Kuyser & Zoonen op de gevel. Krantenadvertenties uit die jaren getuigen van een bloeiend bedrijf met aankondigingen over boterhandel, vacatures en goederen uit het Oosten.
In 1904 erft Hendrik de Kuyser het complex. Hoewel hij niet Jacobs biologische zoon is, zet hij de firma voort. Het pand behoudt de dubbele functie: wonen in het hoofdhuis, werken in de omliggende ruimten. Na de dood van Hendrik in 1926 neemt zijn compagnon Johannes van Goozen de rederij en de boterhandel van de familie De Kuyser over. Maar door veranderingen in de maritieme infrastructuur en concurrentie van grotere havenbedrijven komt het bedrijf onder druk te staan. In 1931 zet Van Goozen een punt achter de rederij-actitiveiten, maar ook de boterhandel, die hij voortzet, kampt met de concurrentie van de opkomende margarine-industrie.

Verbouwing
Van Goozen koopt niet alleen nummers 229 en 231, maar ook 227 en enkele opslaggebouwen aan het Bagijnhof. Zo is hij korte tijd eigenaar van bijna het hele bouwblok. Na enkele jaren verkoopt hij de extra panden weer en begint hij in 1936 nummer 229 te transformeren van pakhuis tot woonruimte.
De ingang aan de grachtzijde van 229 maakt plaats voor een raam; voortaan verloopt de toegang uitsluitend via 231. Binnen worden looproutes aangepast, vloerniveaus verbonden, muren doorgebroken en zolders gekoppeld via een dakkapel. Ook de trap in 229 verdwijnt om grotere kamers en extra opslag te creëren. Zo ontstaan de eerste contouren van één samenhangend wooncomplex.

Ploerterij
Kort na het begin van de verbouwing neemt de Insulaire Hypotheekbank Zierikzee het complex over, mogelijk als eerdere financier van Van Goozen. Vermoedelijk speelt de economische crisis én de groei van de Technische Hogeschool mee in hun plan om de grachtenpanden als studentenkamers te gaan verhuren. Hiermee wordt de oorsprong gemarkeerd van OD231 als studentenhuis.
Een studentenhuis ziet er in de jongere jaren van de Technische Hogeschool echter compleet anders uit dan hoe wij het nu kennen. Zo’n huis wordt  bewoond door een hoofdhuurder, een hospita (al of niet met hospes) die de huur incasseert, en voor de toen nog alleen heren van welgestelde huize kamers afstoft, bedden opmaakt en maaltijden bereid. Onder corpsstudenten een ‘ploerterij’ genoemd.
Vanaf 1933 vervullen Johanna Langeveld en haar man Philip Starrenburg deze rol als pensionhouders van het studentenhuis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog haalt hun dochter Lotte de krant met Duitse vriendjes, alhoewel ze na de oorlog met een Hollandse jongen trouwt. Een aantal andere krantenberichten vertellen stukjes van de levens van overige bewoners. In 1952 komt Philip te overlijden, maar Johanna blijft het huis tot 1971 onder meerdere eigenaren bestieren.
In 1941 neemt servieshandelaar Willebrordus Bender het pand namelijk over van de Hypotheekbank. Hij woont zelf op Oude Delft 140 en gebruikt het studentenhuis dus als beleggingsinvestering. In 1972 is  elektricien Johannes Hanegraaff de volgende eigenaar. Hoewel hij ook elders woont, zet hij zich uiteindelijk in voor herstel na jaren van achterstallig onderhoud. Een foto uit 1974 toont al zichtbare verbeteringen: een fris geschilderde gevel en herstelde kozijnen.

Architectenbureau en studentenhuis
In 1987 koopt architect Paul Kloet het pand, waar hij eerder in de jaren zeventig zelf als student heeft gewoond, toen Haanegraaff de eigenaar was. Met zijn achtergrond én persoonlijke band met het huis gaat hij zorgvuldig om met het pand, dat sinds 1967 tot Rijksmonument is verklaard. Op de begane grond vestigt hij aanvankelijk zijn architectenbureau. Later gebruikt hij die ruimte alleen nog als archief. De entree bevindt zich nu in de achttiende-eeuwse gevel van nummer 231. Via een gang langs archief- en dienstruimten kom je uit bij de keuken en een trap naar boven, geflankeerd door een tuin en een kleine binnenplaats. Op de eerste verdieping liggen de gemeenschappelijke keuken en studentenkamers; ook de zolders zijn verkamerd.

Oude Delft 229 voor 1822
Voor 1822 kennen de huidige panden Oude Delft 229 en 231 ieder hun eigen bewoningsgeschiedenis. Soms hadden zij dezelfde eigenaar, maar het waren duidelijk twee afzonderlijke huizen. Over nummer 229 zijn de gegevens het schaarst: het huis droeg – voor zover bekend – nooit een naam, en uit de zestiende eeuw weten we weinig concreets.

Vlaams koopman
Aan het einde van de zestiende eeuw vestigt zich hier Rombout Franchoys de Smidt, een koopman uit Antwerpen, die in 1594 in Delft trouwt. Al enkele jaren later verhuurt hij het pand alweer. Zijn opvolger is een zadelmaker, die later ook het buurhuis aankoopt, maar toch langer in dit huis blijft wonen.
Daarna betrekt Jan van der Zijde het huis, een houtbewerker of stoeldraaier. Hij wordt er weduwnaar en hertrouwt, tot hij in 1625 overlijdt – mogelijk slachtoffer van de pestepidemie die Delft in 1624/25 duizenden levens kost. Na zijn dood maakt de Weeskamer een boedelinventaris op, bestemd voor zijn vierjarige dochter Maritge, zodat zij als volwassene haar erfdeel kan opeisen.

Voorname katholieke dames
Na Jan van der Zijde komt het huis in handen van Anna van der Goes, een vrouw uit een voorname familie die leefde als begijn en in 1628 ongehuwd overlijdt “bij het Bagijnhof”. Mogelijk wordt met dat huis dit pand bedoeld, al blijft dat onzeker. In elk geval vererft zij haar bezit aan een andere Anna van der Goes, die eerst trouwt met Beuckel van Nes en later met jonkheer Van Montfoort uit Culemborg.
Via haar komt het pand in handen van de katholieke familie Van der Dussen, die in de buurt op en rond het Bagijnhof meerdere huizen bezit. De familie woont zelf in het huidige Voorstraat 63 waar zij zich al musicerend laten portretteren door hun achterbuurman Hendrik van Vliet (van Oude Delft 198). Deze families verhuren hun huizen vaak aan geloofsgenoten, om in het overheersend Calvinistische Delft een katholieke gemeenschap in stand te houden. Wie hun huurders van het huidige 229 waren, is helaas onbekend.


Schilderij van de katholieke Michiel Cornelisz. van der Dussen en zijn gezin in 1640 door Hendrick van Vliet musicerend in hun huis ter plekke van huidig Voorstraat 63. Van links naar rechts: Otto, vader Michiel, Cornelis, Maria, moeder Willempgen van Setten, Elisabeth en Anna. (Museum Prinsenhof) Zoon Cornelis (die zelf enkele huizen verder op OD 223 woonde, werd door vererving eigenaar van OD 229. Zijn zuster Anna trouwde met Hendrik van der Eemt, die OD 231 erfde. Beide huizen zouden later via vererving eigendom worden van Cornelis’ dochter Maria Cecilia, getrouwd met de Rotterdamse advocaat Hendrick Roos.

De eerste eigenares die aantoonbaar zelf in het huis woonde is (eveneens katholieke) Wilhelmina Finson, die het pand in 1705 koopt. Ze woont er naast haar zus Anna Finson en zwager Jacob Grommee. Hierover later meer.

Koloniaal tintje
Halverwege de achttiende eeuw woont hier jonkvrouwe Maria Geertruida van Son, een dame van stand. Mogelijk is Van Son een verbastering/vernederlandsing van Finson. Zij is echter geen eigenaar maar huurt het huis en geeft er onderdak aan een “oud mensch” dat zij “uit meelij” laat inwonen. Wanneer zij in 1764 overlijdt, wordt ze met een koets naar de Oude Kerk gebracht en bijgezet in een eigen graf dat ze kort tevoren heeft gekocht.
Haar huisbaas is Helena Rembrands, weduwe van Dirk Smuijer, zelf een opmerkelijke figuur. Ze bezit meerdere huizen in Delft en onderhoudt zakelijke contacten met VOC-kapiteins.

Koloniale dame drinkt een kopje thee, dat door
een Indische bediende wordt aangereikt.
Uitsnede uit een tekening van predikant Jan Brandes (1743-1808), Rijksmuseum.
Ook fungeert ze als gezelschapsdame van de weduwe van Diederick Durven, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië die wegens corruptie en machtsmisbruik werd afgezet en het weelderige grachtenpaleis aan Oude Delft 95 liet bouwen (nu het kantoor van het IHE). In het testament van de weduwe Durven wordt verzocht dat Helena tot aan haar dood onderdak krijgt bij de familie.
In datzelfde jaar 1741 treedt Helena Rembrands op als peetmoeder bij de doop van Sara van Ambon, “in Oostindiën geboren”, vermoedelijk een huisslavin van de familie. Daarmee krijgt het huis aan de Oude Delft een curieuze link met het koloniale verleden.

Kaarsenmaker wordt timmerknecht
Rond 1770 komt het pand in handen van Dirk Ploos van Amstel, verwer en kaarsenmaker. Bij hem krijgt het huis weer een heel ander karakter. Zijn werkplaats veroorzaakt in 1791 een brandje, waarvoor hij een zware boete krijgt; Ploos vecht die aan, omdat het buiten zijn schuld zou zijn gebeurd.
Bij het naderen van de negentiende eeuw is de glans eraf. Na jaren als zelfstandig ambachtsman werkt Ploos van Amstel als timmermansknecht, waarschijnlijk door toenemende armoede en werkloosheid. Rond 1810 deelt hij het huis met meerdere volwassen familieleden, vermoedelijk om in moeilijke tijden samen de lasten te kunnen dragen. Bijna dertig jaar lang, tot zijn dood, blijft hij hier wonen. Daarmee sluit de zelfstandige geschiedenis van Oude Delft 229 af, vlak voordat het pand in 1822 door Jacob de Kuyser tot pakhuis wordt omgevormd.

Hoekpand Oude Delft 231 voor 1822: ’t Soutvat en Rijzend Kind
Het hoekhuis op nummer 231 heeft een lange en kleurrijke voorgeschiedenis. In het oudste bewaard gebleven belastingregister, de Tiende Penning van 1543, wordt het al vermeld onder de naam ’t Soutvat, later ook wel ’t Gulde of Vergulde Soutvat. De eerste bekende bewoner is Cornelis Pietersz. De huisnaam is dus zeer oud en dateert mogelijke van vóór de grote stadsbrand van 1536, toen drie kwart van Delft in vlammen opging. Wellicht verwijst de naam naar een handelaar in zout, die ooit in het pand heeft gewoond, al is niet bekend wanneer.

Bakker en wielmaker
Rond 1563 woont hier Pieter Cornelisz, vermoedelijk een zoon van de eerste bewoner. Hij is bakker en betaalt jaarlijks zes pond aan een Amsterdammer, die hem kennelijk een hypotheek voor het huis heeft verstrekt. Wij weten dit omdat die Amsterdammer na de Beeldenstorm als “ketter” is veroordeeld, waarbij ook zijn bezit is geconfisqueerd – een herinnering aan de roerige tijden.
Aan het einde van de zestiende eeuw betrekt Daem Cornelisz, een wielmaker, het huis. Met zijn tweede huwelijk brengt zijn vrouw niet alleen geld maar ook erfgenamen in, waardoor er veel te regelen valt over huizen en stukken land die zij samen verhuren.

Afgekeurd schilderij
Zijn opvolger is Pieter Slachtoe, een timmerman. Hij verschijnt als getuige in een opmerkelijk geschil tussen een tapijtwever en schilder Huijbrecht Grimani. Grimani zou een schilderij kopiëren en extra betaald krijgen als de kopie beter zou zijn dan het origineel. De gerenommeerde vakbroeders Michiel van Mierevelt en Willem van Vliet zouden dat moeten beoordelen. Zij achtten de kopie niet beter. De opdrachtgever wilde daarom minder betalen. Een kleurrijke anekdote waarin het huis slechts zijdelings een rol speelt, maar die wel het levendige milieu van de buurt weerspiegelt.

Ook hier katholieke dames en families
In 1628 koopt Magdalena van Nes, een ongehuwde dame uit een gegoede katholieke familie, het huis. (Haar schoonzus erft in diezelfde tijd het bovengenoemde buurhuis 229.) In 1641 laat zij het Soutvat grondig verbouwen of zelfs geheel vernieuwen; het pand wordt vermeld op een lijst van ‘nieuw getimmerde huysen’ in dat jaar. De naam ’t Vergulde Soutvat blijft wel behouden. Nog in 1658, kort voor haar overlijden, laat zij een hekje voor het huis plaatsen – hetgeen aannemelijk maakt dat zij hier daadwerkelijk zelf woonde, al overleed zij op een ander adres (bij de Haagpoort).
Na haar dood vererft zij het pand aan haar neef mr. Hendrick van der Eem. Hij is gehuwd met de rijke Anna van der Dussen en woont met haar in het eerder genoemde huis van haar ouders op de Voorstraat. Zo raakt ook dit huis in handen van de (katholieke) familie Van der Dussen, die het aan (vooralsnog onbekende) geloofsgenoten verhuren.

Losbol
Rond 1700 komt het huis in bezit van Jacob Grommee, textielverwer van beroep. Zijn werkplaats ligt elders, waarschijnlijk aan de Geerweg. Hij is een vooraanstaand katholiek en treedt op als kerkmeester van de schuilkerk aan de Oude Langendijk. Zijn schoonzus woont later naast hem. Alle familieleden worden begraven in de Oude Kerk, vlakbij de Bagijnesteeg. Vanaf hun tijd staat het huis bekend als ’t Rijzend Kind.
De weduwe Grommee, Anna Finson, heeft nogal wat te stellen met haar zoon Jacob. Hij wil niet deugen en is constant dronken. Zij stuurt hem met de VOC naar Indië, maar als hij na thuiskomst weer in dezelfde staat voor de deur staat en bij haar de kasten openbreekt op zoek naar geld dat hij “in slegten huijsen gaet verteeren” richt zij in 1727 een verzoek aan het stadsbestuur om hem in een ‘verbeterhuis’ te mogen laten opsluiten. Hetgeen vervolgens ook gebeurt.


Kousenmakerij in de 18e eeuw. Afbeelding uit de Encyclopedie van Diderot.

Kousenfabrikant in opspraak
Halverwege de achttiende eeuw woont en werkt hier Jacob Balthasar Hoff, kousenwever en fabrikant. Hij komt in opspraak door “onzedelijke handelingen” met zijn dienstmaagd, die daar niet van gediend is. Aan het einde van de eeuw volgen schrijnwerker Strumps en kabinetwerker Bolland – meubelmakers in moderne termen. Strumps is vermoedelijk nog katholiek, maar Bolland krijgt de dominee op bezoek.

Goudleer-behangsel
Als de weduwe van Ignatius Strumps het huis in 1772 verkoopt, zit er beneden nog een geschilderd goud-leer behangsel in, dat vermoedelijk ooit door een van de eerdere vermogende katholieke bewoners is aangebracht. Ook heeft het huis blijkens de koopakte dan nog een ‘opkamertje’ (boven een kelder) waar een ‘winkelkast’ staat.

Verbannen Patriot
Van 1779 tot 1787 woont hier Johannes Sanders, een vooraanstaand lid van de patriottenbeweging, die zich keerde tegen het Oranjehuis en de regentenelite. Hij leidt een exercitiegenootschap en speelt een rol in de kortstondige machtsovername in Delft in 1787. Wanneer Pruisische troepen ingrijpen, wordt de opstand neergeslagen. Sanders en andere voormannen worden verbannen en hun bezittingen verbeurd verklaard – ook dit huis.


Kampement van patriotten buiten de stadsmuren aan de vooravond van de kortstondige stadhuisrevolutie in augustus 1787. (Gedeelte van tekening van Isaac van Haastert)

Groentewinkel
Na deze woelige periode komt er een eenvoudiger gebruik. Rond 1800 is er in het huis een groentewinkel van warmoesier en tuinder Herman Olden gevestigd. Van het katholieke bolwerk uit de zeventiende eeuw is dan weinig meer over. Kort daarna neemt de familie De Kuyser het huis over, waarmee een nieuw hoofdstuk begint in de gezamenlijke geschiedenis van 229 en 231.

Linoleumsnede van het huis, gemaakt door de auteur.

Meike Besuyen



Oude Delft 229 en 231 in 2025. (Foto van de auteur)



Het dubbele pand van bovenaf gezien. (Satellietbeeld)



Advertentie in de Javabode van 24 juni 1860. De firma De Kuijser richtte zich al vroeg op de koloniale markt.



De Kuijser bemiddelde ook graag in reizen naar Nederlands-Indië. Delftsche Courant, 12 aug 1864.



Advertentie van de boter- en kaashandel J. de Kuijser & Zonen in het adresboek van 1906.



Het bedrijf deed niet alleen aan verre reizen, maar ook aan dagtripjes. Delftsche Courant, 2 aug 1927.



Het einde in zicht. Delftsche Courant, 23 febr 1931.



Het pakhuis staat te huur.
Delftsche Courant, 3 juni 1931.



Advertentie. Delftsche Courant, 29 dec 1943.



Het studentenhuis begin jaren ’60 van de vorige eeuw. Foto Willem van der Poel.



Dichters aan huis. NRC, 15 dec 1994.





Impressie van de auteur hoe de huizen er in de 17e eeuw uitgezien zouden kunnen hebben. (Afbeelding uit haar scriptie voor de studie TU Bouwkunde.)



De panden op de hoek van de Bagijnestraat (destijds -steeg) op de rug gezien op de Kaart Figuratief, gemaakt in de jaren 1675-1678)



Schetsmatig overzicht van de ontwikkeling van de indeling van de beide huizen in de loop der eeuwen. (Afbeelding uit de scriptie over de geschiedenis van het huis voor de studie TU Bouwkunde.)

 

 













Kaarsenmaker aan het werk.
(Tekening Jan Luyken,1696.)



Geschiedenis van het huis in verflagen op de deur.
(Foto van de auteur)



Schilder aan het werk. Ingekleurde pentekening van Michiel van Musscher, 1667, Teylersmuseum Haarlem.



Familiewapen van mr. Hendrick van der Eem(t) (1633-1687), als lid van de broederschap van
handbus-schutters Confrerie Diletto ed Arme.
(SAD 309-08, folio 29)



Afbeelding van een textielververij uit de 18e-eeuwse Encyclopedie van Diderot. (Tekening Bernard)



Kamer met goudleer-behang in Museum Van Gijn, Dordrecht. (Foto Kees van der Wiel)



Exercitiegenootschap van patriotten (in Dordrecht).



Aanplakbiljet voor de verkoop van het hoekhuis in 1808 door kabinetwerker Pieter Bolland.
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Oude Delft 231.

Geplaatst: 2 november 2025
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft