| Voorstraat 8 | www.achterdegevelsvandelft.nl | |||||||||
![]() |
||||||||||
| Van Zeepketel naar
warenhuis Voorlopig, een reis door de tijd |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
|||||||||
| Tijdens een van mijn wandelingen
door Delft bleef ik staan bij de winkel Voorlopig aan de Voorstraat
8. Voor de deur lag een struikelsteen met de naam Joseph Levie
Berlijn. Die ene steen riep een reeks vragen op. Wie was Joseph? Wat
is de geschiedenis van het huis waar hij woonde en werkte, en van
waaruit hij uiteindelijk werd weggevoerd? Die vragen vormden het
begin van een zoektocht door ruim vijf eeuwen Delftse geschiedenis.
Overkragingsbogen en laatgotische consoles Op het eerste gezicht zou men niet vermoeden dat Voorstraat 8 een huis uit de 16e-eeuw is. Maar dat is het wel. Als je goed kijkt is dat ook nog te zien aan de drie geblokte overkragingsbogen op de verdieping. Deze bogen worden gedragen door laatgotische consoles. Ook de muurankers zijn laatgotisch. Aan de rechterkant van de gevel zijn hoekblokken van Gobertangersteen te vinden. Ook binnen zijn, vooral in het achterhuis, laatgotische balkconsoles te zien. Vermoedelijk is het huis kort na de grote stadsbrand van 1536 nieuw gebouwd. In een van de zijgevels werden tijdens een verbouwing nog 14e eeuwse zogenoemde ‘kloostermoppen’ aangetroffen, die doen vermoeden dat deze muur de brand moet hebben doorstaan. Op de Kaart Figuratief van 1678 valt het huis op door zijn grootte. Het was ongeveer 24 meter diep en had vroeger een opvallende voorgevel. In het midden bevond de ingang zich in een nis. Bovenaan had de gevel sierlijke vormen die naar binnen en naar buiten krulden, met pinakels erop. Het achtererf van het huis liep, inclusief bedrijfsgebouwen, heel diep door achter de gehele Choorstraat langs tot aan de Cellebroerstraat. Volgens een verkoopadvertentie in de in Delft gedrukte Hollandse Historische Courant is het in 1782 een ‘zeer weldoortimmerd, spatieus en modern huis’ met een ‘royaale geplaffonneerde gang’, diverse behangen kamers, grote keuken en zeer grote droge traskelder. Daarachter lag inmiddels een ruime tuin met tuinhuis, moestuin, twee koetshuizen, een stal voor vijf paarden en ook nog een schuur. Als extra bijzonderheid had het huis een plat dak met ‘een observatorium’, van waaruit over de wijde omgeving kon worden uitgekeken. ’s Winters kon dat observatorium volgens de advertentie worden weggenomen. De gekrulde geveltop was bij dit ‘moderne’ huis inmiddels waarschijnlijk verdwenen. Een strakke daklijst en gepleisterde gevel hadden het pand een minder opvallend ‘modern’ uiterlijk gegeven.
Wisselende winkelpuien In vroeger eeuwen werd dit stuk van de Voorstraat achter de Oude Kerk ook wel de Poelmarkt genoemd, naar het gevogelte dat daar wekelijks werd verhandeld. In de 20e eeuw werd dit deel van de gracht steeds meer een winkelgebied. Afhankelijk van de eigenaar kreeg het huis afwisselende winkelpuien. Midden jaren vijftig kocht Interieurverzorging Lubbers de panden Voorstraat 4, 6, 8 en 10, en voegde de panden samen tot één groter geheel. Daardoor verloren ze deels hun eigen karakter. In 1997 werden de vier panden verbouwd tot appartementen. De begane grond kreeg een winkelfunctie en de bovenverdiepingen werden ingericht als woonruimte. Zo ontstond een gemengd woon- en winkelcomplex dat nog steeds het straatbeeld van de Voorstraat bepaalt. Zeepziedende regenten In 1561 wordt Joris Frans van der Houve, alias van Dijk, vermeld als bewoner van het huis aan de Voorstraat. In het register van de tiende penning staat hij aangeslagen voor 80 gulden. Hij bezat een mouterij waar graan tot mout werd verwerkt. Zijn vader, Frans Matheus, had verderop aan de Voorstraat (nu nr 64) een brouwerij De Dubbele Hellebaarden. Wellicht deden zij zaken met elkaar. In 1578 werd Joris opnieuw aangeslagen, ditmaal voor 54 ponden voor de honderdste penning. Hij trouwde eerst met Maertge Cornelisdr van Bleiswijck, met wie hij twee kinderen kreeg. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1582 met Margriete van (der) Vliet van der Woert. Uit dit huwelijk werden Corstiaen, Maria, Pieter en Frans geboren. Joris behoorde tot de Delftse regenten. Tussen 1570 en 1600 vervulde hij bestuurlijke functies als lid van de Veertigraad, schepen, weesmeester, thesaurier en Heilige Grootmeester. Zijn huis had in 1600 zes haardsteden (stookplaatsen), een zeepketel en een eest. Van het mouten van graan was hij inmiddels overgestapt op zeep zieden. Joris overleed in 1602; zijn vrouw Margriete stierf vijf jaar later. Hun zoon Corstiaen zette de zeepziederij van zijn vader voort. Hij trouwde met Maria Jorisdr. van Vliet, dochter van Joris Cornelisz. van Vliet. In 1605–1606 was hij, behalve zeepzieder, molenmeester van de oude Liermolen en van 1613 tot 1615 meester van Charitate, verantwoordelijk voor de armenzorg. Corstiaen overleed jong op 35-jarige leeftijd. Walvissen De Zeepketel komt vervolgens in handen van Pieter Arentsz van der Graeff. Hij was de zoon van brouwer en bestuurder Arent van der Graeff en Sara Pietersdr Bosschaert. Zijn ouderlijk huis was de brouwerij De Truweel met de Kroon op de Koornmarkt (Koornmarkt 64). In 1612 ging hij in ondertrouw met Margrieta Jacobsdr Pauw. Zij was de dochter van Jacob Reiniersz Pauw en Machtelt van Heemskerk. Ook een zeer goede partij, net als de Van der Graeffs geparenteerd aan een invloedrijke Amsterdamse burgemeestersfamilie. Haar bakermat lag in brouwerij De Pauw (Koornmarkt 19-21). Pieter was koopman, en had een belang in de kleine Noordse Compagnie. Deze compagnie legde zich toe op de walvisvangst en visserijen in de omgeving van Groenland. Het traan van de walvissen kon hij mogelijk voor zijn zeep gebruiken. In 1624 heerste in Delft een pest-epidemie met vele doden. Een jaar later, 1625, - de epidemie kende toen nog een nabrander - overleed Pieter op 35-jarige leeftijd. Margrieta zou hem 36 jaar overleven en werd in 1661 bij haar man begraven. Een zus van Pieter, Maria, was getrouwd met Arent van Berensteijn. Hij nam na de dood van Pieter De Zeepketel over. Graswinckel Vervolgens kwam in 1634 de familie Graswinckel op het toneel die de rest van de 17e eeuw de Zeepketel zou blijven bestieren. Het begon met Engelbrecht, de zoon van Gerrit, brouwer in De Ruijt. (Koornmarkt 73) Na een rechtenstudie aan de Leidse universiteit promoveerde hij in 1602 te Orléans en werd toegelaten als advocaat bij het Hof van Holland. Of hij daadwerkelijk een praktijk voerde, bleef onbekend; hij ondersteunde zijn vader in de brouwerij. Op 4 juni 1606 trouwde hij met Margaretha van Hoogenhouck, dochter van Maarten van Hoogenhouck, lid van de Veertigraad, schepen en burgemeester van Delft, en Catharina van der Dussen, zijn buurmeisje. (Koornmarkt 75) Engelbrecht vervulde diverse openbare functies, waaronder meester van het fraterhuis, toezichthouder van de Latijnse school en schout van Overschie, Hogenban, Vrijenban en Hof van Delft. Aan het maken van de zeep heeft hij zelf zijn handen niet vuil gemaakt. In 1634 kocht hij voor 6.430 gulden De Vergulde Zeepketel aan de Poelmarkt, inclusief erve, seeperie en gereedschappen van Arent van Berensteijn. Een jaar later werd Engelbert al begraven in de Oude Kerk. Margaretha volgde op 3 april 1648. Ze woonden echter al die tijd nog aan de Koornmarkt.
Schade buskruitontploffing Na Margaretha’s overlijden erfde Maarten het huis aan de Poelmarkt. Hij trouwde in 1636 met Maria van Ruyven, dochter van Harmen van Ruyven en Catharina Pieters van Ruyven, gezegd Van Brandwijk. Ook Maarten was naast zeepzieder actief in het stadsbestuur: hij was achtereenvolgens lid van de Veertigraad, schepen, burgemeester en weesmeester, en tevens kapitein van de schutterij. Toen op 12 oktober 1654 het kruithuis op de huidige Paardenmarkt ontplofte, liep de zeepziederij van Maarten, grenzende aan de Cellebroersteeg, een schade op van 1200 gulden. Maarten werd in 1675, na veertig jaar zeep zieden, in de Oude Kerk begraven. Zijn vrouw in 1703. Na de dood van Maarten zette zijn zoon Herman korte tijd het familiebedrijf voort. Maar hij stapte al na drie jaar in 1678 in zijn graf. Hij was getrouwd met de burgemeestersdochter Jacoba van Nierop. Het echtpaar woonde sinds hun huwelijk in 1665 grotendeels in Delfgauw. Advocaten in zeep Na de dood van Herman nam zijn broer Engelbrecht het bedrijf over. Hij kreeg daarbij hulp van zijn moeder en zijn oom Johan Graswinckel, brouwer in Delft, om de zaak nieuw leven in te blazen. Dat lukte. In 1679 trouwde hij in ’s Gravenhage met zijn nicht Magdalena Graswinckel. Hoewel hij in Leiden vooral Letteren had gestudeerd, liet zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Holland. Net als zijn voorouders vervulde hij bestuurlijke functies als lid van de Veertigraad, schepen en burgemeester. Zijn vrouw Magdalena werd in 1689 met zestien lijkdragers en zestien flambouwen op het koor van de Oude Kerk begraven. Vanaf zijn huis kon hij daar zicht op houden, tot hij in 1692 De Zeepketel voor 8.600 gulden aan zijn neef David Graswinckel verkocht. Hij verhuisde toen naar het twee huizen dichter bij de Choorstraat gelegen huis De Croon (Voorstraat 4), dat David op zijn beurt aan hem had verkocht. Van daaruit werd hij op 14 juni 1738 bij zijn vrouw in de Oude Kerk begraven. David studeerde rechten in Leiden en promoveerde in 1689 (alsnog) in Harderwijk. Hij trouwde daarna in Noordwijkerhout met Carolina Adriana Schuyl uit Leiden. In april 1695 werd hij kapitein van het Witte Vendel van de schutterij en regent van het Tuchthuis en het Weeshuis. In vreemde handen Toen David in 1712 overleed, woonde hij niet meer in De Zeepketel, maar in het huis van zijn broer Maarten aan de Voldersgracht. De Zeepketel had hij inmiddels in 1706 verkocht aan Johannes Gardijn, voor vijf duizend gulden. Daarmee eindigde de band tussen de Graswinckels en het huis aan de Poelmarkt. Johannes Gardijn, geboren in Delfgauw, zette met zijn vrouw Johanna Flexenaer de zeepziederij voort. Maar al twee jaar later zetten zij de “Schoone Neeringrijcke Zeepsiederij, achter d’ Oude Kerck” alweer te koop in de Opregte Haerlemse Courant van 25 september 1714, inclusief het ‘weldoortimmert woonhuys’ met grote tuin, zeven loogbakken en vier oliekelders, goed voor 180 aam olie. Koper werd Willem Hendrikszoon van Treek, een onbekende in Delft. Hij was schepen in Naarden en verhuurt het pand aan zijn schoonzoon en dochter. Bij de huurwaarde voor de belasting wordt 12 gulden in mindering gebracht vanwege twee kamerbehangsels, de een met zeildoek en de ander van goudleer.
Kruidenierswaren en aderlaten In 1734 nam Pieter van Meurs het huis De Zeepketel over van mr. Matheus van Zypstein, chirurgijn. Samen met zijn vrouw Adriana van der Valk veranderde hij het pand in een kruidenierswinkel. Pieter was daarnaast ook chirurgijn en lid van het chirurgijnsgilde. Hij had leerjongens in dienst en behandelde uitwendige aandoeningen zoals aderlaten, botbreuken en het trekken van tanden. In de kruidenierswinkel verkocht hij met zijn vrouw droogwaren zoals grutten, specerijen, ingemaakte boter en oliën. Alles werd ter plekke afgewogen. Op 25 december 1736 lieten zij hun dochter Catharina dopen in de rooms-katholieke St. Joseph kerk. Pieter bleef tot zijn dood in 1768 in het huis aan de Poelmarkt wonen. Drie jaar later verkocht Adriana het huis aan Johannes Paspoort en verhuisde naar de Verwersdijk. Drogerij en verfwaren Johannes Paspoort begon in het pand in 1771 een handel in drogerijen en verfwaren, waaronder pigmenten, kwasten en teer. Deze producten werden gebruikt door onder andere schilders en timmerlieden. Hij was toen al twee maal weduwnaar. Zijn eerste vrouw overleed in 1752, de tweede in 1766. Uit zijn eerste huwelijk had hij twee dochters, Anna Adriana en Burga Jacoba; uit zijn tweede huwelijk een dochter Johanna Jacoba. In 1785 nam Johannes zijn dochter Anna Adriana en haar man Adam Gerrit Mappa op in de zaak. Mappa zou naam maken als aanvoerder van een patriotten-legertje dat in het najaar van 1787 een zeer kortstondige revolutie in het stadsbestuur ontketende. Nadat deze patriotten-opstand door het Pruisische leger was neergeslagen, vluchtte Mappa naar Frankrijk en vertrok in 1789 van daaruit met Anna naar het opstandige nieuwe Amerika. Johannes werd op 28 augustus 1788 in de Nieuwe Kerk begraven. Kort daarna verkochten zijn erfgenamen het huis voor 5.250 gulden aan Laurentius Best. In Frankrijk ontbrandde ondertussen de echte Franse revolutie. Zware klappen Laurentius, zoon van een predikant uit het Noord-Hollandse Berkhout, trouwde in Hoorn met Gerritje van Maurik. In 1788 eindigde zijn functie als secretaris en schout van Rijnsaterswoude. Hij was koopman en drogist. Het waren moeilijke tijden. De politieke en economische situatie was onrustig. Tussen 1789 en 1792 moest Laurentius zelfs leven van de wekelijkse bedeling. Het gezin kreeg zware klappen te verwerken. Tussen 1791 en 1796 overleden vijf van hun pasgeboren kinderen. In 1795 trokken de Franse troepen Holland binnen. De inmiddels wankelende Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam daarmee ten val en de nieuwe Bataafse Republiek werd uitgeroepen. Laurentius zette in 1803 zijn handtekening om te mogen stemmen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap kwamen echter te laat. Laurentius werd op 22 november 1803 begraven in zijn eigen graf in de Oude Kerk. Gerritje verkocht het huis aan de Voorstraat voor 3.000 gulden aan apotheker Cornelis van Steenbergen. Apotheek met lege potten Cornelis gaf het huis een nieuwe naam: de Blauwe Hond. Enigszins verwarrend want het huis aan de overkant op de hoek van de Voorstraat en de Oude Kerkstraat droeg al eeuwenlang dezelfde naam. Na het behalen van zijn apothekersexamen in Den Haag was hij leverancier geworden van het Gasthuis. De kwaliteit van zijn apotheek liet echter te wensen over. Klanten klaagden over zijn slecht bereide medicamenten. Een visitatierapport in 1817 meldde dat zijn zaak vol stond met lege apothekerspotten en nauwelijks voorraad in huis had. Een jaar later was de situatie nog onveranderd. In 1818 vertrok Cornelis met zijn gezin naar Amsterdam. Manufacturenhandel De volgende eigenaar, Hendrik Kirchholtes, kwam met zijn vrouw Antonetta Josepha Thijssen uit Nijmegen naar Delft. Hij werd opzichter van ‘s-Landsmagazijn en dreef daarnaast een winkel in manufacturen. Of misschien was dat vooral het werk van zijn vrouw. Zij verkochten stoffen, garen en fournituren. Het patentregister plaatste hen in 1822 in de debiet-klasse voor 6.100 gulden, hetgeen wijst op een goedlopende zaak. Hendrik bezat op den duur een heel rijtje huizen hier op de Voorstraat, waaronder de nummers 6, 10 en 12. Na Hendriks overlijden in 1837 zette zijn vrouw samen met haar dochter Antonetta Bernardina de zaak voort. De weduwe overleed in 1853. Haar dochter adverteerde regelmatig in de Delftsche Courant en kondigde op 22 mei 1866 aan dat zij haar zaak zou overdragen aan Johan August Heijmann. Heijmann was geboren in Goch bij Kleef, maar had voor hij naar Delft kwam in Den Haag gewerkt. Hij was kleermaker en koopman in manufacturen. In 1866 betrok hij met zijn vrouw Maria Wilhelmina en hun kinderen het pand aan de Voorstraat 8. Hij betaalde daarvoor tienduizend gulden, af te betalen met vijfhonderd gulden per jaar plus 25 gulden rente aan Antonetta Bernardina. In 1871 verhuurde Heijmann het pand aan Bernard Heinrich Gründing, een textielhandelaar uit Neuenkirchen (Oldenburg). Hij bleef huurder toen het pand in 1875 verkocht werd aan de ijzerwarenhandel Renaud & Richter om de hoek in de Choorstraat 5. In 1885 werd Gründing hier opgevolgd door paraplumaker Spee, waarna van 1890 tot 1898 behanger Verboom hier zijn winkel had. Kruidenier en huisjesmelker Dop In 1898 vestigt Ferdinand Johannes Dop hier zijn kruidenierszaak aan. Hij adverteerde regelmatig in de Delftsche Courant en was verder een bekende huisjesmelker van huisjes in sloppen en stegen van de oude binnenstad, waaronder de Pieterstraat en de Hopsteeg. Behalve aan de Voorstraat had hij filialen aan de Brasserskade en op de hoek van de Kruisstraat en de Peterstraat. Joseph Levie Berlijn In 1920 nam de Rotterdammer Joseph Levie Berlijn de keten van drie kruidenierswinkels in Delft over van Van Dop, waaronder die in Voorstraat 8. Tijdens de crisisjaren liep de zaak slecht. Per 1 januari 1936 liquideerde hij zijn bedrijf en besloot hij zijn winkels te verhuren. De benedenruimte van Voorstraat 8 verhuurde hij aan kruidenier Theo van Kessel. De vrouw van Berlijn, Wilhelmina, kapster, begon op de bovenverdieping kapsalon Maison-Chic. Toen Van Kessel in februari 1940 zijn winkel verhuisde naar een nieuw gebouwde winkelpand in de Choorstraat (zie Choorstraat 7), opende Berlijn er Cafetaria Jos. Volgens de rassenwetten van de Duitse bezetter was Jos Berlijn van Joodse afkomst, al gold dat niet voor zijn vrouw. Dus liep het slecht met hen af in de oorlog. De kapsalon van zijn vrouw, hoewel niet-Joods, werd op 20 augustus 1942 op last van de bezetter gesloten en onder beheer gesteld van de Omnia Treuhandgesellschaft. Jos werd in september 1942 in een dwangarbeiderskamp Beugelen bij Staphorst te werk gesteld. Een maand later al werd hij via kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij op 19 oktober 1942 in de gaskamer werd vermoord. Hij was al overleden toen zijn huizen en winkels hem op 29 oktober 1942 administratief door overschrijving bij het kadaster werden afgenomen en onder beheer geplaatst. Op 4 november 1942 werden de meubels uit het huis geroofd.
Na de oorlog probeerde de weduwe haar bezittingen terug te krijgen. In een briefwisseling met het Nationaal Beheersinstituut klaagde zij over de tijdens de oorlog geïnde huuropbrengsten en de niet-betaalde hypotheken. Het cafetaria beleefde na de oorlog nog een doorstart en was populair onder Corps-studenten. De formaliteiten rond de teruggave van de gestolen eigendommen namen na de oorlog vele jaren in beslag, zoals bij al het geroofde Joodse bezit, vanwege de langdurige procedure om het overlijden van de slachtoffers in de vernietigingskampen ieder voor zich juridisch precies te kunnen vaststellen. Na die formele teruggave verkocht de weduwe in 1949 en 1952 aanvankelijk delen van het erf aan buurman Lubbers en in 1954 ook de rest van het huis.
Van Interieurverzorging naar Voorlopig In de na-oorlogse periode was interieurverzorger Lubbers vier decennia lang een bepalend gezicht voor het gedeelte van de Voorstraat tussen de Choorstraat en Minderbroederstraat. Voor een nieuwe zitbank kon men altijd bij hen terecht. Eind jaren negentig kwam hier een einde aan. De zaak verhuisde naar een andere locatie.
Na het vertrek van de firma Lubbers werd Videoland het nieuwe gezicht van het pand. In de jaren daarna volgden verschillende andere ondernemingen. Vanaf 2014 vestigde True Blue Delft zich er, een souvenirwinkel waar mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt werkervaring konden opdoen. Daarna kwam concept store LuSt in het pand. Rond 2019 maakte LuSt plaats voor Voorlopig, een winkel met exclusieve handgemaakte producten en originele cadeautjes. Onbewust moet ik dan denken aan de oude zeepzieders en andere ambachtslieden die hier ooit hun vak uitoefenden. Harry Strang |
|
![]() Voorstraat 8 in 2010. Foto Wikipedia. ![]() Struikelsteen voor Joseph Levie Berlijn, vermoord 19-10-1942 in Auschwitz. ![]() De gevel van het huis op de Kaart Figuratief van circa 1675. ![]() Pieter van der Graeff, geschilderd door Michiel van Mierevelt 1616 (collectie Museum Prinsenhof) ![]() Engelbert Graswinkel (1577-1635), schilder onbekend (Rijksdienst Cultureel Erfgoed) ![]() Volgens de familiecollectie Graswinkel zou deze dame Margaretha van Hoogenhouck moeten zijn, de echtgenote van Engelbert Graswinkel, geschilderd door Michiel v Mierevelt, maar is volgens de huidige beheerder (Rijksdienst Cultureel Erfgoed) is het Margaretha van Santen (1565-1641), de vrouw van Abraham van Hoogenhouck, wonende Koornmarkt 20. ![]() Het wapen van de familie Graswin(c)kel. ![]() Houtsnede uit 1926 van Jan Heesterman van het steegje tussen Voorstraat 8 en 10 met zicht op de onderdoorgang naar de Voorstraat, die daar nog tot kort na de Tweede Wereldoorlog heeft gezeten. Het steegje verbond het huis met het achterterrein dat aansloot op de bebouwing van de Cellebroerstraat. ![]() Een elegant gezelschap met een chirurgijn, geschilderd door Jan Josef Horemans (II) na 1729. (Privé collectie, foto RKD) ![]() Een kruidenierswinkel, geschilderd door Gerard Dou, 1647. (Collectie Louvre, Parijs) ![]() Bovenaanzicht op Voorstraat 8 met diepe tuin en achtergebouw vanaf de Oude Kerk, 1981. (Foto Ton Kerklaan, Stadsarchief) ![]() Kast met (lege) apothekerspotten in Museum Griffioen aan de Koornmarkt. Foto Robert Rooij. ![]() Overdracht van de winkel aan J.A. Heymann. Delftsche Courant, 22 mei 1866. ![]() Verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van 26 februari 1875. ![]() Tussen de bomen de kruidenierszaak van Van Dop begin 1900. (De kinderwagens zijn het handelswaar van de buren.) Foto F. Helbers. ![]() Tip in de Delftsche Courant van 27 november 1888. ![]() Jos Berlijn (1892-1942) (foto Joodsmonument.nl) ![]() Delftsche Courant, 12 oktober 1932. ![]() Delftsche Courant, 19 november 1931. ![]() Overlijdensadvertentie De Nederlander, 1 januari 1947. Vijf jaar na dato was het overlijden vastgesteld. Pas toen kon de procedure van vererving en teruggave van de geroofde eigendommen van start gaan. ![]() De gevel getekend in de oorlogsjaren door prof. Herman Rosse. ![]() De winkelpui van de interieurverzorgingswinkel van Jan Lubbers, in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Foto Openbare Werken. ![]() Excentriek Warenhuis Voorlopig, 2019. Foto Rien Koster, Stadsarchief. |
||||||||
| Zie hier voor meer informatie over bronnen,
eigenaren en bewoners van Voorstraat 8 |
||||||||||
| Geplaatst: 13 april 2026. Laatste wijziging: 14 mei 2026. | ||||||||||
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | ||||||||||