Vlamingstraat 22
www.achterdegevelsvandelft.nl

Herberg met een kolfbaan werd school met woonhuis en opvang Papoealeider 

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Bij de onopvallende voorgevel van Vlamingstraat 22 verwacht je geen spannende verhalen. Maar dat valt mee. Voor 1900 stond hier de herberg ’t Hof van Holland, een café met een biljart en een grote overdekte kolfbaan erachter. Hoe dat er uitzag weten we dankzij één van de herbergiers die een koperen tabaksdoos liet maken, met daarin gegraveerd de voorgevel van het café, en het biljart. Er staan ook nog dichtregels bij. De doos is nu in bezit van museum Het Prinsenhof.

Voor een kolfbaan was veel grond nodig, en die was in die tijd op dit adres ruim aanwezig. Het perceel liep van de Vlamingstraat door tot het Falie Bagijnhof aan het Rietveld. Aan de westkant had het een poort die uitkwam op een dwarslopend poortje naar het Bagijnhof. Op de Kaart Figuratief of de Kadasterkaart 1832 is dat niet te zien, maar het is beschreven in een aantal koopaktes. In 1811: “een gemeene poort waardoor deze huisinge een vrije in- en uitgang heeft, en uitkomende met een poort op het Bagijnhof aan de zuidzijde van het Rietveld”. Aan het Falie Bagijnhof waren bovendien een paar kleine percelen met pakhuizen, die eigendom waren van de kastelein aan de Vlamingstraat.

Nieuw in 1900
Het huidige huis aan de Vlamingstraat is rond 1904 gebouwd als onderwijzerswoning voor de school, die op dat moment tegelijkertijd op de grond van de kolfbaan werd neergezet. Het werd een heel groot gebouw dat nog steeds bestaat en dat nu het Rietveld Theater (tijdelijk verplaatst) herbergt. Ook een stuk grond aan het Falie Bagijnhof werd voor de bouw van de school gebruikt. Daarbij verdween het kleine dwarslopende poortje. De hoofdingang is nu aan het Falie Bagijnhof, adres Rietveld 49. Al in de negentiende eeuw werd een deel de oude kolfbaan al als school gebruikt. Dat heette “de school aan de Vlamingstraat”. De poort naast Vlamingstraat 22 was de entree. 
 
Vijf haardsteden
De geschiedenis van dit stukje Delft begint bij de timmerman Jan Cornelisz, die hier al ruim voor 1600 zat. Hij leende in 1586 geld van de Weeskamer voor de koop van zijn huis. De belastinginner voor het haardstedengeld noteerde hier vijf stookplaatsen. Dat is veel voor één huis. Maar het register meldt ook dat het om “vier parthijen inwoonders” ging. In het belastingregister voor de Verponding, is er sprake van “huyskes die te huyr gaan”. Die stookplaatsen zullen dus in deze ‘huiskens’ zijn gevonden.
De vrouw van Jan Cornelisz, Grietge Gerrits, was in de jaren 1610-1614 ‘boelhuysvrouw der stede’, d.w.z. ze verkocht spullen uit failliete boedels of van overledenen. Uit notarisarchieven blijkt dat ze zich regelmatig moest verweren tegen ontevreden klanten. Schrijven kon zij niet, ze moest ondertekenen met een kruisje. Zij verkocht het huis in1628 (als weduwe) aan Jan Willems Spijckerhoorn, ook een timmerman aan de Vlamingstraat, voor 2400 gulden. Hij betaalde 1200 gulden belasting over zijn bezit. In 1641 overleed hij, en werd begraven in de Oude Kerk. Zijn weduwe bleef aan de Vlamingstraat wonen. 

Familie van elkaar
In de periode daarna lijkt het wel of de eigenaren op een of andere manier familie van elkaar waren, al kan je dat aan de eigendomspapieren niet zien. Ze heetten Van Blommestein en De Vroom. Bij dopen in de kerk zie je dat er in deze families vaak met elkaar werd getrouwd. De laatste eigenaren waren twee zussen Vroom. Een van die twee verkocht het pand aan Nicolaas van Houten, die het binnen zes jaar doorverkocht aan zijn zoon Joris van Houten (in 1704) en deze Joris is dan (als jongeman in de Vlamingstraat) net getrouwd met Maria van Blomme- of Bloemestein (jongedochter in de Vlamingstraat). Erg arm waren ze niet. Bij haar overlijden in 1737 werd Maria met 12 dragers naar haar eigen graf gebracht.

Vader en zoon Van Houten waren vleeshouwers. Hun slachthuis stond achter het huis op het erf. De vader had in ieder geval een stal in de vleeshal, waarvoor aan de stad moest worden betaald. Daar kon hij zijn vlees verkopen. Zijn zoon schopte het verder. Die werd “vinder van het vlees”, wat betekent dat hij vleescontroleur was. Steden hadden doorgaans hun eigen regels en voorschriften. Vlees mocht niet thuis verkocht worden, alleen in de vleeshal. Dat was ook in Delft zo. De vinders spoorden de thuisverkopers op. In de vleeshal mocht ook niet zomaar iedereen in de stal staan.  Dat was voorbehouden aan de vleeshouwer, zijn zoon of een speciaal aangewezen knecht. Ook dat werd door vinders in de gaten gehouden. Dergelijke controleurs bestonden voor vele beroepsgroepen.

Verkocht aan een kuiper
Joris overleed in 1746 aan de Verwersdijk bij de Doelen. Al in 1739 was huis en bedrijf verkocht aan de kuiper Jan Jedulo of Jeedeloo. Hij veranderde het slachthuis in een kuiperswinkel. En kocht intussen in 1753 de herberg “De Nieuwe Peerenboom” inclusief de bijbehorende overdekte kolfbaan aan het eind van de Vlamingstraat (noordzijde, zie 84-86) vlakbij de Koepoort.
Drie jaar later (1756) verkocht hij zijn huis en werkplaats aan het begin van de Vlamingstraat aan de wijnkoper Gerard Bruno. Deze weduwnaar was degene die hier de herberg ’t Hof van Holland met overdekte kolfbaan begon, en werd zo de concurrent van de kolfbaan verderop.
Of het goed ging met deze wijnhandelaar is de vraag. In 1771 werd notaris Cornelis van der Sleijden als zijn zaakwaarnemer/curator benoemd, en deze notaris verkocht het drank- biljart- en kolfbedrijf in 1772 aan een VOC-kapitein, Wouter Macquelijn.  Macquelijn was toen net twee jaar getrouwd met Jacoba van der Smak, en sinds een jaar vader van een zoon. Bijna twintig jaar runde hij het horecabedrijf.
In 1791 had hij er kennelijk genoeg van, organiseerde een veiling en verkocht op 20 juli de boel aan Anna Hartog, de weduwe van Arie van den Bogert.
Wat Macquelijn niet wist, of misschien ook wel, was dat Anna Hartog een paar maanden eerder onder curatele was gesteld. En dus helemaal niks zomaar mocht kopen of verkopen. Niettemin werd in de verkoopbrief een koopsom van 1500 gulden genoteerd.
Nog diezelfde dag stond de curator van Anna, notaris Gijsbertus van Hasselt bij de schepenen Van Heemskerk en Van Dijk op de stoep, met de mededeling dat hij over Anna’s zaken ging en dat hij de herberg ‘t Hof van Holland op dezelfde veiling had doorverkocht voor een bedrag van 1150 gulden aan Matthijs Kouwenhoven. Zo kon dat dus gaan. En zo kwam Kouwenhoven aan zijn “neeringrijke” Hof van Holland, en kon hij – ook net getrouwd trouwens, met Magdalena van den Akker -- zijn mooie koperen tabaksdoos laten maken.

Twee gedichten
De gedichten vertellen hoe leuk dit café was en wat je er kon doen:

“In ’t Hof van Holland op de Vlamingstraet
Daar heeft men wijn en bier en dranken delicaet
Hij die het niet en weet, of niet en wil geloven
Gaat bij den Kastelein, Matheus Kouwenhoven”


Op de achterkant staat:

"Liefhebbers van ’t Billard of van de Kolfbaan,
men vind die hier gereed tot iders dienste staan,
of die het kaartspel mind, en wars is van krakeelen,
die kan tot tijdverdrijf hier 's avonds vrolijk speelen"


De tabaksdoos is bewaard gebleven dankzij de kunstschilder Jan Sühl. Diens moeder, Maria Kouwenhoven, was een kleindochter van de herbergier. Jan Sühl, geboren in 1868, liet het rijmpje lezen aan W.H. van der Burgh, die in 1936 voor de Gids voor Delft en Omstreken (uitgave drukkerij van der Drift, zie Koornmarkt 36) een artikel schreef over klosbanen in Delft en over de herberg Hof van Holland. “Een nette herberg noemde zich vaak Hof van Holland”, aldus Van der Burgh.


Kastelein Kouwenhoven liet een prachtige tabaksdoos maken als reclame voor het Hof van Holland. Op de deksel de voorgevel van Vlamingstraat 22.
(Coll. Museum Prinsenhof)

Op de achterzijde van de doos is het biljart afgebeeld en is door een raam aan het kolfspel nog net te zien.
(Coll. Museum Prinsenhof)

Drank en geld
Binnenshuis kolf spelen, in een grote zaal, was in de tijd waarin de tabaksdoos werd gemaakt, rond 1795, heel gewoon. Er waren meerdere van zulke zalen in Delft.
Het vroegere kolfspel is verwant aan het huidige ‘golfen’ of hockey. Het werd gespeeld met een stok met gebogen en verzwaard uiteinde, ook in de open lucht. Op oude schilderijen met ijsvermaak is het vaak afgebeeld. Bij herbergen of café ’s kon vaak buiten worden ‘gecolfd’ in de tuin. Er werd veel drank bij gedronken en er werden ook nog weddenschappen op afgesloten. Op de deur van ’t Hof van Holland stond zelfs “vrij wijn en bier”. Het ging zo ver dat stadsbesturen besloten paal en perk te stellen. Er raakten te veel mensen in de problemen. Het eind van het lied was dat exploitanten meer vergunningen nodig hadden, er geen geld meer mocht worden uitgeleend aan klanten, en dat nieuwe kolfbanen werden verboden. Vermoedelijk daardoor raakte het kolfspel in de loop van de negentiende eeuw uit de mode.
Lees hier een artikel over de kolfbaan in 'Het Hof van Holland' in een gids voor Delft door W.H. van der Burgh (medewerker van het Archief).   

Maar pakweg twintig jaar heeft Kouwenhoven toch drank en spel verkocht. Hij overleed in 1810 en het jaar erna verkocht zijn weduwe, Magdalena van den Akker, het café door aan Gerrit Smink. Hij was een jongeman van het Rietveld, die in dat jaar, 1811, trouwde met het meisje Hendrina van den Akker, ongetwijfeld familie van Magdalena, maar hoe: nooit gevonden. Smink werd de tapper, maar was ook timmermansknecht. Hij overleed in 1845. De weduwe Kouwenhoven ging weer op het Bagijnhof (Rietveld) wonen. Hoe succesvol de nering toen nog was, is onbekend. 

De kolfbaan wordt school
Daarna kwam het hele complex in handen van de gemeente Delft. Die liet het niet slopen, maar verhuurde het aan het Ministerie van Oorlog als opslagruimte voor militaire goederen.
In 1861 besloot de gemeenteraad hier de derde openbare school van Delft te vestigen. Agnes Jonker, die over onderwijs in Delft in de 19e eeuw schreef bij een tentoonstelling in museum Het Prinsenhof, sprak van het `volslagen ongeschikte gebouw aan de Vlamingstraat’. Maar de stadsbestuurders in 1861 prezen de “goede stand” en het “zeer goede lokaal”. Schoolhoofd werd de heer Verboon, die hiermee zijn eigen particuliere schooltje achterliet en met 170 leerlingen naar de Vlamingstraat vertrok.


Sommige fraaie school-ontwerpen werden nooit uitgevoerd. (Stadsarchief)

Uit 1861. Een eenvoudig schoolplan voor ruimtes waar toen kleding werd opgeslagen. (Stadsarchief)
hier

In 1876 verhuisde de school naar de Voldersgracht, waar het gebouw van het Lucasgilde was afgebroken en waar aannemer Huurman (zie Vlamingstraat 56) een nieuw gebouw neerzette. De school heette later Vermeerschool (naar de belangrijkste schilder van het Lucasgilde) en is een aantal jaren geleden verhuisd naar het Raam.
In het voormalige kolfcafé aan de Vlamingstraat kwam een kosteloze school, die minder vakken op het lesrooster had. Een armenschool werd dat ook wel genoemd. Uiteindelijk werd omstreeks 1900 het grote kolfbaangebouw gesloopt en kwam er een echte school met serieuze leslokalen en een speelplein. Ook weer gebouwd door de buurman, de aannemer Huurman. Aan hem aanbesteed in 1904 voor bijna 20.000 gulden.
Aan de Vlamingstraat werd de woning voor het schoolhoofd gebouwd, naar een ontwerp van vermoedelijk de gemeentearchitect M.A.C. Hartman. De naam veranderde pas langzamerhand in 'de school aan het Rietveld', met de hoofdingang aan het Faliebagijnhof, Rietveld 49. Het bleef een school tot in de jaren 1960/1970 en werd daarna een klein theater.


De rustige Vlamingstraat rond 1900.

Kaisiepo, vechter voor onafhankelijkheid
In het huis Vlamingstraat 22 geen onderwijzers meer, maar wel kwam in 1962 een heel andere bewoner, Markus Wonggor Kaisiepo en zijn familie. Zij verhuisden naar hier, nadat Nieuw-Guinea door Nederland aan Indonesië moest worden overgedragen. Hij was in 1961 benoemd in de Nieuw Guinea Raad, het gekozen (koloniale) parlement en was een voorvechter voor onafhankelijkheid.
Na de Tweede Wereldoorlog startte Nederland weer met het opleiden van bestuursambtenaren. Maar Nieuw-Guinea werd een speelbal in de internationale politiek. Markus Kaisiepo en Nicolaas Jouwe (de vicevoorzitter van de Nieuw-Guinearaad die ook naar Delft kwam) wilden zich aansluiten bij een groot Melanesisch verband. Maar de Amerikanen wilden – het was intussen 1962 -- iets anders.
Papoea Nieuw-Guinea kreeg de Verenigde Naties over de vloer, en werd deel van Indonesië. In 1969 zou er een volksraadpleging volgen over zelfbeschikkingsrecht. Maar Indonesië stopte dit plan in het vergeetboek, de VN verroerde zich niet, de Amerikanen ook niet, en zo liep de boel vast.
Kaisiepo kwam in 1967 naar Delft samen met Jouwe en 500 andere gezinnen uit Nieuw-Guinea. In de politieke strijd hebben hun wegen zich gescheiden. Kaisiepo presenteerde zich als president-in-ballingschap. Bij Vlamingstraat 22 hing regelmatig de vlag uit als standaard en het kon het gebeuren dat de president voorbijreed, wuivend, in een zwarte limousine. Hij overleed in het jaar 2000, 87 jaar oud.

Els Kemper, met dank aan Kees van der Wiel


Vlamingstraat 22 zoals het in 1904 werd gebouwd.


Links de gevel van het oude huis omstreeks 1900.


Omstreeks 1800, de gevel op een tabaksdoos.


Kadaster 1832. Uit het HisGis. Bij nummer 728 blauw omlijnd de huis, kolfbaan en de grond die erbij hoort. Bij nummer 652 de moestuin die er ook bij hoort.


Dit is de Kadastrale kaart uit 1882. Het huis en de kolfbaan zijn nu blauw gekleurd. De gebouwen zijn hier eigendom van de gemeente Delft. Er zijn een soort schoollokalen in gemaakt.


De Kadastrale kaart van 1923. Kolfbaan verdwenen. In 1904 werd er een nieuwe school gebouwd, met meesterswoning. Hoofdingang nu aan het Faliebagijnhof/Rietveld.













De tabaksdoos bevindt zich nu in het museum Prinsenhof. Dat is te danken aan de man rechts, de kunstenaar Jan Sühl, kleinzoon van de kasteleinsvrouw. Hij beleeft hier met collega’s een vrolijk avondje.


Kolfbanen bestaan hier en daar nog steeds. Hier eentje omstreeks 1900.

In de tuin van een herberg werden vroeger ook vaak spellen gespeeld. Van Ostade tekende een klosbaan in zo’n tuin, 1677. (Coll.Rijksmuseum)



In 1846 stond de kolfbaan weer te koop na het overlijden van Gerrit Smink en werd Delft de nieuwe eigenaar. Advertentie Oprechte Haarlemsche Courant.

Tussen 1850 en 1900 zijn er veel plannen gemaakt voor een nieuwe school op de plek van de oude kolfbaan. Dit was een ontwerp voor de onderwijzerswoning. (Stadsarchief)


Een plan uit 1884. Ook niet uitgevoerd. De school werd hier nog niet uitgebreid naar het Faliebagijnhof. Rechts Vlamingstraat. (Stadsarchief)


Een vergelijking tussen nieuwbouw en de te slopen kolfbaan (onder). Nu is er sprake van een school aan het Rietveld. Vlamingstraat links. (Stadsarchief)


Uit 1884. Een klassenfoto van de school aan de Vlamingstraat.


In 1904 wint Huurman de aanbesteding en en mag een nieuwe school bouwen.


Vanaf de toren van de Nieuwe Kerk. In het midden de grote school. Rechts wijst een pijltje naar de onderwijzerswoning. Coll. RCE.


Het huis voor de onderwijzer in 1914.






Vanaf 1967 tot 2000, toen hij overleed, woonden hier Markus Wonggor Kaisiepo en zijn gezin. Zij kwamen uit Nieuw Guinea dat na moeizame politieke besluitvorming aan Indonesië was toegevoegd maar hoopten op zelfstandigheid voor hun land van oorsprong.
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Vlamingstraat 22.

Geplaatst: 25 september 2025
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft